Vader, Zoon en Geest
Geloofsbelijdenis van Nicea over het werk van een Drie-enig God
Toen de kerk in 313 onder keizer Constantijn godsdienstvrijheid kreeg, ging ze nog meer dan voorheen nadenken over de leer. De reden was vooral dat er inmiddels veel dwalingen in omloop waren. De dwalingen die verspreid werden door Arius, de bisschop van Alexandrië, gaven de meeste ergernis. Zo ontkende Arius dat Jezus een Goddelijk Persoon was. Hij zag Hem als de ‘eerstgeschapene’ van God. Maar als Christus niet meer zou zijn dan mens, zouden we geen Middelaar hebben en daarmee komt de zaligheid van Gods kinderen op het spel te staan.
Vooral Athanasius, die na Arius bisschop werd van Alexandrië, heeft zich sterk tegen de dwalingen van Arius verzet. Uiteindelijk heeft de synode van Nicea - een stadje in Klein-Azië, het tegenwoordige Turkije - in 325 een einde aan de twist gemaakt. Een belijdenis werd opgesteld, waarin dus de nadruk gelegd werd op de Godheid van Christus. Na het jaar 325 zijn er nog belangrijke toevoegingen gedaan aan deze geloofsbelijdenis van Nicea, namelijk dat ook de Heilige Geest God is. De definitieve versie van de belijdenis werd vastgesteld op de synode van Constantinopel – het tegenwoordige Istanbul – in het jaar 381. Eigenlijk werd toen pas de leer van Arius voorgoed veroordeeld. Tussen 325 en 381 bleek er namelijk nog veel verwarring te zijn. Dat kwam door het feit dat de elkaar opvolgende keizers wisselend hun sympathie betuigden met voor- en tegenstanders van de aangenomen belijdenis.
De Drie-enige God
Als we de opbouw van de Geloofsbelijdenis van Nicea bezien, kunnen we constateren dat ze ‘trinitarisch’ van opzet is, net als de Apostolische Geloofsbelijdenis. Het gaat immers in beide over het geloof in God, in de Zoon en in de Heilige Geest. Het geloof in de Drie-enige God is het meest wezenlijke kenmerk van het christelijk geloof. De toevoeging over de Heilige Geest was van groot belang. Arius loochende namelijk ook de Godheid en de levendmakende werking van de Heilige Geest. In de belijdenis staat nu nadrukkelijk dat de Geest uitgaat van de Vader en van de Zoon. Dat laatste - ‘en van de Zoon’; Latijn: filioque - stond niet in het oorspronkelijke. Overigens is dit leerstuk nooit aanvaard door de Oosters-Orthodoxe Kerk. Toch is de belijdenis van Nicea – behalve dan het geloofsartikel dat de Geest ook van de Zoon uitgaat – de voornaamste confessie geworden van de oosters- orthodoxe kerken.
Oude dwalingen
Is deze geloofsbelijdenis voor de dag van vandaag nog wel actueel? Die vraag mogen we zeker wel positief beantwoorden. De oude geloofsbelijdenissen geven vaak antwoord op dwalingen die juist in onze tijd weer de kop opsteken. Maar vooral ook omdat het hier gaat om de belijdenis van het geloof. En dat is door alle tijden heen hetzelfde. Dat is de blijvende waarde en dat heeft blijvende actualiteit. Veel eigentijdse dwalingen blijken trouwens al oude dwalingen te zijn. Denk aan dwalingen betreffende de opstanding van Christus en de opstanding der doden. Die waren er al kort na de hemelvaart van Christus, bijvoorbeeld in de gemeente van Korinthe (1 Korinthe 15). En Paulus schrijft ook over mensen als Hymeneus en Filetus, die op dit terrein dwalingen verkondigden. Veel vragen die op de kerk afkomen, kunnen beantwoord worden met de belijdenissen die in het verleden zijn uitgesproken.
Werk van de Geest
Zo leven wij in dagen dat er veel gesproken wordt over de gaven van de Geest. Maar waar zijn de vruchten? In dat opzicht is de formulering van de belijdenis van Nicea wel heel belangrijk. Ik denk aan de zinsnede: ‘Die gesproken heeft door de profeten’. Wanneer we alle nadruk leggen op het Woord, worden we letterknechten. Wanneer we alle nadruk leggen op de Geest, worden we geestdrijvers. De Geest spreekt echter niet buiten het Woord om. We moeten altijd maar weer vragen: ‘Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen’ (zondag 48). In dit verband denk ik aan de woorden uit de tweede zendbrief van Petrus: En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte en de Morgenster opga in uw harten (2 Petrus 1: 19).
Het profetische Woord hebben wij van God gekregen. Hebben we ons daarover al wel eens verwonderd? Dat wij het Woord hebben en dat wij het mogen lezen? Want we leven toch in een wereld, waarin zoveel mensen dat Woord niet hebben of niet willen lezen. Wat een onderscheid maakt de Heere dan. Van nature is er geen onderscheid. We zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd. We zijn allemaal van God afgevallen en de satan toegevallen, de leugenaar van den beginne, die ons influistert dat het Woord niet waar is. De satan is de grootste Schriftcriticus die er bestaat. Hij zegt, dat het allemaal kunstig verdichte fabelen zijn. Wat hebben we dan toch de hulp des Heeren nodig om de aanvallen van de satan te kunnen weerstaan. Dat is ook nodig na ontvangen genade. Want zelfs op zeer hoge leeftijd kan de satan nog de hevigste aanvallen plegen op het volk van God.
Het ene Woord
Maar dan zal de Heere toch betonen dat de poorten der hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen. En dan mogen ze door alles heen ervaren dat het Woord zeer vast is. Het profetische Woord! Dat geldt voor het Oude Testament, maar ook voor het Nieuwe. Het geeft onderwijs aangaande de toekomende dingen. Het wijst ons op de wederkomst des Heeren. Tussen Genesis en Openbaring liggen eeuwen. En toch is dat het ene profetische Woord. Omdat de schrijver is de Heilige Geest, Die al de bijbelschrijvers geïnspireerd heeft. Al de bijbelboeken spreken over de Heere Jezus Christus. Over Zijn vernedering en over Zijn verhoging. Over Zijn namen, staten en weldaden. Hij is het grote middelpunt van het Woord. Christus wandelt onder ons in het gewaad van het Woord. Wat een voorrecht dat we dat Woord mogen hebben. Is het ons echt een wonder? Het Woord is ook zeer vast. Het is van eeuwigheid. En zo ligt ook de zaligheid van de uitverkorenen vast in de stilte der eeuwigheid. Toen heeft Christus het al toegezegd te komen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. De zaligheid ligt vast in het soeverein welbehagen van God, in de doorboorde handen van de Middelaar en in het toepassende werk van de Geest. Dat vraagt om de toepassing in ons persoonlijk leven. Het is het werk van een Drie-enig God.
Beleving
Zo zien we dat de geloofsbelijdenissen, ook die van Nicea, een blijvende betekenis hebben. Het allergrootste is het, als we tot die persoonlijke geloofsbelijdenis mogen komen: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. De persoonlijke belijdenis met het hart staat niet los van de belijdenis van de kerk. Het gaat om dezelfde inhoud: de leer die naar de godzaligheid is. Maar wat nu is vastgelegd in de belijdenisgeschriften, moet een zaak van beleving worden. Dat we dan mochten smeken om de werking van Gods Geest ‘Die Heere is en levend maakt, Die van de Vader en de Zoon uitgaat, Die tezamen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt en Die gesproken heeft door de profeten’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 2008
Daniel | 36 Pagina's