Tussen wereldvreemdheid en wereldgelijkvormigheid
“Opstanding van de nieuwe mens heeft een nieuwe levenshouding tot gevolg”
Hoe zit dat toch: vuel in de wereld, maar niet van de wereld? Hoe moet onze houding zijn ten opzichte van de cultuur om ons heen? Vragen waar iedereen mee geconfronteerd wordt. Het is goed om erover na te denken, maar of er pasklare antwoorden zijn? Het is een bijbelse gedachte is: wel in de wereld, maar niet van de wereld. Hoe geef je dat vorm in je leven?
"Opstanding van de nieuwe mens heeft een nieuwe levenshouding tot gevolg"
Onlangs kreeg ik een krantenartikel onder ogen, dat bleef hangen. Vijf jongeren vertelden hoe ze gebruik maken van internet. Ze waren 11 tot 1 3 jaar oud. De één was druk met het downloaden van muziek. Een ander deed graag allerlei spelletjes ('games') op internet. Wie de tegenspelers waren, wist hij niet. Het kan iedereen zijn. Een meisje zocht allerlei informatie op voor school en werkstukken, maar ook gewoon als hobby. 'Googlen' noemde ze dat. Minimaal twee uur per dag, maar in het weekend nog veel meer.
Een ander meisje was verslaafd aan MSN. Zij vertelde: "Is er niks op tv, dan zet ik de computer aan. Als ik chat met mijn vriendinnen, vraagt mijn vader wel eens: 'Waar hébben jullie het toch de hele tijd over? ' Hij begrijpt ook niet wat ik op MSN intik. Dat komt doordat we afkortingen gebruiken." En tenslotte was er een jongen zichzelf
Habbo'er noemde, naar het populaire digitale hotel op internet.
Er stond nog veel meer in de krant. Ook een verhaal met als titel: 'Wat als een baby geen leven heeft maar ook niet sterft'. De sfeer in het artikel was niet om vrolijk van te worden.
Zomaar een paar voorbeelden van dingen waar we mee te maken hebben. We ervaren de invloed van de wereld om ons heen als iets waar we niet omheen kunnen. En dat kan ook niet, want we staan er middenin. We moeten oppassen dat we niet meegetrokken worden in de vaart van deze tijd. Maar hoe moet onze houding dan zijn?
Tuuee uitersten
Als je terugkijkt in de geschiedenis zijn er twee grenzen in het omgaan met de cultuur. Aan de ene kant is dat absolute onthouding en wereldvreemdheid. Denk bijvoorbeeld aan het kluizenaarsleven en de kloosters. Aan de andere kant is dat deelname aan het culturele leven en wereldgelijkvormigheid. Beide uitersten passen een christen niet, maar hoe moeten we dan in deze wereld staan?
Wat de Bijbel zegt moet voor ons de leidraad zijn. Want wie gelooft in God en in een eeuwig leven, ziet dat de waarde van de cultuur maar betrekkelijk is. Het gaat allemaal voorbij. Lees wat Paulus schrijft in de brief aan Korinthe: aar dit zeg ik broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende; en die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij (1 Korinthe 7:29-31).
Paulus zegt: je mag de wereld gebruiken, maar zó, dat je er niet vol van bent. Het griekse woord dat door 'misbruiken' is vertaald, betekent eigenlijk 'ten volle gebruiken'. Want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.
Iets anders wat de houding tegenover de wereld (cultuur) bepaalt, is de vreze des Heeren. Het is een sterk wapen in de strijd om je onbesmet te bewaren van de wereld. Als de liefde tot God in je hart levend is, zul je niet zo gemakkelijk van de rechte weg afglijden. Maar als het geloof is ingesluimerd, sta je open voor de verzoekingen die van de wereld op je afkomen. Dat geldt ook voor de kerk in zijn geheel: als de kerk indommelt en zich vooral concentreert op het hier en nu, gaat het fout! De Heere vraagt van ons dat ons hart vol is van Hem en Zijn dienst. Dan is er voor de dingen van deze wereld niet zoveel plaats meer.
Levenshouding
Wat betekent dit voor onze positie in de cultuur waarin wij leven? Het gaat namelijk om onze levenshouding. Je kunt dan denken aan wat er in het derde deel van de Heidelbergse Catechismus staat, in het gedeelte over hoe de gelovige God zal dankbaar zijn voor zijn verlossing. Ook voor hen die dat (nog) niet weten, is er veel te leren uit de regels die voor Gods kinderen gelden. Als het gaat over de bekering, spreekt de Heidelbergse Catechismus over twee dingen: de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens (vraag 88).
Wat betreft de afsterving van de oude mens, kennen we de uitdrukking: 'de zonden hoe langer hoe meer haten en vlieden'. De christen behoort in de cultuur de zonde te haten. Als je als christen ergens kritiek op hebt, dan moet je uitgangspunt zijn: God wordt door de zonde beledigd, God Zelf haat de zonde.
Er zijn tijdloze zonden, die in elke tijd en cultuur voorkomen. Je kunt hierbij denken aan de zogenaamde hoofdzonden uit de Middeleeuwen: trots, gierigheid, weeldezucht (ook seksuele lust), seks, toorn, gulzigheid, jaloezie en luiheid. Opvallend genoeg worden deze zonden tegenwoordig eerder aangeprezen dan openlijk afgekeurd. Eigenlijk is alleen luiheid als verwerpelijk overgebleven. Alle andere worden gezien als iets positiefs: jezelf goed kunnen verkopen, geen dief zijn van je eigen portemonnee, niet benauwd zijn om het geld lekker te laten rollen, assertief zijn. Herkenbaar?
Gods geboden worden op veel terreinen in onze tijd niet meer ernstig genomen. Gods eer kan aangetast worden in een grappige radiouitzending, omdat er gespot wordt. Met de geboden over doodslag en echtbreuk wordt geen rekening meer gehouden in literatuur, toneel, film, televisieseries. In de sport is er sprake van overwaardering van het lichamelijke. We worden geprikkeld door bepaalde afbeeldingen in reclames. Er is zoveel te noemen. Alle ongerechtigheid is zonde!
De catechismus spreekt niet alleen over het haten van de zonde, maar ook over het ontvluchten ervan. Let wel: de zonde zit niet in een ding op zich. Maar de zonde ligt in de betrekking die we tot het ding hebben. Een bioscoop op zich is niet zondig. Maar kun je begrijpen dat een christen de bioscoop ontwijkt, omdat het ontvluchten van de zonde hoort bij de afsterving van de oude mens? Een christen onthoudt zich van bepaalde dingen. In deze tijd past dat niet zo. Onze tijd is daar bang voor. Men wil zich uitleven, nergens aan gebonden zijn! Een christen staat wat dat betreft anders in deze wereld. Maar, wat
hij zichzelf ook oplegt, het doel ervan moet zijn: de eer van God. Er is dus een verband tussen het 'niet van de wereld zijn' en het inrichten van het leven overeenkomstig Gods wil. Omdat de christen niet van de wereld is. is hij actief bezig tot Gods eer, en de wil van God bepaalt de grenzen van zijn bezig zijn. Het is daarom heel belangrijk dat een christen de Bijbel kent, er veel in leest en zich steeds afvraagt: wat wil de Heere dat ik doen zal? Het lezen van de Bijbel is nooit zonder vrucht!
Opstanding
De opstanding van de nieuwe mens heeft een nieuwe levenshouding tot gevolg. Mensen (gaan) zien dat christen anders is. Een belangrijke taak van christenen is het beïnvloeden van de cultuur door de christelijke gedachte. Dat kan ieder op zijn eigen plaats doen: anderen wijzen op het hoogste doel dat je nastreeft. Dat is Gods eer en het welzijn van de mensen om je heen. Dat zullen mensen als het goed is aan je merken, hoe subtiel ook! Daar hoef je geen bijzondere taak voor te hebben. Dat vraagt de Heere van iedereen. Als een christen als een lichtend licht over de wereld gaat, dan zal dat opvallen. Dat roept vragen op bij mensen om hem heen. Waarom blijft die jongen altijd zo rustig, ook al zou hij boos kunnen worden? Waarom groet die buurvrouw toch altijd zo vriendelijk, ook al heeft ze eigenlijk veel last van ons?
We moeten hierbij wel bedenken dat het nieuwe leven niet een doelstelling is die we kunnen bereiken. Denk aan de geschiedenis van het laatste oordeel uit Mattheüs 25. Het blijkt hier dat de mensen die goed (en ook kwaad!) hebben gedaan, het niet met opzet hebben gedaan. Ze vragen immers: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd, of dorstig en te drinken gegeven? Toch hebben ze het gedaan. Voor zoveel gij dit één van deze Mijn minste broeders gedaan hebt. zo hebt gij dat Mij gedaan. En ze beërven het Koninkrijk.
Het is dus onze opdracht om God en onze naaste te dienen in héél ons leven. Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld (Filippenzen 2:15).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 2005
Daniel | 32 Pagina's