Gode meer gehoorzaam
Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandende izuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen (Daniël 3:15-18)
"Ze hebben vanwege de liefde Gods de hitte in de Oliën niet gevoeld"
Het gaat hier over drie jongelingen, Joden, mannen van aanzien. Ze behoorden tot de weggevoerden in ballingschap. Hananja, Misaël en Azarja waren van koninklijk zaad en met wijsheid begiftigd boven anderen. Deze jonge godvrezende mannen hadden een voorname positie gekregen. Ze waren gesteld over de bediening van het landschap van Babel, het land waarover Nebukadnezar heerste. Deze koning deed wat kwaad was in de ogen des Heeren. Toch moesten de drie jongelingen de wetten van het land eerbiedigen. Dat geldt ook voor ons, ook als we moeten zeggen dat de regeerders God niet vrezen. Toch heeft en kent gehoorzaamheid grenzen. Dat zien we heel duidelijk in deze geschiedenis, waarin de koning onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eist aan zijn gebod, op straffe van de dood. Ook de drie jongelingen moeten zich aan het gebod onderwerpen, ondanks de hoge positie die ze hebben gekregen. Ze komen te staan voor het onmogelijke: enerzijds moeten ze zich onderwerpen aan het gebod van de koning, anderzijds klinkt de eis van God: dient dan geen goden nevens Mij. In zo'n geval geldt dat we Gode meer gehoorzaam zullen zijn dan de mensen. Hier wordt iets gevraagd dat we| hee| duidelijk in strijd is met Gods Woord en Wet. Het is dus geen burgerlijke ongehoorzaamheid.
En deze drie jonge mannen hebben betoond onvoorwaardelijk de zijde van God te kiezen, ondanks alles wat daar aan verbonden was. Denk het je maar eens in: bij weigering van het aanbidden van het beeld, zouden ze in de oven des brandende vuurs geworpen worden. Het moet er maar eens op aan komen: knielen of verbrand worden. Wat vermag genade, de vreze des Heeren toch! Hier valt een keus om God te gehoorzamen hoewel ze dan op bevel van de koning in de oven geworpen zullen worden. Wat een geloofsgetuigenis lezen we in vers 17 en 18. Onze God. Die wij eren is machtig ons le verlossen uil de over: des brandende vuurs en Hij zal ons uit uw hand. o koning, verlossen. Maar zo niet. u zij bekend o koning, dol wij uw goden nier zullen eren. noch hel gouden beeld dal gij opgericht neb: , zullen aanbidden.
Hoe is het in ons leven? Wat zijn er ook in onze tijden een afgoden die opgericht worden om te aanbidden, wat een wereldzin en wereldgelijkvormigheid, wat een drang om een leven naar eigen inzicht te leiden. Wat is er ook een ongehoorzaamheid aan ouderen en aan ambtsdragers. Wat kan er toch soms veel mee door, waarbij we menen het zo goed te doen. Nuchter zijn wordt dat dan genoemd, maar dan wel zo dat ik bepaal wat goed en niet goed is. Wat hebben wij er voor over om de tijdgeest niet te aanbidden? Ik denk dan aan ons dagelijks leven, aan handel en wandel, maar ook aan het godsdienstig leven. Waar het op aan komt is, of er net als bij de jongelingen, godsvreze is. Er kan zo geweldig veel godsdienst zijn en we kunnen ons inzetten voor het werk der barmhartigheid, waarbij echter helaas de ware godsvreze wordt gemist.
Bij de jongelingen was de liefde Gods uitgestort in het hart, waardoor ze nee konden zeggen tegen het bevel van de koning. Wat is zulke gehoorzaamheid aan Gods gebod een schone zaak. Wat is die gehoorzaamheid ver zoek in onze samenleving en hoe triest zijn de gevolgen. De jongelingen zijn op bevel van de koning in de oven geworpen, maar God zorgde en bewaarde. Die God bewaart, is wel bewaard. Ze hebben vanwege de liefde Gods de hitte in de oven niet gevoeld, ze waren met de Heere in de oven. Wat een wonder! Nebukadnezar heeft aanschouwd wat God vermag en dat God regeert. Hij moest uitroepen: Gelooid zij de God von Sadrach. Mesach en Abed-Ncgo. Ongehoorzaamheid is begonnen in het paradijs en woekert voort in en buiten ons. Ongehoorzaamheid verteert land, gezin en kerk. Maar Christus heeft gehoorzaamheid geoefend om de wil Zijns Vaders te doen in dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid voor Zijn volk. Dat wij er toch naar staan om in dit leven de vreze des Heeren te ontvangen die doet wijken van de paden des kwaads. Dat is iets anders dan vroomdoenerij en wat eigenwillige godsdienst, en een houding van: zo de wind waait, waait mijn jasje. De God aller genade mocht dat goddelijk genade werk willen voortplanten, ook in het leven van de jongeren. Dat wij bewaard mogen blijven bij de leer die naar de godzaligheid is. De Heere vermeerdere en beware Zijn Kerk in een ondergaande wereld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 2007
Daniel | 23 Pagina's