Ruilhandel van Juda
Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? [...] Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God? (Micha 6:61 en 8)
God begeeft Zich met Juda in het gericht. Hun zonden worden hun voor ogen gesteld. De Heere vraagt hun: Wat heb Ik u gedaan? (vers 3). Nu horen we hier het antwoord van Israël. Hun tegenvraag is: Waarmede zal ik de Heere tegenkomen en mij buigen voor de hoge God? Het lijkt op het eerste gezicht een pracht antwoord op Gods beschuldiging. Het lijkt de vraag van een schuldverslagen hart. dat met de Pinksterlingen roept: Wat zullen we doen, mannen broeders?
Maar het is hier in werkelijkheid niet zo. Israël wil er een handeltje van maken. Zij zeggen: Heere, zeg maar wat u hebben moet. Duizenden rammen, of tienduizenden van de geurigste kruiken olie (vers 7); of als het niet met beesten af kan, zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel? Israël heeft er alles voor over om God weer mild jegens hen te stemmen. De Heere moet maar zeggen wat Hij hebben wil om het weer goed te doen zijn. Maar om genade bidt Israël niet. Het offer van een verbroken hart en een verslagen geest geeft het God niet. Bedroefd en beschaamd zijn ze ook niet. Zij willen met Jahwe doen als met de afgoden. Deze afgoden stemde men mild door een veelheid van offers. Men kocht
hun gunst. Zo wil Israël met hun God doen. Zij durven zelfs te spreken van mensenoffer, hetwelk de Heere verfoeit. Het lijkt mooi, maar het is een afschuwelijk en heidens voorstel. Israël wil zijn zonde afkopen. Dat leeft ook in ons hart. Wij zou-
den God alles willen geven: rammen, oliebeken en eerstgeborenen. Maar één ding willen we de Heere persé niet geven. We willen Hem ons hart niet geven. Wel offers brengen, maar niet met de zonde breken. Wel alles doen, maar niet uit genade ons laten zaligen. Luther zei: "Wij dragen allen een paap in ons hart." Wij zoeken God tevreden te stellen met rammen en oliebeken. Maar we verachten het
We willen Hem ons hart niet geven. offer Gods, gegeven in de Heere Jezus Christus. Nee, het is helemaal niet zo mooi wat Israël hier voorstelt. De ondergrond is vijandschap en ondanks alles toch willen vasthouden aan zijn zonden. Ook leren we er uit hoever de ware Godskennis onder Israël in Micha's dagen verdwenen was. Zij stelden God op één lijn met de afgoden. Wat is ook ons Godsbegrip door de zonde vertroebeld De Heere gaat niet in op het voorstel van Israël. Zwijgend gaat de Heere aan al hun offers voorbij. Israël denkt: Het moet iets bijzonders zijn. Hoe meer het van het hart gescheurd wordt, hoe meer het pijn doet om het los te laten, des te aangenamer zal het God zijn. Zo komen ze tot het afschuwelijke voorstel van het kinderoffer. En ondertussen houden zij hun geliefkoosde zonden vast. In de grond van de zaak willen zij hun leven buiten God voortzetten.
De profeet moet in Gods Naam Israël zeggen wat de Heere dan wel eist. De boodschap luidt dan: Hij heeft u bekend gemaakt, o mens, wat goed is, en wat eist de Heere van u dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God? We beluisteren er de waarachtige bekering des mensen in. Deze toch bestaat in drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Als Israël goed naar dit antwoord Gods luistert, zullen ze uit dit woord hun ellende leren kennen. Zij zullen zien dat zij nooit recht hebben gedaan tegenover God en hun naaste. Zij zouden in dit antwoord hun verlossing vinden. Weldadigheid liefhebben is hier niet alleen weldoen aan de naaste, maar vooral Gods weldadigheid liefhebben. De redding in Christus omhelzen. Verder zouden zij er de rechte dankbaarheid uit leren, die bestaat in ootmoedig met God te wandelen. Misschien zeg je: maar dit is toch geen antwoord op Israëls vraag? En toch is dit wel een antwoord voor Israël. God leert hun hier, dat de verzoening niet Israëls werk is. Niet uit de mens is de verzoening. Daar kan Israël niet voor zorgen en daar hoeft Israël niet voor te zorgen. Daar heeft God voor gezorgd. Hij heeft Zichzelf een Lam ten brandoffer voorzien. Een zoenoffer kunnen wij nooit brengen. Dat eist God ook niet. God eist: recht te doen, weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God. Dit slaat al onze zoenoffers uit handen. Daar moeten we inleven niets te bezitten tot lossing onzer ziel. Daar wil God het wonder ook ontdekken, dat Hij Zelf voor de verzoening gezorgd heeft. Een verzoening zo volmaakt, dat ons daar tegenover maar één gestalte past, de gestalte van de tollenaar: O God, wees mij zondaar genadig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 augustus 2006
Daniel | 35 Pagina's