Noch koud, noch heet...
Verslag van de Bondsdag 2007
Ondanks de drukte op de wegen, lukt het gelukkig toch voor de meeste dames om op tijd in Veenendaal te zijn. Om precies kwart over tien worden alle aanwezigen hartelijk welkom geheten door de presidente, mevrouw A. Teerds-Gertenbach. Het is vandaag 60 jaar geleden dat het 'Landelijk Verband van Meisjesverenigingen' te Utrecht de eerste landdag organiseerde. Ds. A. Verhagen zei ondermeer in zijn openingswoord: "Ze kunnen zoveel medewerken aan de verzorging der minderbedeelden".
Er is veel veranderd in deze zestig jaar, maar het Woord van God is hetzelfde gebleven. Toen was bekering nodig en dat is nu ook nog nodig. Toen riep de Heere zondaren vanuit de duisternis tot Zijn wonderbaar Licht. Dit wonder wil de Heere nog in ons land werken. De presidente spreekt de wens uit, dat de Heere onze harten op deze dag wil openen voor het Woord dat we mogen horen.
Opening
Ds. C.A. van Dieren bepaalt ons in zijn openingsmeditatie deze morgen bij de woorden uit Galaten 4 vers 26: Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder. Onze afkomst wordt voor een groot gedeelte bepaafd door onze geboorte. Zo heeft de wieg van de meesten van ons gestaan in een plaats waar wij met het Woord van genade in aanraking kwamen. Paulus spreekt in Galaten 4 over een geboorte met verstrekkende gevolgen, namelijk in verband met de eeuwigheid. Hij doet dit aan de hand van de geboorte van twee kinderen: de geboorte uit de vrije, uit Sara, en de geboorte uit de dienstbare, uit Hagar. Omdat Ismaël uit de dienstbare geboren was, is hij dienstbaar gebleven. Maar Izak, die uit de vrije geboren was, stond in de vrijheid van de genade.
Paulus zegt in vers 25: De berg Agar is de berg Sinaï. Dit is berg waarvan de wet is afgekondigd. De hoorders van de wet hebben te maken met drie dingen: de eis van de wet, de vloek van de wet en het oordeel van de wet. Zo was het ook met de dienstbaarheid van Hagar. Deze dienstbaarheid komt overeen met Jeruzalem. Jeruzalem is het centrum, de plaats van het zaad van Izak. Ook daar was men onder de dienstbaarheid van de wet. Dan komt de tegenstelling in vers 26: Maar het Jeruzalem dat boven is. Wat betekent dit woordje boven? De kanttekeningen zeggen hierbij: "Dat is, de Christelijke Kerk en religie, die haar zaligheid zoekt, niet door het eerste verbond der wet, namelijk door de werken der wet, maar door het tweede des Evangelies, namelijk door de verdiensten van Christus met een waar geloof aangenomen; welke haren oorsprong heeft van den hemel, door de krachtige roeping des Heiligen Geestes." Onze vaderen wijzen naar de oorsprong van de Kerk Gods. Een Kerk uit Joden en heidenen. Hier wordt het werk van een drie-enig God gezien. Het welbehagen van de Vader, het werk van Christus en de krachtige roeping van de Heilige Geest.
Wat wordt bedoeld met het Jeruzalem dat boven is? Is dat de uitwendige kerk? Nee, dat zijn degenen die geroepen zijn door de Heilige Geest tot een levend lidmaat. We zijn begonnen met onze geboorte. De eerste geboorte van ons allen is aangrijpend. Volgens ons doopformulier komen we al stervend ter wereld. Kennen we hier iets van? Is dat de zielsworsteling van ons? De tweede geboorte, die is niet tot dienstbaarheid, maar tot de ware vrijheid. Dan ziet de mens zijn dienstbaarheid, maar de Geest brengt hem af van die dienstbaarheid. Wat is dan de vrijmakende kracht van de Middelaar nodig om de gebondenen vrij te maken. Eén woord van Hem en Hij breekt door het geloof de banden. Het geloof, dat afziet van de mens en ziet op de Middelaar.
Wonderlijk is in vers 25 de vergelijking van de Sinaï met het aardse Jeruzalem. Hier bedoelt Paulus de Joden, die nog bezig zijn met de ceremoniën van de wet. In de brief aan de gemeente van Korinthe zegt hij erbij: Tot op deze dag. Het betekent, dat het Jeruzalem boven nog niet vol is. Er moeten er nog toegebracht worden uit Joden en heidenen. Dat we niet zouden rusten, voordat we door de tweede geboorte in de vrijheid van de Kerk zouden zijn ingegaan.
Na de openingsmeditatie wordt de brief, die aan Hare Majesteit koningin Beatrix is verstuurd, door ds. Van Dieren voorgelezen. In aansluiting daarop zingen we staande de coupletten 1, B, en 6 van het Wilhelmus,
Noch koud, noch heet
"Aangrijpende woorden, " zo begint ds. G.J.N. Moens zijn referaat. Woorden die ook óns zoveel te zeggen hebben. Wie spreekt deze woorden? Het zijn de woorden
van Christus, de verhoogde Middelaar. We lezen van Hem in Openbaring 1, dat Hij wandelt in het midden van de zeven gouden kandelaren. Zijn oog is op Zijn kerk, die getekend wordt in deze zeven gemeenten.
Hij weet wat er omgaat in deze gemeenten. Hij weet alles wat omgaat in de kerk des Heeren. Hij is de Kenner der harten - toen, maar nu nog. Hij moet van Laodicéa dingen zeggen, die niet aangenaam in de oren klinken. Het is een scherp woord in Zijn liefde, tot het nut van de Laodicenzen en van ons. Hij zegt het, opdat ze zouden buigen, in de schuld zouden komen, zich zouden verootmoedigen en Zijn onuitsprekelijke ontferming zouden ervaren.
Laodicéa was een welvarende stad. Uiterlijk was er een grote bloei. Het lag in een gebied, waar vaak een aardbeving was. De Laodicenzen waren in staat om na zo'n aardbeving zelf hun huizen, zonder hulp van anderen, weer op te bouwen. In de buurt van de stad waren warmwaterbronnen. Die kwamen soms samen met de riviertjes met koud water en dat water werd dan lauw. Dat was niet lekker om te drinken.
Over deze gemeente valt eigenlijk weinig te zeggen. Er waren geen wantoestanden. Er was geen verkeerde leer. Ze werden niet verdrukt. Ze gingen zomaar rustig door. Er was geen brandende liefde tot de dienst van de Heere Er was ook geen bittere vijandschap, geen koude haat. Ze gingen trouw naar de kerk, namen de plichten waar, ze zouden niet graag een dienst verzuimen. Ze waren niet koud en niet heet. De Heere wat en de wereld wat. Wanneer ze huisbezoek kregen en er gewaarschuwd werd voor de naderende eeuwigheid, voor de wereldgelijkvormigheid, dan stemden ze daarmee in. Wanneer de oordelen kwamen, de aardbevingen, dan schrokken ze even op. Maar er was niet die levende klacht: "Mijn ziele, doorziet gij uw lot, hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? "
Ze waren lauw in het belijden en in het offeren. Lauw over de zonde, want een mens is nu eenmaal niet volmaakt. Lauw onder de prediking. Ze hebben in de kerk gestaan, belijdenis gedaan, maar bleven lauw. Ze zijn tot een huwelijk gekomen, hebben de kinderen laten dopen, maar ze hebben niet geworsteld aan de troon der genade over hun kinderen. Ze zijn lauw als het gaat om de vervulling van de ambten en de vervulling van de lege posten op het zendingsgebied. Lauw als het gaat over de naaste. Wat kunnen ook wij onze buurman gemakkelijk verloren laten gaan. Ze zijn lauw als het gaat over het ouder worden, ja, lauw als ze sterven gaan. Deze lauwheid ziet de Heere in de gemeente van Laodicéa.
Ik raad u...
Wat zegt de Heere van onze gemeente, onze scholen, onze gezinnen, van ons persoonlijk? We komen wel trouw naar de kerk, naar de vereniging. We lezen aan tafel, bidden, danken, sturen de kinderen naar de catechisatie... en meer niet? Wat zegt de Christus, de Amen? Ik zal u uit Mijn mond spuwen.
Wanneer God gaat werken, dan gaat het hart branden. Dan komt er een verlangen om uit te gaan onder het Woord. Dan wordt in de binnenkamer de Heere aangelopen bij dagen en bij nachten. We hebben de Heere dan nodig in alle dingen, ook in de kleine dingen van het leven. Wat is het aangrijpend als het, na ontvangen genade,
zo stil en ingezonken is geworden in ons leven. Als we dor en dodig zijn, ja lauw. Wat gaat er van de Kerk uit? Zien de mensen om ons heen dat wij niet alleen naar de kerk gaan, maar ook iets hebben dat zij missen? Kunnen onze kinderen zien dat we de Heere vrezen?
Weet u in welke tijd we leven? Nederland loopt voorop in de wereld ten aanzien van allerlei zaken, zoals het homohuwelijk We vinden het erg, maar brengt het ons in de binnenkamer? Of wennen we er aan? Lees maar eens wat een Godslastering er klinkt, nu men vanuit de politiek een christelijk geluid laat horen. We zien de Islam ons land binnenkomen; onze kinderen worden meegesleurd
in deze tijd. Waar brengt het ons? Hoe komt dat nu, wat is de oorzaak hiervan? De Heere zegt: Omdat gij rijk en verrijkt zijt geworden.
Ten diepste geloven wij niet dat het zo erg is. We denken dat het nog wel mee zal vallen. De Heere wil echter niet, dat de breuk op het lichtst geheeld zal worden. God gaat al Zijn kinderen overtuigen van zonde, gerechtigheid, en oordeel. Gods kinderen hebben de Geest der uitbranding en des oordeels nodig. De Amen zegt tot onze gemeenten, onze gezinnen, ons persoonlijk: Ik raad u! Dat is een vriendelijke vermaning. Ik raad u, dat gij - om niet, op de markt van vrije genade - van Mij koopt goud. Ze waren immers arm, al wisten ze het niet. Witte klederen - ze zijn immers naakt. Ogenzalf of ogenwater. De kanttekeningen zeggen hierbij: Dat is het rechte verstand van Zijn Woord en de kracht van Zijn Geest, waardoor wij gebracht worden tot kennis van onszelf en van de genade Gods jegens ons.
Het is nodig, ook voor Gods kinderen, om ontdekt, ontledigt en ontgrond te worden. Ik zal maken, dat ze een walg aan zichzelf hebben. Dit is een belofte van het genadeverbond, zodat ze in smart en berouw terugkeren tot hun eerste Liefde, een terugkeer met brandende harten. De Heere laat in het vervolg van Openbaring 3 zien, dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddelozen. Hij zegt: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Het gaat om de gemeenschap met Christus. Die gemeenschap is het beginsel van het eeuwige leven. Haast u, en spoedt u om uws levens wil! De Heere laat de gemeente van Laodicéa nog niet los. Hij zegt tot de zeven gemeenten, ook tot de lauwe Laodicenzen: Die overwint, Ik zal hem geven met mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb. en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon. Dat we dan met brandende harten gaan vragen: "Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest."
Wie jarig is, trakteert...
Zestig jaar, een periode om te gedenken, Om enige aandacht aan te schenken, Want dat is toch nooit verkeerd.
Zo hebben we als bondsbestuur besloten. Om een of ander goed doel te promoten, Want: wie jarig is, trakteert.
Zo klinken de eerste regels van het gedicht, waarin mevrouw A. van Wolfswinkel-Blokland vervolgens vertelt, dat besloten is om € 20.000, - te schenken aan het Deputaatschap Israël. Van dit bedrag zullen vier projecten voor zowel de verspreiding van het Woord als de hulp met de daad aan de allerarmsten in Oekraïne en Israël betaald worden. De heer Van Rijssel, die als zendingswerker onder de Joden in Oekraïne werkzaam is, neemt het bedrag symbolisch in ontvangst. Hij bedankt hartelijk voor dit bedrag en zegt: "Laten we niet vergeten dat het ten diepste God is, Die de harten neigt." Er zijn zoveel noden en zoveel zorgen onder de Messiasbelijdende Joden. Ook in Oekraïne, waar de familie Van Rijssel mag werken. De grootste nood is, dat er daar ook velen zijn die denken: "We zijn rijk en verrijkt." Ook daar moet Gods Woord verkondigd worden met die inhoud, dat de mens op het diepst vernederd wordt en Christus op het hoogst verhoogd, omdat Hij het heeft gedaan. Nadat dhr. Van Rijssel ons nog iets verteld heeft over zijn werk in Oekraïne, sluit hij de morgenvergadering met gebed.
De middagvergadering
Nadat ds. Moens de vele vragen, naar aanleiding van zijn referaat, beantwoordt heeft, is het tijd voor het vraaggesprek met drie oud-bondsbestuursleden: mevrouw Z. Crum-Nieuwland, mevrouw M.C. van Woerden-Verhoef en mevrouw C.A. Kaslander-Goedegebuur. Naar aanleiding van vragen die gesteld worden door mevrouw A. Teerds-Gertenbach horen we veel uit vroegere jaren. Ze vertellen, dat de bestuursverkiezing vroeger op de Bondsdag werd gehouden. De eerste vakantieweek voor onze gehandicapten werd georganiseerd ter ere van het 25-jarig jubileum van de Bond. De vakantieweken voor de ouderen ontstonden zijn uit de gezinskampen. Wat werd er meegeleefd met de christenen ten tijde van de vervolgingen in de voormalige Sovjet-Unie. De verwantenraad - Russische vrouwen, die zich inzetten voor gevangenen en hun achtergebleven familie - werd gesteund.
Ook over de indringende bijeenkomsten die men samenriep, toen abortus provocatus dreigde gelegaliseerd te worden, halen de dames herinneringen op. Het was nood, omdat Nederland zich meer en meer losmaakte van de Heere en Zijn heilzame geboden. Die nood werd gevoeld en doorleefd. Het vraaggesprek eindigt met de woorden, dat de Heere hen de kracht gaf om dit werk te doen. Wat een wonder dat de Heere ondanks ons, zoveel nog geschonken heeft, tot op deze dag toe.
Sluiting
Ds. C.J. Meeuse vertelt ons in zijn afsluitend woord hoe de spanning tussen Jood en Arabier weggenomen kan worden. Haat en hoogmoed gaan samen, maar wanneer God werkt, verootmoedigt Hij, zodat Jood en Arabier gaan samenwerken. Een voorbeeld hiervan is een uitgever, een Arabische christen in Nazareth. Hij geeft - óók voor de Joden - boekjes uit zoals 'Vragen voor zelfonderzoek' van ds. Koelman en 'Vertellingen bij de Bijbel' van ds. C.J. Meeuse. Deze boekjes, in het Hebreeuws en Arabisch, zulfen dus zowel onder Joden a(s onder Arabieren worden verspreid. Acht jaar geleden zongen ze als deputaten de Arabieren toe: "De Palestijn, de Tyriër, de Moren." Dat ook wij daarbij mogen horen. "Deez' en die is daar geboren."
Na het dankwoord van mevrouw Teerds-Gertenbach beëindigt ds. Van Dieren de Bondsdag met gebed. Daarin draagt hij een van de bezoeksters op, die op de Bondsdag een tia kreeg en naar het ziekenhuis moest. Gelukkig mocht deze mevrouw dezelfde dag nog naar huis. Dat we dan toch niet zouden overgaan tot de gewone gang van iedere dag, even opgeschrikt, maar dan weer lauw. Wat zou het groot zijn. wanneer in ieders hart de vraag mocht leven; "Mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 2007
Daniel | 32 Pagina's