“Ik geloof één heilige, katholieke kerk”
Kerkvader Aurelius Augustinus stierf 1650 jaar geleden
Vooral in de periode na zijn bekering heeft Augustinus veel geschreven. Zijn Confessiones (Belijdenissen) zijn heel bekend: hij geeft daarin onder andere een terugblik op zijn leven vanaf zijn vroegste jeugd. Ook De civitate Dei (Over de stad van God) is een bekend boek. Verder zijn er nogal wat preken van hem bewaard gebleven, die ook in het Nederlands vertaald zijn. Als je de moeite neemt om daarin te lezen, kun je veel mooie dingen tegenkomen.
Levensloop
In het jaar 354 - 1650 jaar geleden - vond een belangrijke gebeurtenis plaats. In dat jaar werd namelijk Aurelius Augustinus geboren, iemand die een grote invloed op de kerkgeschiedenis heeft gehad. Hij was de zoon van Monica en Patricius. Monica was een gelovige vrouw, die een grote invloed op het leven van Augustinus heeft gehad. Zijn vader Patricius was afkomstig uit een heidens milieu, en hield zich bezig met het bestuur van het stadje Thagaste, de plaats waar Augustinus ter wereld kwam.
Als kind ging Augustinus naar school in Thagaste. Hij maakte daar kennis met de klassieke Latijnse auteurs en met de Griekse taal. Toen hij vijftien jaar oud was probeerde hij in de universiteitsstad Madaura de retorica-opleiding te volgen. Maar door financiële problemen van zijn ouders moest hij het verblijf daar na een jaar afbreken. Hij werd echter geholpen door een rijk familielid en een jaar later pakt hij zijn studie weer op in Carthago. Augustinus studeerde hier vier jaar. Tijdens deze periode overleed zijn vader. En hij leerde een vrouw kennen met wie hij veertien jaren samenwoonde. Zij kregen spoedig een zoon, Adeodatus. Rond 373 kwam hij in aanraking met het manicheïsme, een filosofische stroming die veel invloed op zijn verdere leven heeft gehad. Tien jaar later, in 383, vertrok Augustinus naar Italië, en na een kort verblijf in Rome werd hij leraar rethorica (welsprekendheid) in Milaan. In deze periode kwam hij tot bekering, iets dat zonder het gebed van zijn moeder haast onmogelijk zou zijn geweest. Augustinus wist dat zijn moeder al die jaren voor hem gebeden had en het heeft hem altijd achtervolgd. Nadat hij tot bekering was gekomen, zei ze hem onder andere het volgende: "Eén reden was er waarom ik nog wat in dit leven verlangde te blijven: de wens om jou alvorens ik zou sterven als christen te zien. Meer dan ten volle heeft mijn God mij die gunst geschonken." In de jaren die volgden heeft Augustinus veel voor de kerk betekend. Hij werd bisschop van Hippo, een plaats in Noord-Afrika, en is er tot zijn dood in het jaar 430 gebleven.
Van Augustinus kunnen we veel leren als het gaat over de eenheid van de kerk. Het is goed om je dan eerst te verplaatsen in de tijd waarin Augustinus leefde. Sinds 313 was het christendom de staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk. Toch betekende dat niet, dat iedereen bij de kerk behoorde. Op de christelijke feestdagen was de Grote Kerk in Hippo wel tot in alle hoeken gevuld, maar, zo schreef Augustinus ergens, 'zij kwamen niet uit godsvrucht, maar louter voor het meemaken de plechtigheid'.
Augustinus' tijd was de tijd van brood en spelen, die een enorme aantrekkingskracht uitoefenden op het gewone volk en zelfs op de christenen. Veel van Augustinus' tijdgenoten (en kerkgangers!) stonden met één been in de kerk en met het andere been nog in de heidense wereld van dronkenschap, bijgeloof, spel en vermaak.
Net zoals er in onze kerken de weg is van doop en belijdenis om aan het avondmaal te kunnen deelnemen, kende ook de kerk in Augustinus' dagen een plechtige inwijdingsceremonie voor nieuwe gelovigen. De normale inwijding gebeurde één keer per jaar in de Paasnacht, de nacht voor de Paasdag. De mensen die dan werden gedoopt waren in de regel volwassenen of tenminste kinderen die al konden praten. Dat kwam niet doordat men de kinderdoop niet kende, maar doordat ook kinderen van gedoopte, christelijke ouders hun doop meestal zo lang mogelijk uitstelden. Men ging vaak onverschillig om met de doop en soms leefde het idee dat je voor je doop ongestraft kon zondigen. Voordat de doop plaatsvond, was er een lange periode van voorbereiding voor de mensen die gedoopt wilden worden. Uiteindelijk brak de Paasnacht aan, waarin de nieuwelingen werden gedoopt en werden ingewijd in het grote sacrament van het heilig avondmaal. Er zijn enkele preken van Augustinus bewaard gebleven, die hij op de Paasdag gehouden heeft, waarin hij het sacrament van het avondmaal verklaart aan de nieuwe gelovigen. Een soort avondmaalsformulier van Augustinus dus. Voor Augustinus stond voorop dat het avondmaal het sacrament is van de eenheid van de kerk. Hij dacht namelijk niet gering over de kerk. Als hij spreekt over de kerk, bedoelt hij niet het kerkgebouw, niet de verzameling van gelovigen en ongelovigen, maar het lichaam van Christus zelf.
Heilige kerk
We moeten daarbij bedenken dat in Augustinus' tijd de kerk nog ongedeeld was. Er waren wel ketters en scheurmakers, maar het was voor iedereen duidelijk dat deze mensen zich zelf aan de kerk onttrokken hadden. Er was maar één kerk, de katholieke kerk. Dat beleed de kerk van zijn dagen ook in haar geloofsbelijdenis: "Ik geloof één heilige, katholieke kerk."
Augustinus hield de zichtbare kerk en het werkelijke lichaam van Christus dicht bij elkaar. In een preek waarin hij de geloofsbelijdenis uitlegt aan de gelovigen die de belijdenis moeten leren, zei hij bijvoorbeeld heel direct: "De heilige Kerk zijn wij". En met 'wij' bedoelde hij dan ook alle christenen over heel de aarde. Je kunt dus de Kerk van Christus gewoon zien.
Augustinus zag het namelijk als volgt: als de zichtbare kerk werkelijk ook het lichaam van Christus is, dan is Christus ook echt aanwezig in de kerk. Augustinus vergelijkt dat met hoe Hij op aarde was, toen Hij er als mens rondwandelde. In de kerk als Zijn lichaam deelt Hij Zijn genade aan de mensen net zo goed uit als in de tijd dat de Heere Jezus predikte en rondtrok door het land Israël. De genade van God kunnen we niet ontvangen zonder de kerk.
Een voorbeeld van hoe Augustinus sprak over de Kerk als lichaam van Christus, vinden we in zijn preken over de Psalmen. Het woord van de Heere Jezus: 'Gij hebt Mozes en de profeten en die zijn het die van Mij getuigen', nam hij letterlijk op. In de psalmen bidt niet alleen de psalmdichter, maar uiteindelijk Christus Zelf en met Hem heel Zijn Kerk van alle tijden en plaatsen. Op zich is dit een gedachte die wij ook wel (her)kennen. In het Nieuwe Testament vinden we vaak hoe een woord van David uit de psalmen op Christus wordt toegepast. En bovendien kennen we allemaal wel de uitdrukking, dat we in de psalmen de bevinding van Gods volk horen. Augustinus zou zeggen: in de psalmen bidden wij niet alleen, maar Christus en heel de Kerk. Wat betekent dat dan concreet? Dat als wij bidden, wij niet alleen bidden. Als in ons persoonlijk gebed het bidden en verlangen van de hele Kerk aanwezig is, worden we weggetrokken uit onze eigen belangen. Denk hierbij ook aan de aanspraak in het gebed dat de Heere Jezus zijn discipelen leerde: 'Onze Vader' en niet: 'Mijn Vader'.
Visnet
Je vraagt je misschien verbaasd af of Augustinus dan dacht dat de kerk hier op aarde even heilig is als de kerk in de hemel. Op aarde kunnen we de onzichtbare kerk van de uitverkorenen toch niet zien? Dat heeft Augustinus ook nooit beweerd. Hij heeft zich juist verdedigd tegen de gedachte van een kerk van alleen maar waargelovigen. Hij gebruikte graag het beeld van het visnet voor de kerk. Het net zit vol met goede en boze vissen. Of in Augustinus' eigen woorden: 'De stad van God bergt tijdens haar verblijf als vreemde in de wereld ook nog mensen, die wel met haar verbonden zijn door de gemeenschap van de sacramenten, maar niet met haar zullen delen datgene wat voor eeuwig voor de heiligen is weggelegd.'
Later is de kerk meer in verval geraakt en is in de Middeleeuwen de noodzaak van persoonlijk geloof op de achtergrond geraakt. Het deelnemen aan de sacramenten en het behoren tot de ware kerk kregen waarde in zichzelf, los van een persoonlijk bekering. Toch vinden we dat bij Augustinus zo nog niet. In zijn Belijdenissen vertelt hij ons het indringende verhaal van zijn eigen bekering. In zijn preken leren we een prediker kennen die wist dat er een scheiding liep door zijn hoorders, die pas in het oordeel openbaar zou worden. Vandaaruit klinkt ook zijn oproep tot geloof en bekering, ook richting de gelovigen die aan het avondmaal deelnamen.
De Reformatie in de 16e eeuw zorgde voor een vernieuwing in de kerk. En daarna is die protestantse kerk vele malen gescheurd. Voor ons is het heel problematisch om net als Augustinus te spreken over het avondmaal als sacrament van de eenheid. Want we kunnen wel één zijn met elkaar in de kerk, maar de machtige werkelijkheid van de eenheid van het lichaam van Christus is hier en nu onzichtbaar. Wij hebben hier vaak mee leren leven. Als Christus wederkomt op de wolken zal Hij de Zijnen wel weten te vinden. Toch zou Augustinus erg teleurgesteld zijn als hij ons nu zou zien. Hij zou zeggen: Jullie hebben niet de kerk gescheurd, maar het lichaam van Christus. Jullie belijden allemaal in dezelfde Christus te geloven, maar waar dat zou moeten blijken, aan het avondmaal, gebeurt het niet.
Lichaam van Christus
Hoe denken wij over de kerk als het lichaam van Christus? We zijn mondige mensen. Als de Bijbel ons iets zegt of als in de gereformeerde traditie iets de gewoonte is, denken wij daar graag zelf ook nog even over na. En: we zitten zondag met elkaar in de kerk en we horen dezelfde preek, maar de een denkt er dit van en de ander dat. De een is kritisch en de ander gesticht. Als we net als Augustinus' tijdgenoten mochten applaudiseren in de kerk, zouden we dat nooit allemaal tegelijk doen. Daar komt nog bij dat het tegenwoordig heel gewoon is om aan elkaar te vragen of we het naar ons zin hebben in de gemeente waar we bij horen. En als we het echt niet naar ons zin hebben in de gemeente, is dat een probleem en kan dat zelfs betekenen dat we maar ergens anders naar toe gaan. Wij zijn mensen van onze tijd, ook in de kerk. Het is goed om daar eens over na te denken in het licht van wat we van Augustinus te weten zijn gekomen.
De kerk is niet zomaar een willekeurige vereniging, die soms goed en soms slecht bevalt. De kerk is het lichaam van Christus, en daarom wil Christus ons het liefst vandaaruit toespreken. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt dat heel scherp: buiten de kerk is geen zaligheid. Voor Augustinus betekende dit ook dat de kerk gezag heeft, juist omdat ze het lichaam van Christus is. Ook wij moeten dat blijven beseffen. Wat de kerk zegt en wat er in de traditie van de kerk is gezegd, kunnen we nooit zomaar aan de kant schuiven.
Tenslotte nog iets wat we van Augustinus kunnen leren: in de kerk gaat het niet alleen om ons persoonlijk, om wat wij ervan vinden en geloven. Nee, in de kerk worden we in een gemeenschap van mensen gesteld. Samen hebben die een stem, en daar klinkt die van ons niet altijd bovenuit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 2004
Daniel | 36 Pagina's