Een gepasseerd station?
Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus (Romeinen 5:1)
Het is nog niet zo lang geleden. Het was na een huwelijksbevestiging die ik in een ander kerkverband meemaakte. De predikant was een ernstige jongeman. Na de dienst was er een receptie, waarbij hij ook aanwezig was. Daarbij kwam het gesprek op de inhoud van de preek. Ter sprake kwam wat in het algemeen de inhoud ervan behoort te zijn. Zo vertelde hij, dat hij in zijn nieuwe gemeente ook de Heidelbergse Catechismus was gaan behandelen. Daarbij had hij het gevoel, dat de inhoud van de zondagen twee tot en met vier een gepasseerd station leken te zijn. Het stuk van de ellende werd in haar betekenis niet verstaan. Ten diepste had dat in het geloofsleven geen functie. Het ging veel meer om vragen als: Hoe draag ik mijn geloof uit? Wat beteken ik voor mijn naaste?
Eén van de zaken waarop de vragen zich blijven toespitsen, is het thema: Hoe ben ik rechtvaardig voor God? ' We mogen ook zeggen: Hoe word ik weer rechtvaardig voor God? ' Want toen God ons schiep, was er een rechte verhouding met God. Als geschapen mens waren we zonder zonde en kleefde ons geen onrecht aan. Maar door de zondeval is dat veranderd. Nu is er niemand meer rechtvaardig voor God. Ook niet één (Romeinen 3:10). Dat is een zaak van ontzaglijke ernst waar we ons zo maar niet van mogen afmaken. Want het gaat om onze zaligheid. Toch is dat in de verhouding met God niet het laatste woord. Er is van Gods kant een mogelijkheid geschapen om weer in de rechte verhouding met Hem hersteld te worden. Die mogelijkheid wordt ons in het Woord van God nadrukkelijk aangewezen. Hij was de Eerste, Die de gevallen mens opzocht met Zijn genadewoord (Genesis 3: 5). Daarbij wees de Heere de Weg aan waardoor het mogelijk zal zijn weer in de oorspronkelijke staat hersteld te worden.
Door de hele Bijbel heen wordt ons de noodzaak van het opheffen van de verbroken verhouding met de Heere voorgehouden. Maar bijzonder in de brief aan de Romeinen en ook in die aan de Galaten wordt dat benadrukt. Daar worden we op een indrukwekkende wijze gewezen op de gevolgen van de zonde. Die komen tot uiting in de verwoestende uitwerking ervan in ons menselijk bestaan. Maar zij stelt ons ook schuldig aan Gods geboden. Zij maakt ons Zijn straffen waard. Dat zijn bijbelse waarheden waarvan we de werkelijkheid ons in Gods Woord wordt voorgehouden. Die door ons moeten worden aanvaard.
Maar dan moeten ze ons ook in de prediking worden voorgehouden. Want die dient toch het Woord onveranderd door te geven. Dan kan men niet om deze waarheden heen. Op mijn vraag aan genoemde predikant hoe het toch kwam dat de kennis van de eerste zondagen van de Catechismus een gepasseerd station leek te zijn, bleef hij het antwoord schuldig. Naar mijn overtuiging hangt dat ontbreken ervan ten diepste samen met het niet meer noemen van deze waarheden in de prediking. Want wat niet meer gepreekt wordt, wordt niet meer geloofd. Als men alleen benadrukt wat de gemeente als verbondsgemeente is, raakt die kennis op de achtergrond. Onze relatie met het verbond dat de Heere met Abraham maakte, heft echter onze relatie met Adam niet vanzelfsprekend op. Van die waarheid dient de gemeente ook doordrongen te zijn. Slechts een nieuwe geboorte uit God en het ware geloof in Christus zijn de onmisbare voorwaarden om weer in de rechte verhouding met God te komen. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: enzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Johannes 3:3b).
Langs die weg zal het wonder van de rechtvaardiging gestalte krijgen. Dat hopen we in een vervolgartikel aan te geven. Nu is het niet genoeg deze bijbelse waarheden te aanvaarden. Het persoonlijk doorleven ervan is eveneens onmisbaar. Daar zijn we vanuit onszelf vreemdeling van. De objectieve waarheden moeten echter subjectief doorleefd worden.
De bekende Schotse predikant M' Cheyne verwoordde, wat hij ervan en hoe hij het geleerd had, als volgt:
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart; ik kende geen schuld en gevoelde geen smart. Ik vroeg niet: 'Mijn ziele doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? '
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, toen werd in mijn ziele de vreze gewekt. Toen zag ik wat eisen Gods heiligheid deed; daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.
Zo kan en mag de kennis van onze zonde en ellende geen gepasseerd station zijn. Het is de weg waarlangs de kennis van de verlossing ontvangen wordt. Dat hopen we een volgende keer te zien.
Vragen
1. Waarom is bevindelijke kennis van de eerste vier zondagen van de Heidelbergse Catechismus onmisbaar tot onze zaligheid? Betrekt bij je antwoord: eremia 3:13, Mattheüs 9:12, Lukas 5:32.
2. God was de Eerste, Die de gevallen mens opzocht met Zijn genadewoord. Hoe is Hij in het leven van Zijn kinderen (voor het eerst en steeds weer opnieuw) de Eerste?
3. "Wat niet meer gepreekt wordt, wordt niet meer geloofd." Noem enkele voorbeelden uit de prediking van de profeten, van de Heere Jezus en van Paulus waaruit blijkt dat zowel de kennis van de zonde als van de genade gepredikt moeten worden.
4. Het prachtige lied van Mac Cheyne is bij iedereen wel bekend. Zeg eens in je eigen woorden wat de laatste twee regels betekenen. Ken je dit in je eigen leven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 2007
Daniel | 32 Pagina's