Het zaad bij de weg
En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij de weg; en de vogels kwamen en aten datzeive op (Mattheüs 13:4).
Het goede zaad wordt door de gezonden zaaier gezaaid. Werpt hij dit goede zaad zomaar lukraak om zich heen? Nee, hij strooit het in de akker. Wanneer hij echter zijn werk doet aan de rand van de akker, valt een deel van het zaad buiten deze akker op de weg. Op het voetpad waar mens en lastdier door de akker voorbijgaan. Eigenlijk hoort deze weg ook tot de akker, maar de voorbijgangers hebben de aarde zo vast aangetrapt dat deze hard en ondoordringbaar is geworden. Het zaad blijft erop liggen en, zo zegt de Heere Jezus, direct komen de vogels en pikken het zaad op. Het kan niet in de aarde zinken. Het krijgt geen tijd om nut te doen en te ontkiemen. Alle hoorders begrijpen het; men ziet het als het ware voor zich. Nee, van de weg heeft nog nooit iemand vruchten gemaaid. In de uitleg zegt Jezus dat het iemand is die het Woord des Koninkrijks hoort en niet verstaat, zo komt de boze en rukt weg hetgeen in zijn hart gezaaid was (Mattheüs 13:19).
In de eerste plaats gaat het dus over mensen die het Woord horen. Het gaat niet over de wereld, niet over het voetbalveld of over de disco, maar over diegenen die onder het Woord zitten, zoals de schare in Jezus dagen. In hun en ons hart wordt het goede zaad met grote getrouwheid gezaaid. Telkens weer. De verhindering ligt dus in dat hart en niet in het zaad. Er is voor God en Zijn Woord geen ingang. Eigenlijk behoorde dit gedeelte tot de akker en was ook vruchtbaar, maar het is totaal ongeschikt geworden. Zo is ons hart van nature door de zondeval geworden. In het Paradijs was ons hart even vruchtbaar als heel de schepping. Het Woord van God droeg vrucht van volmaakte gehoorzaamheid. De zonde heeft het echter afgestompt en totaal ongeschikt voor enig geestelijk goed gemaakt. Maar die verharding is een voortgaand proces. Hoe langer een mens onder het Woord verkeert, des te ongevoeliger hij wordt. Daarom roept Gods Woord ons telkens op om de Heere in de jonge dagen te zoeken eer dat de kwade dagen komen (Prediker 12:1). Wie worden hier bedoeld? Allereerst de brute goddelozen, zoals Achab en Farao, maar ook de godsdienstige mensen, zoals de Farizeeën, ook de huichelaars, zoals Ananias, en wij, die onder het Woord bewust of onbewust met allerlei zaken onze gedachten bezighouden. Weet je wanneer dit zaad van het Woord ook nutteloos wordt gemaakt? Als we direct nadat we het gehoord hebben gezellig over van alles en nog wat beginnen te praten. Weg is het zaad...
Horen, zegt de Heere Jezus, maar niet verstaan. Het dringt niet door. Noch de ernst en bedreiging waarmee het Woord de onbekeerde aanspreekt en het ontzaggelijke van zijn onverzoende dood. Noch de liefelijkheid waarmee de Heere ons opwekt tot bekering en om Hem te zoeken en Hij beloofd Zich te laten vinden door allen die Hem in waarheid en oprechtheid zoeken. Dit niet verstaan van het Woord is hier vanzelfsprekend geen verontschuldiging, maar schuld. Het wijst ons geestelijk onvermogen door de zondeval aan en de afkeer die daar uit voortkomt.
De Heere Jezus legt eerst de schuld bij de hoorder en daarna bij de satan. Wij verschuilen ons zo makkelijk achter de duivel, Adam of wie ook. Maar de duivel, hoe boos en vijandig ook, is niet de eerste oorzaak. De duivel wordt echter zo wel gelegenheid gegeven om zijn werk te doen. Het gaat zo makkelijk, zo van zelf. Hij is mijn bondgenoot geworden die alles in het werk stelt om het Woord krachteloos en nutteloos te maken. Net als de vogels laat hij de tijd niet voorbij gaan. Hij werpt allerlei gedachten in. Hetzij tegen God of over anderen. Hij stelt ons het aantrekkelijke van de wereld voor. Hij discussieert met ons over het Woord, zoals hij dat al met Eva in het Paradijs deed (Genesis 3:1). Zo is hij altijd actief en laat geen ogenblik tijd verloren gaan. Hij rukt het weg, zegt de Schrift. Hierin komt al zijn vijandschap openbaar. Hij heeft het doel om al het werk van God tegen te staan en uit te roeien.
ds. C.A. van Dieren
Vragen
1. Wat bedoelt Jesaja (53:1) met: A/ie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard?
2. Wat is ons boven alles nodig om het Woord te kunnen horen en verstaan?
3. Hoe kunnen wij de listen van satan weerstaan?
4. Waarin is de duivel wijzer dan wij?
5. Misschien zeg je wel: Als het er zo voorstaat, kun je het Woord maar beter nooit gehoord hebben. Is dat waar?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2006
Daniel | 31 Pagina's