Hoe kan ik nu ‘ja’ zeggen?
Ik ben een jongere en wil graag lid worden van de kerk, maar ik ben niet gedoopt. Nu loop ik met de vraag: ‘Hoe kan ik op die vijf vragen – en met name vraag 2, 3 en 4 in het doopformulier voor de volwassendoop – antwoorden met ‘ja’, terwijl ik niet bekeerd ben? Een jongere
De vragen bij de volwassendoop zijn heel indringend. Veel jongeren en ouderen die op deze vragen een antwoord moeten geven, zullen daar - als het goed is - mee geworsteld hebben en nog mee worstelen. Kan of kon ik daar nu wel met ‘ja’ op antwoorden? Die worstelingen rond dat ja-woord zijn noodzakelijk. Bij het huwelijk en de bediening van de kinderdoop wordt ook ‘ja’ gezegd. Dan hoor je veel minder van moeite rond het jawoord. Maar ook dan gaat het formulier er van uit dat dit ja-woord wordt gegeven met een zaligmakend geloof. Met minder kan het toch niet voor Gods aangezicht, ook niet bij belijdenis des geloofs. God vraagt toch naar het hart achter het ja-woord. En wie zal ooit - ook na ontvangen genade - zijn voor God uitgesproken ja-woord kunnen houden? Dat heeft er maar Eén gedaan: Christus.
Vragen
Het is, denk ik, goed, dat we de vragen van het formulier even weergeven:
1. Ten eerste, of gij gelooft in den enigen waarachtigen God, onderscheiden in drie Personen, Vader, Zoon en Heilige Geest, Die hemel, en aarde, en alles wat daarin is, uit niet geschapen heeft, en nog onderhoudt en regeert, alzo dat er niets geschiedt, noch in den hemel noch op de aarde, zonder Zijn Goddelijken wil?
2. Ten tweede, of gij gelooft dat gij in zonden ontvangen en geboren zijt, en daarom een kind des toorns zijt, van nature ten goede gans onbekwaam en geneigd tot alle kwaad; en dat gij met gedachten, woorden en werken de geboden des Heeren menigmaal hebt overtreden; en of deze uw zonden u van harte leed zijn?
3. Ten derde, of gij gelooft dat Jezus Christus, Die tegelijk waarachtig en eeuwig God is en waarachtig mens, Die Zijn menselijke natuur uit het vlees en bloed der maagd Maria heeft aangenomen, u tot een Zaligmaker van God geschonken is; en dat gij door dit geloof ontvangt vergeving der zonden in Zijn bloed, en dat gij een lidmaat van Jezus Christus en van Zijn Kerk door de kracht des Heiligen Geestes zijt geworden?
4. Ten vierde, of gij verder al de artikelen der Christelijke religie, gelijk die hier in de Christelijke Kerk uit het Woord Gods geleerd worden, toestemt; en van voornemen zijt, in dezelve leer tot het einde uws levens standvastelijk te volharden; en tevens verzaakt alle ketterijen en dwalingen, met deze leer strijdende; en belooft dat gij in de gemeenschap dezer Christelijke Kerk, niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik van het Heilig Avondmaal, zult volharden?
5. Ten vijfde, of gij u van harte voorgenomen hebt, altijd christelijk te wandelen, en de wereld en haar kwade begeerlijkheden te verzaken, gelijk het lidmaten van Christus en van Zijn gemeente betaamt; en of gij u aan alle christelijke vermaningen gaarne wilt onderwerpen? Op iedere vraag moet met ‘ja’ worden geantwoord.
Begrip
Als je de vragen voor het ‘gewone’ belijdenis doen er naast legt, zie je heel veel overeenkomst. Leg vraag 1 over de leer overeenkomstig Gods woord naast de bovenstaande vragen 1 tot en met 3; vraag 2 over het leven naar de zaligmakende leer naast vraag 4 en vraag 3 en 4 over de wandel en de tucht naast vraag 5. Toch begrijp ik wel dat de vragen bij de volwassendoop zwaarder vallen, vooral als het gaat over het gebruik van het Heilig Avondmaal. Wat zouden we daarom de vragen graag anders stellen of een vraag overslaan… In de kerkgeschiedenis is dat ook wel gedaan. Kerkelijke vergaderingen hebben echter altijd gestreden voor de handhaving van de vragen. Ook in de Gereformeerde Gemeenten moeten de vragen onverkort worden gesteld. Ds. J. van Haaren heeft daarover bij een volwassendoop ooit gezegd: “Toch dat kan niet anders. Het is tevens belijdenis des geloofs. Er is maar één geloof en dat is het echte.”
Echt geloof
Jij schrijft: dat mis ik, daarom kan ik me niet laten dopen. Ik lieg als ik me toch laat dopen? In dezelfde toespraak zegt ds. Van Haaren: “U kan dat ja-woord ook met een biddend hart uitgesproken hebben, zeggend: ‘O, Heere, dat vermag ik nu alleen door Uw genade’. Dat is ook toegezegd: Die goede en grote God, Die verlene goedertierenlijk tot uw heilig voornemen Zijn goddelijke genade en zegen, door de Heere Jezus Christus. Dan is het uiteindelijk zo, dat deze woorden uitgesproken kunnen worden met een biddend hart.” Achter alle ja-woorden in de kerk mogen we wel bidden: ‘Heere, wilt U dat ja geven in mijn hart en leven en wilt U me bij dat ja bewaren door uw genade. Anders kan het nooit.’ Wij kunnen niet anders dan van ons ‘ja’ steeds weer ‘nee’ maken. Daarom is de zucht om Christus’ genade bij voortduur noodzakelijk. Het is de geestelijke armoede van onze tijd dat we menen alles zelf te kunnen en moeten doen. Daar komt echter niets van terecht. Mensen mogen en kunnen je niet dwingen tot het laten dopen. Leg de nood van de volwassendoop biddend voor de Heere neer en vraag of Hij je de weg wil wijzen. Hij weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Stel je ook de vraag of je dan als ‘ongedoopte’ verder kunt leven. Want zeg je daarmee niet: en toch dien ik nog de wereld en de satan? Bid dan: Heere, kom toch mijn ongeloof te hulp.
J. van Haaren, De goede belijdenis
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 maart 2009
Daniel | 36 Pagina's