Tijd en eeuwigheid
"Wat is de Heere onuitsprekelijk goed dat we tot nu toe nog genadetijd hebben gekregen. Of die tijd nu vliegt en wij met de tijd daarheen vliegen, óf dat de tijd kruipt en we 's morgens wensen dat het weer avond is. Het is nu nog genadetijd. Maar eenmaal is de tijd voorbij. Dan is het... eeuwigheid."
Aldus de presidente, mevr. A. Teerds-Gertenbach, in haar openingswoord, waarin ze alle aanwezigen een hartelijk welkom toeroept op deze dag van ontmoeting. Ze spreekt er haar blijdschap over uit dat ook dit jaar weer zo velen van heinde en ver naar Veenendaal zijn gekomen.
Opening en meditatie
De voorzitter, ds. C.A. van Dieren, opent de dag met Schriftlezing en gebed. Hij staat stil bij de verzen 27 en 28 uit Psalm 102: Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven, en zij alle zullen als een kleed verouden, Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn. Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden.
"God is het beginloze Begin van ieder begin. Alles op deze wereld heeft een begin en een eind. Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven. Door
59e bondsdag
de verterende kracht van de zonde gaat alles naar een einde. Dit leven is een gestadige dood... De vastheid en troost van de dichter liggen in het beginloze Begin van alle dingen. Bij alle veranderingen is het toch waar: 'Gij evenwel, Gij blijft Dezelfd' o HEER'!' Zijn jaren zullen niet geëindigd worden. Hij is de Onveranderlijke, de Eeuwige in al Zijn besluiten. Ook in het besluit van Zijn verkiezend welbehagen. Hij heeft Zijn Kerk liefgehad met een eeuwige liefde. Christus heeft het eeuwige fundament gelegd voor de zaligheid. God ontfermt Zich over ballingen. Voor hen is het een afgesneden zaak, maar de dichter roept uit: Gij, HEERE, blijft in eeuwigheid. Daar wordt de hoop verlevendigd. Ook voor het late nageslacht. En als de laatste in dat late nageslacht toegebracht zal worden, dan zal het begin van al het tijdelijke eindigen in het eeuwige."
Brief Hare Majesteit Koningin Beatrix
Als blijk van eerbied en aanhankelijkheid aan onze koningin heeft mevr. Teerds een brief aan Hare Majesteit gestuurd. Zij spreekt daarin namens de Bond en alle verenigingen haar zorg uit over de abortus-en euthanasiewetgeving, en spreekt de hartelijke wens uit dat het drievoudige snoer God-Nederland-Oranje bestendigd mag blijven.
Aansluitend zingen wij staande de verzen 1, 2 en 6 van het Wilhelmus
Tijd en Eeuwigheid... door ds. J. Mijnders
Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven. Het is opmerkelijk dat de Prediker niet spreekt over een tijd om te leven. De Heere roept ons op om de korte tijd die wij hier krijgen uit te kopen, want hier hangt ons eeuwig welzijn van af! Wij zijn geschapen voor een nimmer eindigende eeuwigheid! Velen van ons hebben de jeugd achter zich. Wat hebben we met die tijd gedaan? Velen denken dat er nog een tijd komt waarin zij zich meer bezig zullen houden met de dingen van de eeuwigheid. De praktijk is vaak anders. En niets biedt ons de zekerheid dat wij niet plotseling kunnen sterven. Wanneer we een sterfhuis binnengaan, horen we vaak verwonderd zeggen: 'Ik heb hem of haar pas nog ontmoet!' In Rijssen stierven eens drie gemeenteleden op één dag, waaronder een jonge vrouw van 28 jaar. Wij werden geroepen om haar lichaam te identificeren. Vier dagen tevoren had ik haar nog bezocht. Nu werden mij haar ring, haar ketting en haar horloge overhandigd. Ze was op het 'alleronverwachts' uit dit leven weggenomen. Het woordje tijd wijst ons op iets vergankelijks. Eenmaal
zal er geen tijd meer zijn, zie Openbaring 10. Geen tijd meer, dat wil zeggen nóóit meer zalig te kunnen worden. Dan zal alles volvoerd zijn wat in het boek van Gods eeuwig raadsbesluit beschreven staat. Dan heeft God voor eeuwig Zijn doel bereikt en de duivel voor eeuwig zijn doel gemist. Dan is er geen tijd meer om de knieën te buigen en met elkaar te spreken over het ene nodig Onze tijd kenmerkt zich door de opmerking: Ik heb geen tijd... Ik vroeg eens aan enkele oudjes in het bejaardentehuis Maranatha in Rijssen: 'Jullie moeten wel veel tijd over hebben.' Een van hen zei: 'Domi. wij komen allemaal nog tijd tekort' Ja. wat gaat de tijd snel. Twee jaar geleden. 20 april 2004, werd tijdens uw Bondsdag meegedeeld dat mijn geliefde vrouw de tijd met de eeuwigheid had verwisseld en in mocht gaan in de vreugde haars Heeren. Twee jaar... het is maar een zucht. En zo is ons hele leven! Geen tijd meer is geen tijd meer van bekering. Laat de gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden ons tot waarschuwing zijn! De vijf wijze maagden waren gereed. Zij hadden de tijd uitgekocht. De vijf dwaze maagden hadden hun kostelijke genadetijd voorbij laten gaan. Een
ontzettende werkelijkheid! Vóór de deur, maar niet dóór de deur. Paulus mocht zeggen: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Hij wilde zeggen: De tijd van Godswege mij toegeschikt, is mij Christus. Zijn hele bestaan was ingenomen door de Persoon van Christus, de bediening van Christus en de rijkdom van Christus. Zó mocht hij, die zichzelf de naam moest geven van de voornaamste der zondaren, zijn tijd besteden! En dan mag hij erop laten volgen: Het sterven is mij gewin.
Tijd en eeuwigheid. Wat is eeuwigheid? Wij kunnen de volle betekenis en inhoud van het woord eeuwigheid niet afbeelden. Boston zegt in zijn Viervoudige Staat: 'Gij ziet in uw verbeelding een onoverzichtelijke berg zand. Er komt een klein vogeltje dat ééns in de duizend jaren een korreltje daarvan wegneemt; dan zou er tóch een tijd aanbreken dat er niets van die berg overblijft. De eeuwigheid zal echter nooit eindigen. De eeuwen van de eeuwigheid zijn oneindig veel meer dan de droppelen van de oceaan.'
Hoe ernstig spreekt Gods Woord over tweeërlei reizigers naar die eeuwigheid. De rijke man uit de gelijkenis was rijk naar de wereld, maar arm in God. Lazarus was arm naar de wereld, maar rijk in God. De bedelaar stierf en de rijke man stierf ook. De eeuwigheid wordt voor hen werkelijkheid, maar wat een ontzettend verschil. De arme bedelaar ontmoeten wij in de schoot van Abraham. De eeuwige gelukzaligheid is zijn deel. De rijke man ontmoeten wij in de hel, zijnde in de pijn. Beide worden ter aarde besteld. Bij de rijke man gaan zijn aanzien, eer en waardigheid met hem het graf in, en op zijn grafsteen staat vermeld: De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten die vergaan. En op de grafsteen van de arme bedelaar staat vermeld: Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan. Ik herinner me het sterfbed van twee zulke arme bedelaars. De stervenswoorden van mijn geliefde oom waren: 'Jan, nog een
ogenblik, en dan mag ik de kroon werpen voor de voeten van het Lam.' Hij omhelsde me en het laatste wat hij zei was; 'Tot ziens.' Wat ging daar veel van uit! Ik denk ook aan een klein meisje uit Veenendaal. In haar leven kwam naar voren dat zij God vreesde. Toen ik haar de laatste keer ontmoette, vroeg ik haar: 'Als je nu straks gaat sterven, dan moet je toch een nieuw hart-
je hebben? ' Waarop zij antwoordde: 'Dominee, dat héb ik al!' Dat kind kon sterven!
Eeuwigheid...Wat is het een voorrecht als sterven voor ons is een afscheid nemen van de tijd, om over te mogen gaan in de eeuwigheid. Guido de Brés schreef vanuit de gevangenis aan zijn vrouw: 'Ik ben blijde, ja, mijn hart is vrolijk; daar ontbreekt mij niets te midden van mijn droefenissen. Ik ben vervuld met de overvloed der rijkdom van mijn God.' Daarom verwachtte hij die dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus onze Heere!
Ook Gods knecht Job zag uit naar die dag der eeuwigheid, toen hij in geloofsroem uitriep: Want ik weet, mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Dewelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zullen zien, en niet een vreemde, mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
Jobs ziel schreeuwde naar de dadelijke gemeenschap met zijn Verlosser. En dat heimwee kan alleen de eeuwigheid vervullen. Zo was het ook met 'Willem' in Rijssen. Zijn laatste woorden waren: 'Domi, ik heb het
er schandalig afgebracht, maar ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.' En een oude vriend in Barendrecht riep van heimwee uit op zijn sterfbed: 'O. grote Herder der schapen; wanneer komt de tijd dat U dat zwarte schaap tot U zult nemen? '
Maar... Gods Woord toont ons in Mattheüs 25 ook een andere zijde. Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur, hetwelk de duivelen en zijn engelen bereid is. In die plaats zal nooit één druppel water uw tong meer kunnen verkoelen. Boston schrijft: 'Daar is geen aanbieding meer van Christus, geen vergeving van zonden, geen vrede zal daar meer gepredikt worden. De verdoemden zullen daar beroofd zijn van alles wat maar énige vertroosting schenken kan. Het gescheiden zijn van het godzalige gezelschap, wat zij hier in de tijd veracht hebben, zal hun verdoemenis des te zwaarder maken.'
Eeuwige gelukzaligheid - eeuwige rampzaligheid. De grote vraag voor ons allen is of ook voor ons persoonlijk van toepassing zal zijn wat Paulus schrijft in Romeinen 8: Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons heeft lief gehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.
Middagvergadering
De bondsbestuursleden mevr. A.C. Blijleven-de Niet, mevr. C. Crum-Dooge en mevr. G.J. Kamp-Kreykes dragen enkele gedichten voor van John Bunyan getiteld: 'Samenspraak tussen de dood en een zondaar', en 'Samenspraak tussen de dood en Gods kind'. De gedichten worden afgewisseld met samenzang.
In verband met ziekte kan de heer J. de Jager, die
een referaat voor ons zou houden, helaas zelf niet in ons midden zijn. Ds. F. Mulder heeft op zich genomen zijn lezing over het thema Tijd en eeuwigheid, toegelicht uit de Christen-en Christinnereis van J. Bunyan voor te lezen.
"Een oud Latijns spreekwoord luidt: De wereld wil bedrogen zijn, dus worde zij bedrogen... Dit geldt niet alleen van de wereld, maar ook van hen die onder het Woord leven. De bekende John Bunyan leeft zich in zijn jeugd, ondanks alle roepstemmen en ernstige consciëntieovertuigingen
uic in de zonde, totdat een stem in zijn ziel klinkt: 'Wilt gij uw zonden nalaten en naar de hemel gaan? Of wilt u uw zonden houden en naar de hel gaan? ' In wanhoop meent hij dat genade voor hem niet meer mogelijk is. Daarom besluit hij de maat van de zonden vol te maken. Na zijn bekering heeft Bunyan zijn medepelgrims voortdurend gewaarschuwd voor allerlei listen die de realiteit van de komende eeuwigheid willen verbloemen. Hij heeft hen een prikkel gegeven om voort te gaan op het smalle pad.
In de Christinnereis komt bijvoorbeeld Christinne met haar kinderen in het huis van Uitlegger. Ze zien daar een man met een mesthark. Hij kijkt voortdurend naar beneden en harkt strootjes, stokjes en stof bijeen. Boven zijn hoofd is een figuur die hem een gouden kroon aanbiedt, maar hij heeft er geen aandacht voor. De vleselijke mens is zo druk met de dingen van deze aarde, dat het hart geheel van God wordt afgetrokken! Christen en Hopende worden in de Christenreis op hun weg naar de hemelstad uitgelachen door Atheïst, omdat zij zoeken naar een plaats die volgens hem niet bestaat. Maar Hopende wijst op de Liefelijke Bergen, waar zij door de verrekijker van het geloof de poorten van de Hemelstad hebben gezien.
Bunyan heeft in zijn Christenreis vooral gewezen op het bedrog van de schijnpelgrims. Hij spreekt over een zeker Tijdgelovige, over ene Zelf-hulp. en over Onkunde. Onkunde meent dat het goed is tussen God en zijn ziel. Hij heeft alles verlaten om God te dienen, en nu heeft hij hoop op de hemel. Zijn zekerheid ligt helaas in zijn gevoel, en niet in het Woord van God. Hij leeft uit een conclusie-geloof. Het einde van deze man is aangrijpend.
Bij de doodsrivier laat hij zich overvaren door IJdele Hoop. Hij beklimt alleen de laatste heuvel en komt alleen, zonder toegangsbewijs, bij de poort. Het bevel van de Koning is: 'Bind hem aan handen en voeten en werp hem weg!'
Hoe vreselijk is die plaats van de buitenste duisternis. Er is een intense duisternis, het geluid van brandend vuur, en het gegil van mensen die gepijnigd worden! Christinne hoort er iemand roepen: 'Vervloekt zij mijn vader, die mijn voeten geweerd heeft van de weg des levens!' Maar Bunyan heeft ook het onuitsprekelijk geluk van alle ware pelgrims beschreven, en wat zij meemaken vóór en in de Doodsjordaan. Hij beschrijft Vrezende en Gereed tot Hinken, twee bekommerde christenen. Christinne, een geoefende vrouw, en Eerlijk mogen zonder benauwdheid de Doodsjordaan door gaan. Christen en Hopende worden door engelen geleid naar de Hemelpoort. De woorden van Bunyan zijn ook te arm om aan te geven hetgeen God bereid heeft, dien die Hem liefhebben.
Tot ons alles kwam deze dag de oproep om de tijd uit te kopen, dewijl de dagen boos zijn. Neem iedere gelegenheid waar om het goede te zoeken. Denk aan de man met de mesthark! De dagen zijn boos. De mens der zonde manifesteert zich. Maar het is ook een gevaarlijke tijd voor hen die nog bij Gods Woord leven. De godvrezende Newton schrijft: 'De meeste mensen gaan verloren, omdat zij geheel opgaan in geoorloofde bezigheden.' Velen hebben nu al geen tijd meer om zich te bezinnen en het Woord van God te onderzoeken. Waakt dan, want gij weer niet de dag noch de ure, wanneer de Zoon des Mensen komen zal. Voor Gods volk geldt echter dat eenmaal alle onreinheid voor eeuwig afgewassen zal zijn. Want in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het Boek des Levens des Lams.
Ten slotte
Na een kort slotwoord van de presidente besluit ds. Van Dieren deze ernstige dag met dankgebed.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 2006
Daniel | 32 Pagina's