Spiegel van de Wet
Ds. Schipper: de Wet is een weerkaatsing van God Zelf
‘Spiegel’ is al een oud woord. Volgens van Dale, het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, betekent het: ‘een voorwerp van metaal met een gepolijste oppervlakte, of van glas met een preparaat daarachter, dat door terugkaatsing beelden vormt van de voorwerpen die zich ertegenover bevinden’. Het gaat nu niet om voorwerpen, maar om mensen die heel vaak voor een spiegel te vinden zijn. Die zien dus zichzelf door de terugkaatsing. Wanneer we iemand het verkeerde van zijn of haar gedrag willen laten zien, zeggen we: we zullen hem of haar een spiegel voorhouden.
Veel Middeleeuwse boeken met in de titel het woord ‘spiegel’ (zie het kader op pagina 12) zijn over het algemeen interessant en leerzaam. In ieder geval zijn ze zo bedoeld. Het woord ‘spiegel’ kan echter ook een veel negatiever betekenis hebben. Als iemand heel veel in de spiegel kijkt – sommige jongeren hebben daar veel last van –, is zo iemand in de regel erg ijdel. De dichter Hiëronymus van Alphen schreef daarover in zijn dagen het aardige gedichtje: ‘Die telkens in de spiegel ziet, en zich met schoonheid vleit, beseft de ware schoonheid niet, maar jaagt naar ijdelheid.’ In de Bijbel is het met name de Prediker, die op ernstige en indringende wijze heeft gewaarschuwd voor de ijdelheid. En dan doelt hij in het bijzonder op alles wat betrekkelijk en vergankelijk is. Daarvan houdt de Prediker ons een spiegel voor. Het woordje ‘spiegel’ komt ook letterlijk op enkele plaatsen in Gods Woord voor. Paulus schrijft in 1 Korinthe 13: Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht (vers 12a). Niet zo’n eenvoudige tekst. Paulus wil er samengevat mee zeggen, dat er voor Gods kinderen nog veel raadselachtig blijft aan deze zijde. Er zijn vele verborgenheden. Het geloofsleven is aan deze zijde zeer gebrekkig en onvolmaakt. Alles is met zonde bevlekt. Maar straks, na de wederkomst van Christus, zullen Gods kinderen met een verheerlijkt lichaam Christus en de Vader zien en kennen van ‘aangezicht tot aangezicht’.
Spiegel der Wet
Van de kansel horen we vaak de uitdrukking ‘spiegel van de Wet’. Wat betekent dat nu? Na het bovenstaande kun je er waarschijnlijk wel een antwoord op geven. Dan wordt ons de Wet voorgehouden. Dan zien we wat de Wet van ons vraagt. Met de Wet moeten we dan denken aan de tien geboden, die we elke zondag horen voorlezen. We worden dus ook elke zondag geplaatst voor de spiegel van Gods Wet. De Wet zegt ons wat we niet mogen doen, maar ook wat we wèl moeten doen. De Wet verbiedt ons bepaalde zaken (bijvoorbeeld in het achtste gebod: niet stelen), maar eist ook van ons bepaalde dingen te doen (het nut van de naaste bevorderen en de nooddruftige helpen). Ieder gebod heeft dus een keerzijde. Je bent niet klaar met iets niet te doen. Je moet ook wèl doen. En het gebod heeft niet alleen een letterlijke, maar ook een geestelijke betekenis. Zo bezien staan wij allen schuldig ten aanzien van alle geboden des Heeren.
Kenbron
In de Heidelbergse Catechismus wordt al in Zondag 2 over de Wet gesproken. Dan wordt gevraagd waaruit we onze ellende kennen. En dan is het antwoord: ‘Uit de Wet Gods’. Met ‘ellende’ wordt hier bedoeld al onze zonden. Maar niet alleen de zonden. Ook de schuld. De schuld is het gevolg van de zonde. En dan behoort bij die ellende ook nog de straf op de zonde. Wat een ellende! En weet je wat nu de grootste ellende is? Dat wij onze ellende niet recht kennen. Natuurlijk weten we wel dat wij niet volmaakt zijn en dat we zonden doen, maar kennen we echt (dat is een doorleefde kennis met ons hart) onze ellende? Dat kan de Heere door middel van de Wet ons wel leren, namelijk wanneer de Heilige Geest ons gaat plaatsen voor de spiegel van de heilige Wet. Dan worden we zondaren voor God. De spiegel van de Wet is rein. Maar wij zijn onrein. Dus het juiste zicht op onze ellende verkrijgen we alleen, wanneer we door Gods Geest bearbeid worden, wanneer we wedergeboren worden, wanneer de Heilige Geest bezit neemt van ons leven.
Licht
Soms zie je in een museum een prachtige spiegel hangen. Maar als het donker is, zie je die spiegel niet en jezelf ook niet. Maar als het licht is, zie je die spiegel en zie je ook jezelf. Je kunt duizend keer de Wet horen voorlezen, maar je ziet helemaal niets. Totdat het licht van de Heilige Geest erop gaat vallen. Dan zie je dat die spiegel een weerkaatsing is van God Zelf. Van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. Maar je krijgt ook te zien wie jezelf bent: een grote zondaar in z’n ongeluk, z’n leegte, z’n ellende.
Leraar
Wie houdt ons nu die Wet voor? Wie geeft ons dat onderwijs? Wie houdt die spiegel vast? Dat is Christus. Dat staat ook in Zondag 2, gegrond op Gods Woord: ‘Dat leert ons Christus in een hoofdsom’. Kijk ook maar in Mattheüs 22: 37-40. En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is : Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten. Maar die Christus is nu verborgen achter de spiegel van de heilige Wet. En die Christus zullen we toch moeten leren kennen, wil het wel zijn voor de eeuwigheid. Hij zal Zich moeten openbaren en verklaren aan de zondaar, die zichzelf (bevindelijk) heeft leren kennen als zondaar voor God. Weet je wat de Wet dan ook gaat doen op Gods tijd en wijze? Die gaat die overtuigde zondaar uitdrijven tot Christus, Die het einde – het doel – is van de Wet, zodat hij Hem mag leren kennen, Die de Wet vervuld heeft. Hij was de Wet gehoorzaam op een volkomen wijze. Het mag ons gebed zijn, of zo de Wet ook in ons leven mag zijn als een 'tuchtmeester' tot Christus. Dat betekent dat die Wet als een pedagoog, als een leermeester, die zondaar de weg gaat wijzen naar Hem Die het Leven is. De grote Leraar der Wet, maar ook de grote Leraar ter gerechtigheid. Hem te kennen is het eeuwige leven. Als we dat alles mogen gaan zien in de spiegel ons voorgehouden, gaan we het de dichter nazeggen:
Hoe kleeft mijn ziel aan ‘t stof; ai, zie mijn nood;
Herstel mij, doe mij naar Uw woord herleven.
‘k Lei voor Uw oog mijn weg en handel bloot;
En welk een angst mij immermeer deed beven,
Gij hebt verhoord; maak voorts Uw weldaân groot,
En laat Uw wet mij onderrichting geven.
---
Spiegel voorhouden
Al in heel oude literatuur komen we het woord ‘spiegel’ tegen. In de Middeleeuwen bijvoorbeeld is bekend geworden op het terrein van de mystiek de schrijver Jan van Ruusbroec (1294-1381). Hij schreef onder meer een boek met als titel Een spieghel der eeuwige zaligheid. Hij vertelde daarin op zijn eigen (mystieke) wijze hoe je deel kon uitmaken van die eeuwige zaligheid en wat die zaligheid inhield. Een andere schrijver uit die tijd, Jan van Boendale (1279-1351), schreef Der leken spieghel. Dat is een boek waarin hij de leken – dat zijn de niet-geestelijken – een spiegel wilde voorhouden van de wereld en van de mens in het algemeen. Hij probeerde zo zijn lezerspubliek te onderwijzen met nuttige adviezen. Hij gaf ook veel informatie en hij trachtte zo de mens wat bagage mee te geven voor het aardse leven. Ook Jacob van Maerlant (ong. 1235-1300) probeerde de wetenschap van zijn tijd binnen het bereik te brengen van al die mensen die geen Latijn verstonden. Zijn Spieghel Historiael is een uit het Latijn vertaalde wereldgeschiedenis, die Van Maerlant aanvulde uit andere bronnen, zoals die van de Nederlandse geschiedenis. Alle eeuwen door is het woordje ‘spiegel’ veel gebruikt, want alle eeuwen door zijn er vele schrijvers geweest, die de mensen iets wilden voorhouden, die kennis wilden overdragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 2009
Daniel | 36 Pagina's