Geloven: kun je dat altijd?
We kunnen pas geloven als we zien dat we zelf helemaal niks (zelfs geen vertrouwen en geloof) hebben, maar het pas krijgen als Jezus Zich aan ons laat zien. Maar wat moet ik dan met 'woestijnperiodes'? Als God ons door een boel ellende heen laat gaan en Zichzelf terugtrekt. Dat deed Hij ook bij personen in de Bijbel als Hizkia en Job. Dan moeten we toch ook geloven dat Gods beloften waar zijn, zonder dat God meekomt? Niet dat het me lukt, maar dat is wat anders; Job deed het wel. Ik heb eens gelezen: "Ik geloof in de zon, zelfs als hij niet schijnt. Ik geloof in de liefde, zelfs als ik haar niet voel. Ik geloof in God, zelfs als Hij Zich stil houdt." Dat moet toch ook? Op zo'n moment zie je toch ook niet dat je het van God krijgt, als Hij stil is? Ik begrijp het niet.
Deze vragen komen uit een brief van een meisje van 17 jaar. Het gaat hier over de werkelijkheid van het leven van Gods kinderen; over het bevindelijke leven.
Inderdaad is het geloof een gave van de Heere. Paulus schrijft in Efeze 2:8. Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. We lezen dat de discipelen baden of de Heere hun het geloof wilde vermeerderen (Lukas 17:5). Kennelijk ondervonden ze dat het geloven niet vanzelf ging. Al was de Heere heel dicht bij hen, toch kenden ze die worsteling. Dat is een les die iedereen die de Heere mag vrezen, leert.
"De Heere openbaart Zich juist dan als wij helemaal niks hebben". Dat is zo de gewone manier van werken van de Heere. Hij doet ons onze armoe zien. Dan maakt Hij ons rijk. Hij doet ons onze zonden gevoelen. Dan wijst Hij ons op de Zaligmaker Die kwam om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Hij doet ons gevoelen dat het nodig is dat we geloven, maar dat we dit zelf nu precies niet kunnen. Dan werkt Hijzelf het geloof.
Bij de genezing van de maanzieke knaap zien we dit duidelijk. De vader vraagt of de Heere Jezus iets doen kan voor zijn kind. Daarop antwoordt de Heere: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft. Dan breekt het hart van de vader want daar zit nu juist zijn moeilijkheid. Hij moet geloven, maar dat is zo onmogelijk voor hem. In tranen roept hij uit: Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Dan geneest de Heere. Waar wij niets hebben, zelfs geen geloof, laat de Heere Zich aan ons zien.
Woestijnperiodes
Maar hoe is het dan met de 'woestijnperiodes'? Als er veel ellende en strijd in ons hart en leven komt, en a/s de Heere Zich terugtrekt. Ook
Zon, licht en zien
dan blijft toch voor hen die de Heere vrezen de opdracht te geloven? Die opdracht blijft inderdaad. Ongeloof en twijfel zijn nooit goed. Maar hoe is de praktijk?
"Niet dat het me lukt; dat is wat anders. Maar Job deed het wel." Laten we eens bij het laatste beginnen: Job deed het wel. Toen de zware beproevingen kwamen en zijn kinderen verongelukten, hield Job in vertrouwen aan de Heere vast. Hij zegt immers: De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd.
Dan wordt Job ernstig ziek. Zijn vrienden komen en er ontstaan gesprekken. Dan wordt het anders. Er zijn momenten dat hij niet van groot geloof getuigt. Bijvoorbeeld als hij zijn geboortedag vervloekt (3:3). En zo zijn er meer uitspraken. Maar zijn er ook momenten dat het geloof krachtig is. Bijvoorbeeld als hij belijdt: ant ik weet Mijn Vertosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan (19:25). Job verkeert in geloofsstrijd, met dieptepunten en hoogtepunten.
Later in hoofdstuk 38 komt de Heere weer tot Job. Dan wordt in de weg van het spreken van de Heere en het zich verootmoedigen van Job alles weer anders, weer rustig en goed.
In de doorleving van de ellende is er de strijd, met zelfs uitingen van ongeloof. Als de Heere Zich verbergt, heeft Gods kind het heel moeilijk.
Hij moest wel blijven geloven, maar hij doet, hij kan het niet altijd. Maar als de Heere Zich weer laat zien, dan wordt alles weer goed. Als Hij gaat spreken en Zijn kind in de verootmoediging en afhankelijkheid terecht komt. Heel leerzaam is deze geschiedenis.
Ook Hizkia nog genoemd. Steeds mocht hij met zijn nood en met hetgeen de vijanden zeiden tot de Heere gaan. En de Heere deed wonderen.
Grote geloofsdaden en geloofservaringen lezen we van Hizkia. Maar als de Heere Zich verbergt en hem beproeft, gaat het mis. Als de gezanten van Babel komen, dan zondigt Hizkia. Hij zwijgt over de Heere en praat alleen over zijn eigen grootheid. Wat erg is zo'n zonde. Vooral om dat een kind van God die zoveel rijke dingen kreeg dat doet. Weer zien we: als de Heere Zich verbergt, wordt het heel moeilijk. Eigenlijk leren we: dan blijven we niet staande. Dat is de waarheid: van onszelf kunnen we niets goeds doen. Ook Gods kinderen niet. Het is steeds door de genade en de werking van de Heilige Geest in het hart. Daardoor geloven we en hebben we de Heere lief.
Opdracht en wonder
Maar hebben we dan niet de opdracht altijd lief te hebben en te geloven, ook in donkere tijden? Die opdracht hebben de gelovigen zeker. Maar ze komen er wel achter hoe moeilijk, ja onmogelijk dat is. Zonder Mij kunt gij niets doen. Tot onze schande en met schaamte leren we dat. Opdat we in alles maar steeds de Heere nodig zullen hebben. Ook om te geloven en Hem lief te hebben.
Het geheim, het wonder is: e Heere houdt Zijn kinderen vast. Jezus zei tegen Petrus: e satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude (Lukas 22:31 en 32).
Zon, licht en zien
Maar al zie je de zon niet, daarom schijnt de zon toch wel? Dat is waar. Al brengt Petrus geen geloof en liefde in praktijk, de Heere blijft hem vasthouden en liefhebben. Dat is de vastheid van Gods zaak voor al Zijn kinderen. Maar daarmee is Petrus niet getroost. De wolken, die hij met zijn zonden tussen de Heere en hem deed ontstaan, moeten weer uit de weg. Dan ziet Hij de zon, het vriendelijk Aangezicht van de Heere weer. En die wolken weghalen, dat doet nu ook de Heere Zelf. Hij zocht immers Petrus weer op. Wat een wonder.
We kunnen van het beeld van de altijd schijnende zon nog meer leren. Als het dag is, schijnt de zon, ook al zie ik de zon niet omdat ik niet naar de zon kijk of omdat ik in een afgesloten ruimte ben. Maar de zon schijnt wel. En ik leef toch in het licht van de zon. Hoeveel ik er van opmerk, is een tweede. Ik moest er voortdurend over verwonderd zijn.
Maar als het nacht is, schijnt bij mij de zon niet. Wel aan de andere kant van de wereld. In het leven van Gods kinderen wisselen dag en nacht elkaar af. Ook wisselen regen en zonneschijn elkaar af. Laten we de toepassingen zelf maar maken. Blijft dat de zon altijd schijnt: de Heere waakt altijd over Zijn kinderen. Hij zal nooit laten varen wat Zijn hand begon.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 maart 2005
Daniel | 32 Pagina's