Blijdschap in het geloof
Sommige jongeren die ik ken stralen veel blijdschap uit in het geloof. Ze getuigen vrijmoedig van hun geloof. Als ik eerlijk ben, weet ik niet of het echt wel klopt. Het is eigenlijk best modern allemaal, en het is niet erg eerbiedig. Maar hun blijdschap spreekt wel aan. Bij ons is dat veel minder. Bij het Avondmaal bijvoorbeeld lijkt er soms meer droefheid dan blijdschap.
Er is algemene blijdschap en er is geestelijke blijdschap. Er is algemene blijdschap als er een prinsesje geboren is of op de dag van diploma uitreiking op school. Zulke blijdschap mag er zeker zijn.
Er is ook blijdschap die niet goed is. Misschien moeten we meer van 'lol' spreken. Bijvoorbeeld als men vermaak heeft in zondige dingen. Dat is slecht voor Gods Aangezicht. Deze blijdschap der wereld moeten we maar niet zoeken. Die zal voor eeuwig vergaan. Niet alle blijdschap is uit de Heere. De ware blijdschap is tot eer van de Heere en is een voorsmaak van de blijdschap die eeuwig het deel zal zijn van Gods kinderen.
Vreugde en ernst
Onze catechismus spreekt in zondag 33 over een hartelijke vreugde in God door Christus. Dat is de echte geestelijke blijdschap. Deze vreugde kennen de ware gelovigen. De catechismus verbindt deze vreugde meteen aan "een ernstige lust en liefde om naar de wil Gods in alle goede werken te leven." De blijdschap van Gods kinderen is meteen verbonden met ernst. Want die blijdschap is op de hoge en heilige God gericht en is verbonden met het houden van Zijn geboden.
De ware bekering en het ware geloof horen absoluut bij elkaar. In de ware bekering leren we onszelf verfoeien en mishagen voor Gods aangezicht en worden we vijand van alle zonden. We leren de zonde kennen als God onterend en verwoestend voor onze ziel. De zonde is het grootste kwaad; daarvan moeten we verlost worden. Dat wordt onze grote nood. We leren dan onze eigen verdorven aard hoe langer hoe meer kennen. Door en door zondig; dat is nu juist zo erg. Dat geeft een hartelijke droefheid over de zonde naar God en brengt een diepe verootmoediging met zich mee. Dan komt er ook de strijd tegen de drie hoofdige vijand: de duivel, de wereld en ons eigen vlees. Ons vlees, dat is ons natuurlijk bestaan, onderwerpt zich niet aan de wet van God. Deze werkelijkheid geeft droefheid en strijd in het leven van degene die echt de Heere leren kennen.
Overigens ligt er in de echte droefheid over de zonde meer zoetheid dan in alle vermaak van de wereld. Daar weet iemand in wiens hart de Heere pas is begonnen te werken al wel iets van. Als je ongelukkig over de aarde gaat omdat je God kwijt
bent en je veel droefheid hebt naar God over je zonden, dan zou je dat toch niet willen missen. Ook niet voor de genietingen der zonde en van een oppervlakkige godsdienstigheid.
Dat is dus geen modern aandoende blijdschap van mensen die misschien makkelijk zeggen te geloven en dat hun zonden vergeven zijn. Maar als je op hun leven let, merk je niet veel van de ware bekering; van de afkering van alle zonden omdat die hun van harte leed zijn. Jij schrijft: 'Als ik eerlijk ben, weet ik niet of het echt wel klopt. Het is eigenlijk best modern allemaal, en het is niet erg eerbiedig." Als dat zo is, klopt er iets niet. Klopt het fundamenteel niet. Dat voel je goed aan. De ernst der bekering, de nood van het hart dat een vuile bron van wanbedrijven is, zal het leven der oprechte bekering stempelen.
Als de Heere in ons hart gaat werken, leren we ons hart kennen. En dat hart is niet altijd oprecht en eenduidig op de Heere gericht. We leren tot onze schrik dat we een arglistig hart hebben. Daarom vragen we vaak "doorgrondt U mijn hart o Heere; en brengt U mij toch op de goede weg." Dat is heel anders dan een vlot geloof en een makkelijk getuigen.
Verwondering en ootmoed
Gods kinderen kennen zeker blijdschap. Verwonderd zijn ze vaak dat de Heere naar zo een om wil zien. Een diep gevallen zondaar, een mens die telkens weer de verkeerde kant uit gaat. Dat geeft geen uitbundige blijdschap en uiten van vreugde naar mensen toe. Dat geeft wel verwondering over de goedheid van de Heere en dat geeft ook kleine gedachten van jezelf. Stil vraag je dan vaak aan de Heere: "Zorgt U er toch voor dat door mij Uw Naam niet ontheiligd zal worden, want ik ben tot de zonde elk ogenblik gereed."
Getuigen kan met woorden gebeuren. Het belangrijkste is daarbij dat we getuigen van de waarheid van het Woord. Getuigen doen we vooral met ons leven. Zoals Daniƫl en zijn vrienden. Niet bij de wereld horen; biddend afhankelijk leven in de vreze Gods.
Ware gelovigen kennen zeker ook blijdschap over het feit dat God Zijn Zoon gaf als Zaligmaker voor verloren zondaren. Als ze in hun zielennood van Hem mogen horen, is dat tot hun grote verwondering. Wanneer ze door de werkingen van de Heilige Geest in hun verlorenheid geloofshouvast aan Hem mogen krijgen, geeft dat ruimte en blijdschap. Maar niet in algemeen menselijke zin. Hun blijdschap geeft meteen diepe verootmoediging. Dat de Zoon van God de hemelse heerlijkheid verliet en op deze zondige, en naar Hem zo vijandige wereld als mens wilde komen. Dat is vernederend voor de zondaar. En tegelijk een groot wonder. Want alleen door Hem is er behoudenis. En alleen door Hem is en wordt God verheerlijkt. Bij het Heilig Avondmaal lijkt er soms meer droefheid dan blijdschap, schrijf jij. Laten we er eens over nadenken wat de kern is bij het Heilig Avondmaal. Het gaat over de gedachtenis van het lijden en sterven van de Heere Jezus. We voelen wel aan dat daarin geen reden ligt tot uitbundige blijdschap, maar wel tot diepe verootmoediging, tot beschaamdheid. De oprechte avondmaalganger overdenkt: "dat was nodig tot de verzoening van mijn zonden." Daar wijst het begin van het avondmaalsformulier ook op: "een ieder bedenke zijn zonden en vervloeking..." Dan is er ook diepe verwondering en aanbidding over zoveel liefde door deze Heere en Zaligmaker voor zo'n grote zondaar. En misschien wel een traan op het gezicht.
De blijdschap van Gods kinderen is zo anders dan die van de wereld. Ook zo anders dan de blijdschap van een oppervlakkig geloof. De Heere Jezus wijst er in de gelijkenis van het zaad op dat het tijdgeloof terstond vreugde kent. Maar het is niet de ware, blijvende vreugde. Het brengt ook niet tot de eeuwige vreugde. "Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel, " zingt Psalm 26. En de dichter van Psalm 119 zegt: "Ik verlang naar Uw heil en Uw wet is al mijn vermaking." Meteen vraagt hij: "Laat mijn ziel leven en zij zal U loven." Laten we dat leven maar zoeken. Het is er bij de Heere vandaan. En het zal de eeuwigheid verduren. Daarin wordt God verheerlijkt. Door de werkingen van Zijn Geest. Om Jezus wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 2007
Daniel | 32 Pagina's