Regioavond Amersfoort
Na het zingen van Psalm 119:45 en de Schriftlezing uit Psalm 4, gaat ds. I/I/. Visscher voor in gebed. Hij bepaalt ons bij de woorden: ie zal ons het goede doen zien? (Psalm 4:7m).
"De dichter van deze psalm, David, moet vluchten voor zijn zoon Absalom. Zijn laatste twintig levensjaren zijn bijzonder moeilijk voor hem geweest. In Psalm 4 horen we hem zeggen: Hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Misschien denkt hij aan de velen die voor zijn zoon Absalom hebben gekozen. Ook de mensen rondom hem vragen metverdriet in hun hart: Wie zal ons het goede doen zien? Een herkenbare vraag in 2005. We horen van grote rampen, er zijn persoonlijke zorgen en noden in de gezinnen. Misschien leeft ook in uw hart de vraag: Wie zal ons het goede doen zien?
Wat is het antwoord? De wereld zegt dat we ons best maar moeten doen. Zo'n ramp in Azië is immers een speling in de natuur. Maar welk antwoord hebt ü op al die grote levensvragen? Zegt u: Ik bid, ik lees in de Bijbel en ik hoop dat het goed komt. De Heere Jezus spreekt over twee wegen, daar is geen weg van 'misschien' bij. Gods Woord zegt: Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE! Het licht Uws aanschijns wijst op hét Licht der wereld. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, opdat verachte mensen zouden horen dat bij Hem vergeving is voor de grootste der zondaren. Vraag of de Heere uw ogen opent. Er is bij Hem nog uitkomst! Als dat Licht gaat schijnen in uw leven, dan wordt u begerig naar onderwijs en vindt u geen rust in een rechtzinnige conclusie. Dan krijgt u Hem nodig voor tijd en eeuwigheid. Val Hem nederig te voet, dan zal Hij u Zijn wegen leren."
Hierna houdt drs. J.J. Grandia een referaat over het thema: Apologetiek, uitleggen wat we belijden', naar aanleiding van de tekst: aar heiligt God de Heere in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeist van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en vreze (1 Petrus 3:1 5).
Altijd bereid zijn tot verantwoording, dat is apologetiek. Verantwoording afleggen is antwoord geven en uitleggen waar we voor staan.
Zijt altijd bereid. Dat is een opdracht. We moeten in staat zijn en kennis hebben om uit te leggen; daartoe moeten we bereid zijn en ons zelf ervoor over hebben. Willen wij onszelf verloochenen? Calvijn zegt bij deze tekst dat door ons zwijgen het Evangelie wordt bespot. We moeten altijd bereid zijn, ook in een omgeving die tegen is. Van onszelf zijn wij nooit bereid. Daarom gaat er nog wat aan vooraf, namelijk: Maar heiligt God de Heere in uw harten. Heiligen wil zeggen: afzonderen. We moeten afgezonderd zijn voor de dienst van de
Heere, eerbied hebben voor God in ons hart. Belijden wat we geloven doen we niet zomaar, het moet uit ons hart komen, dan krijg je een sprekend leven. Maar als we geen kind van God zijn? Er staat: En zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeist van de hóóp die in u is. De grond van het geloof vinden we in de Bijbel en de belijdenisgeschriften. De hoop van het geloof is het persoonlijk zaligmakend geloof. Dus iedereen moet bereid zijn verantwoording af te leggen, ook wanneer we het zaligmakende geloof niet bezitten. Maar wij kunnen het geloof toch niet bewijzen, daar valt toch niet over te twisten? Nee, maar de samenvatting van de wet is wel dat we God met heel ons hart, met heel ons verstand en met alle krachten moeten liefhebben. Het verstand telt dus wel mee.
Moeten wij dan altijd praten over wat we belijden? De tekst zegt dat we met zachtmoedigheid en (Gods)vreze moeten antwoorden als mensen ons vragen stellen. Vaak gelooft men ons niet omdat God niet zichtbaar is. Velen vragen: oe komt het dat er zoveel mensen lijden? Er zijn zoveel religies, wat is de waarheid? Paulus zegt in Romeinen 1:20 dat de mens een vaag besef heeft van een hoger Iets. Niemand kan zich verontschuldigen. De toorn van God wordt geopenbaard over alle goddeloosheid (vers 13), maar de mens duwt het vage besef weg.
Toch vraagt de Heere van ons dat we getuigen. Daarbij hoeven we geen moeilijke woorden te gebruiken. Dat we met Paulus zouden mogen zeggen: Want ik schaam mij het Evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft.
Na de pauze leest mevrouw Remijn-van der Slik eerst het gedicht 'Meditatie' voor, waarna de heer Grandia heel praktisch en zorgvuldig de gestelde vragen beantwoordt. De avond wordt besloten met het zingen van Psalm 141:2 en 3 en dankgebed. We mogen terugzien op een mooie en leerzame avond.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 2005
Daniel | 32 Pagina's