Te grote stappen in 'Stenen hart'
Leendert van Wezel
Een christelijke auteur heeft het niet gemakkelijk. Als hij wil aansluiten bij mat in de moderne literatuur gangbaar is, zal hij de aansluiting in eigen kring missen. Dan zal hij ook vast en zeker in gewetensproblemen komen. Veel van onze moderne literatuur staat immers haaks op - of moet ik zeggen: diametraal tegenover? - het Bijbelse denken. Wie zijn christelijke achtergrond niet vuil verloochenen, zal echter bemerken dat dit in 'de literatuur' niet wordt gewaardeerd. Anderzijds begrijpen 'onze' leerlingen soms nauwelijks hoe een auteur als Vonne van der Meer in som mige kritieken het verwijt kreeg, dat ze maar eens moest ophouden met haar gemoraliseer. Sinds haar bekering tot het rooms-katholicisme wordt haar schrijverschap kritisch benaderd door de literaire pers, terwijl veel jongeren haar niet eens herkennen als 'christelijk' schrijfster.
Wil een christelijk auteur voor zijn achtergrond uitkorqen, vergt dat dus zonder twijfel een flinke dosis literaire moed: zoiemand weet bijna bij voorbaat dat hij niet als literator erkend zal worden. Die moed kunnen we Leendert van Wezel wel toeschrijven. In Stenen hart laat hij duidelijk blijken, waar hij als schrijver voor wil staan. Toch is daarmee kritiek niet uitgesloten. Als een auteur de grenzen van de waarschijnlijkheid overschrijdt, vraagt hij te veel van de lezer. Dan is hij niet meer geloofwaardig, alle goede bedoelingen ten spijt. En dat gebeurt in Stenen hart.
Het verhaal
Hoofdpersoon in deze novelle is Walther Steensma, een jonge geleerde die in Zuid-Amerika op zoek is naar een fossiel van de Archeopterix, een oervogel uit de evolutietheorie. Dat fossiel zou in een oude Inca-tempel bewaard worden. Zijn expeditie is goed voorbereid, maar hij heeft er niet op gerekend, dat het fossiel een heilig, religieus voorwerp is van de Yanoca-stam. Het is Gornor, hun god. Walther, niet godsdienstig opgevoed, heeft kennelijk geen enkele notie van de betekenis van dit voorwerp. Hij is slechts verblind op zoek naar dit belangrijke bewijsstuk van de evolutietheorie.
Als hij met zijn gids Ronaldo in de tempel is aangekomen, wil deze hem beletten het heilige voorwerp mee te nemen. Als ze elkaar met revolvers bedreigen, wordt Ronaldo getroffen door een giftige pijl van de Yanoca's. Zij hebben de indringers immers opgemerkt. Walther weet hen met zijn vuurwapen te verdrijven en vlucht dan met zijn buit. Hij bemerkt al spoedig dat hij wordt achtervolgd en probeert wanhopig de rivier te vinden. Daar zal hij kunnen ontkomen.
Bij de achtervolging stort hij van een rotswand en verliest het bewustzijn. Hij wordt gevonden door een vreemdeling, die de alarmsignalen van de Yanoca's had gehoord. Deze man, Jonas, schrikt als hij hoort wat er gebeurd is: "Ze zullen je doden!" Toch helpt hij Walther overeind en gaat hij met hem mee. Hij draagt hem zelfs diverse malen, omdat Walthers been geblesseerd is door de val. Op hun rustplaats tijdens de nacht, probeert Jonas erachter te komen, wat deze geleerde bezielt. "Wil hij de hopeloosheid van een bestaan zonder God bewijzen? Als toeval in plaats van een Schepper ons bestaan regeert, is alles toch hopeloos!" Maar op de tegenvraag van Walther: "Heb jij dan wel hoop?
Waar baseer je die op? " kan Jonas geen duidelijk antwoord formuleren. In een nauwe kloof wil Jonas met dynamiet de doorgang versperren. Dat is hun enige kans om de Yanoca's ver genoeg voor te blijven. De explosie heeft echter onvoldoende resultaat en Jonas weet het: morgen of overmorgen halen ze ons in. Ook op hun tweede overnachtingsplaats spreken ze weer over hun diepste vragen.'s Nachts gaat Jonas stiekem weg. Hij kan deze verstokte atheïst toch niet redden; ze zullen zeker gevonden en gedood worden! Wel laat hij zijn Bijbeltje achter op Walthers rugzak.
Wanneer die de volgende morgen ontwaakt, bemerkt hij tot zijn schrik dat Jonas verdwenen is. Hij gaat in de richting van de rivier, loopt uren en uren en overdenkt de gesprekken met Jonas. Ook komen gesprekken met zijn vader op diens sterfbed in zijn herinnering. Wat is de zin van het bestaan eigenlijk? Als hij uitrust en dan de schittering van een Morphovlinder ziet, die op de rugzak gaat zitten, brengt dat hem tot de overtuiging: er moet een God zijn. Hij pakt uit de rugzak het Bijbeltje en begint erin te lezen: Job 38. Zo komt hij tot het inzicht dat er een God bestaat. Die de Schepper is. Bij het vallen van de avond krijgt hij een visioen van de schepping. Hij ziet daarin ook een Archeopterix vliegen. Als hij ontwaakt, pakt hij het fossiel en krast daarop de woorden: "Gevonden op mijn laatste reis. Deze vogel door mij. En ik door zijn Schepper." Dan laat hij het fossiel in een spleet glijden en gaat weer op stap. "De rivier kon niet ver meer zijn." Met deze zin eindigt het boek. Uit de proloog, die met deze zelfde zin begon, weten we dat hij op het nippertje de rivier heeft gehaald en met de stroom wegdreef.
De vertelwijze
Vooropgesteld: Leendert van Wezel is een goed verteller. Hij heeft als auteur van jeugdboeken ervaring opgedaan. Hij heeft zich nu ook op het pad van de 'volwassen literatuur' gewaagd. De proloog waarmee het boek inzet, is fraai. In enkele korte zinnen weet hij een sfeer van spanning op te roepen. Daarmee is de lezer nieuwsgierig geworden en wil hij weten wat er aan de hand is. Er zitten mooie beschrijvingen in het boek. De schrijver roept de sfeer op die bij het geheimzinnige regenwoud hoort. Op een mooie manier verwerkt hij ook enkele flashbacks in zijn verhaal. In hoofdstuk 2 maak je zo kennis met de hoofdpersoon in zijn studentenjaren. Hij komt uit een onkerkelijk gezin en zijn vader wil hem graag laten discussiëren met de nieuwe buurman (een dominee!) over de evolutietheorie en de oerknal. Als Walther deze discussie ontloopt in de schuur, stoot hij zijn hoofd en raakt hij even buiten bewustzijn. Heel fraai laat de schrijver deze situatie overgaan in zijn bijkomen na de val in het oerwoud. Hij kijkt dan in de ogen van een man met een verwilderde baard: Jonas. Die blijkt later in het verhaal trouwens ook een dominee te zijn, maar dan één die zijn gemeente en ambt ontvlucht is.
Toch zijn er ook nogal wat passages, die het niveau van het jeugdboek niet ontstijgen. De beschrijving van de schietpartij in de tempel is daar een voorbeeld van. Dat is jammer. Het laatste gedeelte van het boek is echt onbevredigend. De 'bekering' van Walther verloopt geforceerd. Walther is immers niet godsdienstig opgevoed, heeft geen enkel besef van wat het christendom inhoudt.... en dan zou het zien van een vlinder hem opeens tot andere gedachten brengen? Hij neemt Jonas' Bijbeltje - hij, die de Bijbel niet eerder kende! - en verstaat dan ineens de inhoud van het moeilijke hoofdstuk Job 38? De vragen waar Gods kind (!) Job geen antwoord op wist, zijn voor Walther opeens beantwoord. Hier gaat de schrijver echt onderuit. Opnieuw: jammer!
De afloop van het verhaal is zo gek nog niet. Blijkbaar heeft de auteur niet een gewoon eind-goed-al-goedverhaal willen schrijven. Een gemakkelijk 'happy end' doet een verhaal immers geen goed. Wat dat betreft is de oplossing die hij gekozen heeft aardig gevonden: in een proloog wordt slechts aangeduid dat hij de weg naar de vrijheid wel zal vinden.
Personen
De hoofdpersoon is in het begin goed getekend: de bevlogen wetenschapper, die zich volledig inzet voor zijn ideaal een bijdrage te leveren aan de evolutietheorie. Hij is afkomstig uit een niet-godsdienstig gezin. Maar juist daarom is zijn bekering aan het slot van het boek veel te geforceerd.
Ook de figuur van Jonas roept vragen op. Hij is de predikant die afgeknapt is op zijn eerzucht en ik-gerichtheid. Hoe deze man zich staande weet te houden in dit onherbergzame oerwoud. wordt niet echt duidelijk. Ook zijn verdwijning is vreemd: die staat in schril contrast met alle moeite die hij zich tot nu toe getroost heeft om Walther te redden. Van Wezel probeert dat wel goed te maken door hem 's morgens toch weer berouw te laten hebben, maar voor de lezer blijft het wat onbevredigend.
Bedoeling
Binnen het reformatorisch onderwijs wordt nogal wat aandacht besteed aan het wapenen van leerlingen tegen de evolutietheorie. Daarbij wordt geprobeerd hen duidelijk te maken, dat een evolutionist minstens zoveel 'geloof' nodig heeft om in de evolutieleer te geloven als een christen behoeft om God als Schepper te erkennen. Van Wezel wil duidelijk maken dat een gelovige houding van buigen voor de Schepper een nietig mens past. Daarbij sluit het eerste motto van deze novelle duidelijk aan: "Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? " Hij heeft ook willen laten zien dat een wetenschapper niet ongelovig hoeft te zijn. Daarheen verwijst duidelijk het tweede motto, een uitspraak van Einstein, dat spreekt van "een hartstochtelijk ontzag" voor de Schepper. Hij heeft in Walther Steensma een mens willen tekenen die van dit ontzag vervuld raakte. Maar hij heeft Walther een te grote stap laten zetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 2005
Daniel | 32 Pagina's