De herdersfluit
Eens ging ik langs het lage riet, Dat ruisen kan en anders niet, Toen langs mijn pad een herder kwam, Die één van deze halmen nam, En dien besnoeide en besneed, En maakte tot zijn dienst gereed. Door dit gekorven rietje, dat Als dood hij in zijn handen had, Dien stemmelozen stengel, zond Hij straks den adem van zijn mond, En als hij blies, zo zong het riet, En, als hij zweeg, verstomde 't lied: De zoete, pas ontwaakte stem Bestond en leefde slechts door hem.
Zo gaf ik gaarne wens en wil In 's Heeren hand en hield mij stil. Zo dan, als door een rieten fluit. Bij zwijgend eigen stemgeluid, Gods adem door mij henen blies, Hoe grote winst bij klein verlies!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 2006
Daniel | 31 Pagina's