Crisis in de studie
Als achttienjarige stapte hij, behoorlijk beschermd opgevoed en met het vwodiploma van het Van Lodenstein op zak, de universiteit van Utrecht binnen om biologie te gaan studeren. Daar bleek de evolutietheorie niet zo makkelijk onder tafel te vegen als hij had gedacht. Bijna direct merkte hij in een discussie over het begin van het leven dat hij eigenlijk maar weinig tegenargumenten tot zijn beschikking had. H.J. van der Poel, diaken in Zeist en sectordirecteur havo en vwo op hetzelfde Van Lodensteincollege te Amersfoort, vertelt over de twijfels in zijn studententijd.
"Ik begon tamelijk blanco aan de studie biologie, al zag ik wel aankomen dat de studie qua identiteit best zwaar zou zijn. Het was echter nog veel zwaarder." Van der Poel doelt op de confrontatie met de evolutietheorie, waar de biologische wetenschap op gestoeld is.
Wordt er op de universiteit eigenlijk nog gediscussieerd over de evolutietheorie? Of is deze een axioma waar niet over te praten valt?
"In de colleges is evolutie een vaststaand principe. In de gedragsleer bijvoorbeeld, iets wat ik op de middelbare school nauwelijks had gekregen, probeert men het gedrag van mens en dier helemaal vanuit de evolutie te verklaren. Dat lukt zelfs bij een lastig verschijnsel als een bijenvolk. De evolutie gaat ervan uit dat elk wezen een struggle for life voert en daarin egoïstisch is. Onder de bijen zijn alle werksters echter in dienst van hun 'zus', de koningin.
Ik herinner mij nog heel goed dat de docent er een heel college over gedaan had om dat onbaatzuchtige gedrag van die bijen in overeenstemming te brengen met de evolutie en hij eindigde met de zin: 'Hiermee is de evolutietheorie toch waar, ook voor altruïsme, onbaatzuchtigheid.' Zelf bracht ik het ontstaan van de materie en van het leven wel ter sprake onder medestudenten, maar die waren allen van niet-reformatorische huize. Ik had wel goede contacten met hen, maar zij begrepen niet waar ik mee worstelde."
Voor een refo-jongere kan de evolutieleer juist zo ongeloofwaardig lijken.
"Al op de basisschool krijgt een aantal leerlingen door lollige plaatjes het idee dat de evolutieleer een belachelijk verhaal is. Dat moeten we uit ons hoofd zetten. We moeten immers ook eerlijk omgaan met wat de wetenschappers bedoelen.
Het opnieuw uitgegeven boek van Darwin, Over het ontstaan van soorten, vind ik nog steeds mooi. Darwin kon goed waarnemen en heel objectief analyseren. Daaruit heeft hij een heel goede theorie ontworpen. Zijn vinken-en duivenonderzoek past binnen de scheppingsleer: als je twee dieren kruist, wint uiteindelijk de meest aangepaste. Deze voorzichtige conclusies op het terrein van de micro-evolutie staan onder ons dan ook niet ter discussie.
Zijn navolgers hebben die gegevens echter zover doorgetrokken dat ze voor alle levende wezens gelden. Dat kunnen ze niet waarmaken, maar in de tijd na de Verlichting zocht men verklaringen zonder God en daarin kon Darwin op basis van zijn waarnemingen voor een groot deel voorzien. Ik zeg altijd tegen leerlingen: 'Als je God niet nodig hebt, is het een goede theorie'."
U kwam als student in een crisis. Waarin bestond die? "Ik vond de schepping steeds moeilijker te geloven, omdat die strijdt tegen de wetenschappelijke verklaarbaarheid die me in mijn studie werd voorgehouden. Ik heb wel altijd verdedigd dat God de aarde in zes dagen geschapen heeft, omdat ik dit zo geleerd had, maar dat kwam niet uit mijn innerlijk. Daardoor kwam ik in een crisis. Omdat ik geen lid van een studentenvereniging was en ook thuis deze problemen nooit zo heb kunnen delen, heb ik er niet met veel mensen over kunnen praten. Daardoor speelde dat conflict zich vooral innerlijk af.
In mijn leven is het zo gelopen dat ik, na vier jaar gestudeerd te hebben, les ben gaan geven op het Van Lodenstein. Maar mijn vragen waren niet opgelost. Aan de discussies met vooral één collega heb ik echter veel gehad. Hij kende die worsteling ook en zijn vertrouwen dat het waar is wat in de Bijbel staat, heeft mij wat tot rust gebracht. Je moet de Bijbel 'voor waar aannemen' in plaats van eerst vaststellen dat zij waar is. Maar het is moeilijk om dat te leren.
Toen ik me later voor de cursus Algemene Natuurwetenschappen in sterrenkunde moest verdiepen, kwamen mijn twijfels weer terug. Het gaat dan over zoveel lichtjaren, dat die de grens van zes-a tienduizend jaar gaan overschrijden."
Romeinen 4:7 7 zegt: Die de dingen die niet zijn, roept alsof ze waren.' Dat betekent toch dat de Heere alles geschapen heeft, inclusief de geschiedenis van lichtjaren terug?
"Dat is een juiste interpretatie van de tekst en de Bijbel heeft genoeg in zich om de dingen om je heen te verklaren. Het probleem is alleen dat een evolutionist zich daardoor niet laat overtuigen. Hij wil een verklaring vinden zonder God.
Ik heb zelf ook in mijn studie geleerd om vragen te stellen. Alleen het geven van antwoorden is lastiger. Ik denk ook dat je die antwoorden niet kunt geven of ze liggen op een ander vlak dan ik zelf gedacht heb, namelijk: Zo zegt de Heere. Als dat machtswoord spreekt, dan is het goed. Dat is een existentiële beleving voor mij geworden, toen ik naar aanleiding van wat ik bij sterrenkunde leerde, weer ging twijfelen. Op een avond las ik in een dagboek de vragen die God aan Job stelt: Kunt gij (...) de wagen met zijn kinderen leiden? Met die wagen wordt wellicht het sterrenbeeld Grote Beer bedoeld. Als de Heere dit tegen je zegt, dan móet je volgen, geloven.
Dat geloof gaat tegen de wetenschappelijke bewijzen in, voor zover dat bewijzen zijn: ze gaan vaak niet verder dan wat we om ons heen zien. De wetenschap is zo hoogmoedig, daar heb je dan geen behoefte meer aan. Dan kunnen de vragen blijven staan, maar ze zijn niet zo urgent meer."
Hebben christenen een antwoord op de evolutietheorie? "Ten diepste zullen wij de antwoorden in de Schrift moeten vinden. Evolutionisten kunnen de bezwaren die het creationisme uit, keurig netjes beantwoorden. Ze zullen bescheiden en beschaafd aantonen dat hun theorie de juiste is. Daarom moet je een heel eind met ze mee gaan om aan te tonen waarom bepaalde conclusies te vergaand kunnen zijn.
Ik weet niet of je de ark van Noach moet gaan zoeken. Ik zeg niet dat dat zinloos is, maar ik heb uit eigen beleving gemerkt, dat het voor jezelf niet nodig zou moeten zijn. De Heere vraagt iets anders, namelijk onvoorwaardelijke overgave. Waarom zou ik zo'n bewijs willen hebben?
Omdat ik dan niet geloof dat de dingen zo zijn zoals God ze beschreven heeft. We moeten leren dat niet de wetenschap god is, maar de Heere.
De twijfel is nog steeds een worsteling voor me. Ik kan niet vasthouden wat de Heere toen tot mij gesproken heeft. Het geloof kan ver weg zijn. Ik weet bijvoorbeeld dat de gedragsleer religie ziet als een verzonnen oplossing voor de spanningen die binnen grote groepen mensen ontstaan. Als de dominee staat te preken, fluistert de duivel meer dan eens: 'Misschien is het allemaal niet waar.'"
Wat raadt u jongeren die studeren aan?
"Twee dingen. Op het horizontale vlak: ga je niet afzonderen en het zelf uitknobbelen, maar bezoek een studentenvereniging en de studiekringen van de Gereformeerde Gemeenten. Leg je vragen daar neer en probeer samen met anderen antwoorden te vinden. Want deze dingen zijn essentieel: ze kunnen je behoorlijk aan het wankelen brengen.
Verticaal gezien moet je je afvragen: geloof ik nu echt wat de Bijbel zegt? Dat kan alleen in gebed en bijbelonderzoek. Ik heb zelf meegemaakt de Heere terugkomt op wat Hij heeft gezegd. Alleen daar heb je houvast aan."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 2006
Daniel | 36 Pagina's