Regionale vergadering Dirksland
"Ik ben een vriend, ik ben een metgezel"
"Ik ben een vriend, ik ben een metgezel"
Ouderling C. Keizer laat ter opening zingen Psalm 68 vers 6 en 14. Aansluitend leest hij Psalm 68:1-13. Hij mediteert over het laatste gedeelte van vers 1 3: n zij die te huis bleef, deelde de roof uit.
Zonder strijd kan er geen sprake zijn van overwinning. Evenals David vele oorlogen voerde om overwinningen te behalen waarbij de vrouwen achterbleven, wordt ook heden ten dage strijd gevoerd binnen het ambt. Waarom deze strijd, waarom deze krijg des Heeren? Om het rijk van satan terneer te werpen en Gods volk te onderwijzen. Hierbij is naast Gods bijstand de hulp nodig van 'Aarons en Hurs". Naast mannen hebben ook vrouwen hierin een taak. Ook vrouwen leven iets in van hetgeen de ambtsdragers tegenkomen; ook zij worstelen in het gebed en zuchten mee met hun leraars. En wat te denken van moeders' gebed voor de jeugd, om staande te mogen blijven? Ouderling Keizer eindigt zijn meditatie door de wens uit te spreken, dat ook de vrouwen van de vrouwenverenigingen als "moeders in Israël" na de strijd de buit uit mogen delen: dat zij vreugde in God mogen smaken, God alleen aanbidden en Hem de eer toebrengen!
De heer J. van Mourik uit Kapelle wil met ons nadenken over het thema Ik ben een vriend, ik ben een metgezel aan de hand van 'het meereizen als metgezel'. Eerst tekent hij Gods volk uit als hemels reisgezelschap, samen reizend met diverse mensen. Denk aan Abraham die werd vergezelschapt door Hagar; of Demas die met Paulus meereisde. Zelfs de Heere rgezelschapt door
Judas! De vraag is: met wie reizen wij mee? Aan welke reizigers voelen wij ons verwant en hóé reizen wij? Reizen wij door list en bedrog, ons rekenend bij Gods volk? Dan zijn we evenals de Gibeonieten die zich voordeden als reizigers uit een ver land om met het volk Israël in een verbond te komen en met hen op te trekken. Reizen wij als ijveraarl Dan zijn we als de Joden die ijverden zonder verstand. Of evenals de Rechabieten die zich bij Jehu aansloten. Ze ijverden voor de dienst des Heeren. Maar door de werken der wet noch door het goede dat we doen, kunnen we het Koninkrijk Gods binnengaan. Reizen wij door een valse leer in een ingebeelde weg naar de hemel? Dan zijn we gelijk aan de tijd-en wondergelovige, levend in evangelische overtuiging.
Of... mogen we door genade Naomi, die mocht zeggen: meereizen als een Ruth met
Val mij niet tegen, uw volk is mijn volk, uw God mijn God? Dan mogen het verder geleide kind van God en de pas beginnende elkaar tot een hand en een voet zijn. Mag u reizen door de vreze des Heeren. als een plant Gods ingeplant zijnde? Wilhelmus a Brakel schrijft daarover in zijn tweede deel van de Redelijke Godsdienst: 'Een heilige beweging des gemoeds, door God in het hart van Zijn kinderen gewerkt, waardoor ze uit ontzag zich zorgvuldig wachten God in iets te mishagen, maar integendeel er naar staan om Hem in alles te behagen.' Dan mag er een verlangen zijn om naar de wil des Heeren te leven. Dit werk des Geestes leidt tot de vruchten van ootmoed, wijsheid, teerheid, het kwade mijden en tevreden zijn.
Mag u door eerlijk makende genade reizen en uw leven leggen naast het Woord, de zelfbeproeving niet mijdend? Daarin ligt de belofte te mogen wandelen in de ruimte, omdat Gods bevelen worden gezocht. Ontgrondende genade is nodig, opdat we onszelf niet iets zouden aanmatigen. Als u zó mag reizen, dan mag het einde van de reis zijn: God alles en in allen.
Na de pauze leest mevrouw A. Abrahamse-Dingemanse het gedicht 'Zoete banden die mij binden' van Johannes Groenewegen.
De vraag: 'Hoe roeping en verkiezing vast te maken', wordt op een gevoelvolle wijze door de heer Van Mourik beantwoord.
Ten slotte dankt de presidente, mevrouw A. Teerds-Gertenbach, ieder hartelijk voor zijn of haar bijdrage aan deze avond.
Moge de Heere in waarheid ons doen begeren bij dit geestelijk reisgezelschap te behoren, zoals de dichter van Psalm 119 vers 32 dat vertolkt:
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel Van allen, die Uw naam ootmoedig vrezen, En leven naar Uw Goddelijk bevel. O HEER', hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen! Gij doet op aard' aan alle scheps'len wel; Och. wierd ik in Uw wetten onderwezen!
J.M. Kaashoek-Kaashoek
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 2005
Daniel | 32 Pagina's