Om nooit te vergeten!
Het sterven van een medemens is steeds weer een roepstem
Er is geruime tijd geleden bij ons in de gemeente een jonge vrouw met haar ongeboren kindje overleden. Ik heb hier lang mee gelopen; ik heb er lang over nagedacht dat ze misschien voor mij gestorven is. Maar soms twijfel ik er weer aan, maar ik kan het niet loslaten. Ik heb het meerdere malen geprobeerd, maar ik kan het niet en vergeten zal ik het nooit. Een jongere
In het leven komen we meer dan eens in aanraking met heel erge dingen. Als we het in de krant lezen, denken we misschien even: ‘Dat is erg’. Als het gaat om je oude oma of opa vind je dat ook wel erg, maar denk je al gauw: ‘Zo gaat het in het leven. Oma of opa mocht toch heel oud worden; ik hoop dat ik ook zo oud word’. Het wordt anders als het gaat om je nog jonge moeder, vader, broer of zus. Soms na een ernstige ziekte, soms ineens met een ernstig ongeluk. Ook als het gaat om een jonge vrouw, zoals in jouw situatie. Je hebt haar goed gekend, gezien, gesproken en dan ineens is ze er niet meer… Iedere keer weer kijk je naar die lege plaats in de kerk. We kunnen er geen woorden voor vinden om uit te drukken hoe erg het is. Alles wat we ervaren, voelen, is zo anders dan anders. We zijn verward, het verstomt ons, zoals de vrienden van Job verstomd waren bij het zien van al Jobs tegenslagen. Ze zwegen zeven dagen. Het zijn ingrijpende gebeurtenissen waar we soms nachten slecht van kunnen slapen. Gebeurtenissen die een leven lang mee gaan.
Spreken
Ons zwijgen duurt veelal niet zo lang. Ook na iets ingrijpends: we spreken er over. Dat mag en moet ook. Maar als we gaan spreken, wat zeggen we dan? De vrienden van Job zeggen heel mooie dingen, maar ze passen ze verkeerd toe. De discipelen vragen ten aanzien van een blindgeborene: Heeft deze gezondigd of zijn ouders? Het antwoord van de Heere Jezus is: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem verheerlijkt worden (Johannes 9: 3). Wat horen we in de Bijbel ook kinderen van God worstelen met de ‘waaroms’ van het lijden. Denk maar aan David in Psalm 42 of Asaf in Psalm 73. Wat kan het ‘waarom’ vol zijn van opstand tegen Gods weg. Zo vraagt Jeremia zich af waarom hij geboren is (Jeremia 20: 18) als het in zijn profetische bediening anders gaat dan hij had gedacht. Mozes daarentegen worstelt met God in het waarom van het kwaad dat het volk overkomt. Hij ziet Gods bedoeling met de tegenslagen voor het volk niet (Exodus 5: 22). We mogen en moeten ook in het lijden de Heere vragen of we niets onbedachtzaam uitspreken. Wat is daarin Gods bewarende genade nodig: een wacht bij onze lippen.
Schuld
Er is veel spreken in het lijden dat tegen Gods woord in gaat. Je kunt soms lezen of horen: ‘Zo heeft God het niet gewild’. God is echter in het lijden geen krachteloos Aanschouwer. Hij regeert en houdt alles in Zijn hand. Wat kan dit juist ook troost geven. Je kunt God de schuld niet geven van al die ingrijpende gebeurtenissen. Het is onze schuld vanwege onze zonde. Als je ziet wat één zonde tegen de heilige God is, dan wordt het een wonder dat de wereld er nog is. Dat jij en ik er nog zijn. Toen Jeremia dat zag, moest hij uitroepen: Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat ik niet vernield ben. We moeten in ons spreken ook altijd goed beseffen dat mensen nietige vertroosters zijn. Moet je dan niet gaan condoleren, niet op bezoek gaan bij rouwdragenden? Zeker wel, maar spreek niet zo maar wat. Besef dat het niet gaat om mooie woorden.
Roepstem
Het sterven van een medemens is steeds weer een roepstem: Gedenk te sterven. Het stelt ons de vraag: Ben ik bereid te sterven, bereid voor Gods rechterstoel te verschijnen? We leven heel makkelijk aan deze roepstemmen voorbij. Alleen als het dichterbij is, wordt het anders. Maar ook dan, na een jaar… twee jaar… vijf jaar, hoe is het dan? ‘Ik had gedacht het nooit te vergeten’. Maar: denk eens terug aan dat erge in de kerkelijke gemeente twee, vijf jaar geleden? Het is als met een ernstige preek. Wat had het een indruk gemaakt… Wat kunnen we denken: ‘Dat vergeet ik nooit meer.’ Maar er is nog geen week, geen maand voorbij en we denken er niet of nauwelijks meer aan. Als je er wel aan blijft denken, er wakker van ligt, dan kan dat heel lang duren. Het kan je psychisch in problemen brengen. Je kunt er hulp in moeten vragen omdat je er depressief van blijft. Hulp vragen mag ook, maar daarmee is het nog niet tot je eeuwig behoud. Roepstemmen in het tijdelijk leven – hoe ingrijpend ze ook zijn – bekeren ons echter niet. Wel kunnen ze een middel zijn om ons bij Gods Woord te brengen. Dat Woord laat ons dan zien dat die roepstemmen er zijn door mijn schuld. En daarin krijg ik God dan onmisbaar nodig. Dan krijg ik, als het goed is, de Vorst des Levens nodig, Christus, de enige Troost in leven en sterven. Mag ik jou vragen als je dat grote verlies niet kunt vergeten: Heb je de Heere en Zijn Woord daarin nodig? Vraag of je dat erge niet vergeet voordat je daar terecht komt. Dan zul je het nooit meer vergeten, omdat God niet alleen in dit verlies sprak, maar ook door Zijn Woord en Geest. Je zult daardoor leren zien: God deed het niet om te plagen, maar tot mijn eeuwig behoud.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 2009
Daniel | 36 Pagina's