Het kind Izak
Met zijn staart kan satan rake klappen geven
En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. Genesis 21: 10
Izak mocht voorspoedig opgroeien, tot vreugde van zijn ouders. Zij hebben zich mogen verblijden in het kind dat God hen had gegeven. Toch komt er een schaduw over de blijdschap te liggen: zij zien dat het niet gaat tussen Ismaël en Izak. Ismaël, de zoon van Abram en Hagar, kan Izak niet verdragen. Hij is vele jaren ouder en het is voor hem heel niet moeilijk om Izak te plagen en te tarten. Wat is het erg dat mensen, zelfs kinderen, elkaar niet kunnen verdragen. Wat kan een ouder gebukt gaan onder de twist in het gezin. Wat is het erg als wij merken dat onze kinderen niet met elkaar om kunnen gaan. Steeds opnieuw laait de strijd weer op. In het gezin van Abram woedt de paradijsstrijd, de strijd tussen het vrouwenzaad en het slangenzaad. Waar de HEERE heeft gezegd: En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen (Genesis 3:15). Deze strijd laait op in het gezin van Abram. Deze strijd is er vandaag nog: zij heeft plaats in huwelijken in gezinnen, in kerken, in het persoonlijk leven van een mens. Christus heeft de kop van de satan vermorzeld, maar met zijn staart kan satan rake klappen geven. Deze strijd komt tot een hoogtepunt op de dag dat Izak werd gespeend. Ismaël zag kans om de kleine Izak te treiteren. De kanttekennaren zeggen dat hij dat niet zonder ingeving van zijn moeder Hagar heeft gedaan. Zij ziet dat haar zoon de erfenis mis gaat lopen. Het gaat om het eerstgeboorterecht: wie heeft nu recht op het eerstgeboortezegen? Deze eerstgeboorte-zegen is de genadezegen. Hagar en Ismaël gaat het om het goed van de zegen, maar Sara en Izak gaat het om de genade in de zegen. Waar is het ons om te doen, is het ons om God te doen, of is het om de weldaden van God te doen? Het gaat om eeuwig wel, of eeuwig wee. Het werk van God staat altijd in het teken van de strijd. Wanneer God in ons leven komt, dan ontstaat de strijd. Het is de strijd tegen de zonden, de duivel en de wereld. Vaak komt de strijd van een kant waar wij het niet van verwachten. Ismaël was ook besneden, had ook onderwijs gekregen van vader Abraham. De Heere heeft gezegd, de huisgenoten zullen zelfs uw vijanden zijn. Maar God neemt het op voor zijn eigen werk. Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Om dan in de strijd Gods tegenwoordigheid te mogen ervaren. Om dan te zingen met de dichter: ‘De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen’. Om in deze weg in kennis gebracht te worden van Christus. Waarvan Petrus zegt: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt. Zo kunnen wij de bespottingen en de plagerijen verdragen. Om zo ons leven in Zijn dienst te mogen besteden. Dat wij de goede strijd mogen strijden. De apostel Paulus heeft gezegd: Ik heb de goede strijd gestreden, en het geloof behouden. Het geloof dat in de wedergeboorte wordt geplant, in de strijd wordt beproefd, maar als goud mag gaan schitteren. En wie wettig gestreden zal hebben, zal wettig worden gekroond. Ken je deze strijd?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 2009
Daniel | 36 Pagina's