VER van HUIS
De lente laat lang op zich wachten dit jaar. De zware geur van peen en uien, die van onze borden opstijgt, staat me nog zeker niet tegen. Als Siebren zijn vlees in stukjes gesneden heeft, legt hij het bestek neer en schuift hij zijn stoel iets naar achteren.
"Het gaat waarschijnlijk toch lukken, " kondigt hij aan. "Wat gaat er lukken? " vraagt mijn vader met volle mond.
"Nou, die stage. Die stage in India." Met glimmende ogen kijkt Siebren mijn vader aan, mijn moeder, mij. "Geweldig toch? "
"Ja, leuk, " mompelt mam zuinig.
"Wat houdt het ook alweer precies in? " informeert pap nadat hij nadrukkelijk een grote hap hutspot heeft doorgeslikt.
"Sociale netwerken van straatkinderen in een buitenwijk van Delhi onderzoeken. Dat betekent dat ik ga kijken met wie en hoe die kinderen contacten onderhouden. Hoe ze daardoor hun hoofd boven water proberen te houden."
"Nou, nou, dat is wel heel wat, " reageert pa. "Klinkt interessant."
"Waar moet je dan wonen? "vraagt mam met een keel waarin de lucht overdwars lijkt te liggen. "Hoe lang ga je en wanneer? "
"Je verstaat die kinderen toch niet? " voeg ik er aan toe. "Reageer alsjeblieft niet zo overspannen, " foetert Siebren. "Het duurt zeker nog driekwart jaar voor ik ga. Die tijd zal ik trouwens hard nodig hebben om praktische voorbereidingen te treffen en een onderzoeksopzet op te stellen." Met zijn vork graaft hij een kuiltje in de hutspotprak op zijn bord. "Via de organisatie waar ik voor ga werken zal ik proberen woonruimte te vinden. Als ik ga, ga ik voor een half jaar. Ik ben dan trouwens twintig, hoor mam. Al dik twee jaar volwassen. En zusje..." Hij buigt zijn hoofd naar mij. "Ik zal een cursus Hindi volgen, zodat ik wat met die kinderen kan praten. Hindi is namelijk de meest gangbare taal daar." Hij slaat zich op de borst: a/s hij lachend maar niet zonder enige triomf zegt: "Jullie horen zeker wel dat deze jongen zijn zaakjes goed overdacht heeft."
De frons tussen mijn moeders wenkbrauwen zie ik dieper worden. Haar blik versombert. "Enne, " begint ze aarzelend. "De zondag. Hoe ga je de zondag doorbrengen? En de vrijdagavond en de zaterdagavond? "
Ik weet dat ze gebeden én gehoopt én tegen beter weten in misschien zelfs wel verwacht heeft dat Siebren bij een eventuele buitenlandstage rekening zou houden met... ja, met God. Dat hij een plekje zou proberen te kiezen met een kerk, dat hij zou proberen bij christelijke mensen te verblijven. Nu dat niet het geval is, hoopt ze waarschijnlijk dat hij in ieder geval een goed boek mee zal nemen, een preken-cd, zijn Bijbel. Traag schept Siebren de juslepel vol en beweegt hem tot boven het kuiltje. Daar keert hij hem om. De jus spat omlaag, tegen de opstaande hutspotrandjes, tegen zijn shirt. "Mam, pap." Hij schraapt zijn keel. "De zondag... Ik bedoel... Jullie snappen toch wel wat voor een geweldige kans ik krijg? " Mijn ouders knikken woordeloos. "Begrijpen jullie dan nog steeds niet dat die dingen, al die dingen die met God en de Bijbel te maken hebben, voor mij... nou ja, voor mij... geen waarde meer hebben." Zijn woorden kletteren tegen onze oren en blijven tussen ons in hangen. Dof en dreigend. Zei hij dat echt? "Geen waarde meer." Mijn ouders staren hem aan, hun monden een beetje open. "God en de Bijbel hebben geen waarde meer voor hem." Hun blikken absorberen hem, alsof ze de opdracht hebben hem uit te tekenen.
Heeft Siebren dan iets nieuws gezegd? Hebben al de gesprekken die mijn ouders met hem gevoerd hebben, dan niet duidelijk gemaakt wat er in hem leeft? En al die eindeloos lange discussies, waarin hij zich negatief uitliet over dat wat met 'geloven' te maken heeft?
Maar toch lijken zijn woorden van daarnet alles zo absoluut te maken. Ze vormen een bezegeling van wat we enerzijds wel wisten, maar aan de andere kant niet voor mogelijk durfden houden.
In mijn moeders ogen zie ik de verbazing verdwijnen en plaats maken voor de pijn van het begrijpen. Onthutst pakt ze zijn hand.
"Siebren, " fluistert ze. "Siebren toch."
Boven op mijn kamer komen allerlei herinneringen boven aan momenten waarop het nog zo anders was. Tijdens onze basisschooltijd las mijn moeder tussen de middag altijd voor uit de kinderbijbel. Siebren zat links van haar. Ik rechts. Allebei met ons hoofd tegen haar arm geleund. Ademloos luisterend, net als op zondagmiddag als mijn vader een verhaal uit de kerkgeschiedenis las. Siebren stelde vaak spitse vragen. Echte doordenkertjes. Dat deed hij ook tijdens zijn eerste jaren op catechisatie. "Jouw zoon is zeer betrokken, " zei ooit een ouderling tegen mijn vader. Ik keek tegen hem op, beschouwde hem als mijn grote broer, ook al scheelden we maar anderhalf jaar.
Vanaf zijn vroege basisschooljaren wilde hij zendeling worden. In een zompig regenwoud zou hij zich met behulp van bijl en mes een weg banen tussen de door lianen omklemde bomen. Verstikkende hitte en gevaar van loerende luipaarden en sissende slangen zou hij trotseren om een primitieve, heidense stam te kunnen vertellen over het werk van de Heere Jezus. "Dat is zo belangrijk dat iedereen het moet horen, " lichtte hij zijn verlangen vaak toe.
Tijdens een zomervakantie op Texel namen deze plannen reëlere vormen aan. Siebren was toen dertien. Ik net twaalf, 's Middags na het eten wilden onze ouders vaak even rustig lezen. Wij gingen dan fietsen over de schelpenpaadjes die als zilverdraad over het eiland liepen. En dan begon het filosoferen van Siebren over zijn toekomstige taak als ambassadeur van het Woord in de sloppenwijken van een Afrikaanse of Zuid-Amerikaanse megastad. Of misschien zou hij wel les gaan geven aan een bijbelschool, putten graven of een irrigatiesysteem aanleggen in Azië. Het leek hem een goed idee mij mee te nemen. We konden het tenslotte samen altijd prima vinden. In gedachten zag hij mij als verpleegkundige bezig op een ziekenzaaltje. Of kon ik misschien beter de Bijbel vertalen in één of andere stamtaal? En dat bedacht hij allemaal omdat het Woord het, in zijn beleving, zo waard was om doorgegeven te worden. Zo heb ik dat tenminste tot nu toe altijd gezien. Terecht? Of kwam zijn zendingsdrang voort uit verlangen naar avontuur? Maar al die onderwerpen dan, die we toen zo uitgebreid bespraken? Zo hadden we het over zijn godsdienstlessen in de brugklas, over muziek, geldbesteding, maar ook
over bijbelgedeelten die we tijdens de vakantie lazen, over 'hoe je een kind van God kon worden'.
Halverwege één van die fietstochten minderde hij vaart. Zijn ogen speurden het pad af. Ineens bleef hij staan, legde zijn fiets aan de kant en hurkte neer. "Kijk, "zei hij, toen hij iets opraapte. "Een veer. Een duivenveer, denk ik." Hij hield de veer omhoog, zodat ik hem goed kon zien. Aan de onderkant van een soort buisje zag ik lichtgrijs dons. Verder naar boven ging het aan weerszijden over in donkerder grijze baarden."De baarden en het buisje vormen samen de slagpen, " legde Siebren uit. "Die gebruikt de duif om te vliegen." Hij stak de veer achter zijn oor, pakte zijn fiets en beduidde mij, net als hij, met de fiets aan de hand te lopen omdat het pad zo steil was. De zon brandde op onze wangen. Gecombineerd met de enorme inspanning leverde dat Siebren een aardige blos op en als ik me niet vergiste, mij ook. Toen we onze fietsen het duin opgezeuld hadden, bleven we even staan om uit te puffen. Hier hoog op het duin voelden we de zeewind zacht langs onze verhitte wangen strijken. We hielden onze handen als een verrekijker tegen onze ogen en tuurden over het droge helmgras, via het uitgestrekte wad naar de zee. Een meeuw vloog krijsend de azuurblauwe lucht in. "Mooi hè, " hoorde ik mezelf zwijmelen. Een moment
om te omarmen.
Siebren haalde de duivenveer achter zijn oor vandaan en streek ermee langs zijn gezicht.
"Weet je, " zei hij achteloos."Bewaar jij hem maar bij al je verzamelspulletjes van dit eiland." Ik knikte.
"Die veer kan ons helpen terugdenken aan alles wat we hier op de fiets besproken hebben."
Ik nam hem uit zijn hand en zou hem bewaren bij mijn schelpen, takjes, gedroogde zeekraal en tijm.
Inmiddels zit ik al een half uur hier op mijn kamer te staren naar bladzijde tien van een dikke Engelse roman. Mijn ogen kunnen de letters niet vasthouden. Dit heeft geen zin zo. Ik schuif het boek naar de hoek van het bureau en ga even op bed liggen. Lekker uitgestrekt, mijn armen gevouwen onder mijn hoofd, ogen dicht. Vanuit de aangrenzende slaapkamer bereiken de stemmen van mijn ouders en Siebren mij. Hoewel ik hun gesprek niet woordelijk kan volgen, begrijp ik wel dat het blijft cirkelen rond Siebrens bekentenis aan tafel. Zijn woorden stromen eruit. Luid en zelfbewust. Is dit echt Siebren? "Niet meer naar de kerk, " vang ik op. "Ik ben al negentien." Mijn vaders anders zo rustige stem hapert en trilt. Mam klinkt opgejaagd. Radeloos probeert ze hem te overtuigen. De argumenten vliegen weer eens door de kamer. Uit ervaring weet ik dat ze hun uitwerking missen. Dat discussiëren met hem over deze dingen voelt als het beklimmen van een bewierde rots. Hoor ik haar nu huilen?
God en de Bijbel hebben geen waarde meer voor hem. Hoe kon het zover komen? Wanneer is de verandering begonnen? Wanneer merkte ik het voor het eerst?
Was het toen ik hem tegen Maarten, vanaf hun kleutertijd zijn beste vriend, hoorde zeggen dat hij weer niet mee ging naar de club? Nee, deze keer niet omdat zijn huiswerk nog niet af was. Hij had gewoon andere plannen. Wélke plannen vertelde hij niet tegen Maarten, maar ik vermoedde dat hij weer stiekem de disco en/of een bar zou bezoeken, samen met een stel nieuwe vrienden. Jongens die hij, stapje voor stapje, de plaats van Maarten liet innemen.
Of begreep ik het jaar ervoor al dat er iets in hem aan het veranderen was? Op een lauwige zomeravond stonden we, in de poort achter ons huis, met een groepje jongeren wat te kletsen. Onze buurjongen had op school gehoord dat er christenen zijn, die echt geloven dat de aarde geschape of dat voor Siebren en mij ook gold. Met de handen in de zij, benen een stukje uit elkaar, stond hij voor ons. In zijn blik las ik iets wat het midden hield tussen uitdaging en verachting. Eerst putte ik mij uit in het lanceren van argumenten vóór de schepping en argumenten tégen de evolutietheorie. Op een gegeven moment schaamde ik me eigenlijk voor mezelf en ik bekende dat al die argumenten er ten diepste niet toe deden, maar dat ik onvoorwaardelijk geloofde dat de aarde in zes dagen geschapen was. Het stond namelijk in Gods Woord. Gekuch en gemompel in de groep. Een straaltje vocht gleed prikkend langs mijn rug omlaag. Vanuit mijn ooghoeken keek ik naar Siebren. Al die tijd had hij naar de stoeptegels gekeken. Zwijgend. Was dit Siebren? Was dit mijn broer met wie ik in het verleden zo veel geboomd had? Ik sta op van mijn bed, trek het dekbed recht en verzet een paar plantjes in de vensterbank. In de periode dat Siebren niet meer zo trouw naar de club ging, begon ook zijn kritiek op de preek. De woor-
den vond hij vaak te moeilijk, de zinnen te ingewikkeld, de inhoud eenzijdig. Bovendien had de dominee een wat barse stem en aan de geluidsinstallatie viel ook het één en ander te verbeteren. Regelmatig en met wisselend 'succes' probeerde hij mijn ouders ervan te overtuigen dat hij gekweld werd door ernstige hoofdpijn, waardoor meegaan naar de kerk onmogelijk was. Onder tranen vertelde mam mij op een gegeven moment dat ze, bij het stoffen van zijn kamer, merkte dat zijn Bij-
bel en dagboek onaangeroerd in een laatje lagen. Ik ga weer op mijn bureaustoel zitten, terwijl ik het Engelse boek open sla. Er kruipt een koude rilling over
mijn lichaam. Het besef dat mijn broer steeds verder van me af gaat, de verkeerde kant op, hangt als een klamme
deken om mijn schouders. Ongemerkt richt mijn blik zich omhoog, als ik vraag of God een oplossing wil geven, of hij mij wil bekeren en ook mijn broer. "Ja Heere, bekeer ook mijn broer, , ."
Het is druk en warm in de vertrekhal, als ik samen met mijn ouders toekijk hoe Siebren de letters van zijn naam aantikt op een touch screen. Nadat hij zijn paspoort ingevoerd heeft in de incheckautomaat en de geprinte instapkaart eruit genomen heeft, draait hij zich naar ons. "Kijk, " zegt hij. "Met deze kaart kan ik straks naar de gate." Zijn blik glijdt naar zijn horloge. "Het wordt zo langzamerhand tijd om door de douane te gaan, " concludeert hij. Tijd om afscheid te nemen dus. Mijn vader legt zijn handen op Siebrens schouders. "Het ga je goed, jongen. Laat je gauw wat van je horen? "
Mam wrijft haar handen over elkaar, steekt ze dan in de zakken van haar vest en trekt het vest strak om zich heen. De zachtroze tricotstof spant zich om haar bezorgde rug. Innig, maar met weinig woorden neemt ze afscheid. Alles wat er te zeggen valt, is immers thuis al gezegd. Toch? Wat kunnen we nog meer doen om hem te bereiken? Met die vraag in mijn hoofd, sla ik mijn armen om Siebrens nek. Hoewel de band tussen ons de laatste jaren enigszins gerafeld is, voel ik nu wel dat ik afscheid sta te nemen van mijn bloedeigen broer. "Dag Sieb, " fluister ik. "Het aller-allerbeste daar in India. Enne... onder in je koffer heb ik iets lekkers verstopt." Hij lacht breeduit. Achter zijn nek vouw ik mijn handen. In gedachten zie ik hem de goudkleurige papiertjes, waarin chocolaatjes verpakt zijn, lospeuteren. En dan vindt hij de duivenveer, die ik er tussen geschoven heb.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 2007
Daniel | 52 Pagina's