Schuld belijden is ‘amen’ zeggen
Ieder gemeentelid heeft een taak ten opzichte van een ander lid
"Sorry hoor ma, ik heb het verkeerd gedaan." Het valt niet mee voor Mieke om dat te zeggen. Ze heeft geprobeerd haar moeder de schuld te geven. Ze had die mooie oude vaas van oma niet zo dicht op de rand van de kast moeten zetten. Ze had geprobeerd om haar zus de schuld te geven. Daar liep ze voor weg langs de kast heen en toen had ze de vaas omgestoten en met veel lawaai was die in duizend stukken uiteen gevallen. Wat was moeder boos geweest. Maar wat gaf dat nu, zo'n oude vaas. Laat ze zich niet zo druk maken. Boos was ze naar boven gelopen. Maar als ze aan het einde van de middag weer naar beneden komt, moet ze het zeggen: "Sorry hoor ma, ik heb het verkeerd gedaan."
Eigenlijk weten wij niet wat schuld belijden is. We zeggen soms om het minste geringste 'sorry' tegen medemensen. We denken er helemaal niet bij na. En als we eens zien dat we verkeerd gehandeld hebben, dan valt het niet mee om ons ongelijk te bekennen. Om in dat uitgesleten 'sorry' door te laten klinken: 'ik ben de schuldige.' Eerst wijzen we bij voorkeur een ander aan of we verontschuldigen ons vanwege de omstandigheden. We zeggen: iedereen doet het weleens verkeerd. Als we al zeggen dat het onze schuld is, proberen we het weer goed te maken door de schade te vergoeden door geld of door wat extra vriendelijk te doen. En dan gaat het alleen nog over de verhouding met onze naaste.
Tot in het allerheiligste
Schuld is in de eerste plaats echter schuld ten opzichte van de Schepper van hemel en aarde. Hij heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. Hij eist van ons dat we naar Zijn geboden tot eer van Zijn naam leven. En wat komt daarvan terecht in ons leven? Geboren als Adams kinderen buiten het paradijs komen we met schuld op de aarde. Adam ging de weg van God vandaan, hij wilde als God zijn en wij als zijn nakomelingen leven dat ook dagelijks uit. We kunnen en willen niet anders. Het delen in de zonde van Adam, het willen leven als Adam op de weg bij God vandaan, is zonde die we erven. Paulus schrijft: Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welke wij allen gezondigd hebben (Romeinen 5: 12). In zonde zijn we ontvangen en daarom komen we met zonde, erfzonde en erfschuld op de wereld.
Daarnaast overtreden we Gods geboden in daden, woorden en gedachten. Allemaal dadelijke zonden. We zijn in ons doen en laten, in ons spreken en zwijgen, in ons denken vol van zonde en maken daardoor de schuld bij God dagelijks groter. Ook Gods kinderen blijven mensen buiten het paradijs en doen dagelijks zonden en maken daardoor schuld. Als de Heere door Zijn Woord en Geest laat zien wie Gods kinderen zijn en blijven, dan zien ze dat ze zelfs in hun bidden, in hun Bijbellezen, niet zonder zonde zijn. De zonde, zeggen we, bezet ook Gods kinderen [tot in het allerheiligste wat ze doen. Schuld ten opzichte van de Heere moet betaald worden, moet teniet worden gedaan. Of door een mens zelf of door een ander. Wat probeerde Adam daarin Eva de schuld te geven, wat proberen wij van de schuld voor God af te komen door een ander aan te wijzen als schuldige, door de zonde te vergoelijken - "het valt wel mee" - , door ons best te doen. En wat is het gevolg? De schuld wordt alleen maar Imeer. De schuld in ons leven is onbepaalbaar groot. Denk maar aan de gelijkenis die de Heere Jezus uitsprak over een dienstknecht met tienduizend talenten schuld. Al zou alles verkocht worden - zijn vrouw, zijn kinderen, zijn huis, de dienstknecht zelf - dan nog bleef er schuld (Mattheüs 18: 23 en verder).
Belijden voor God
In de kerk wordt iedere zondagmorgen de wet voorgelezen. De wet, maar ook de verkondiging van Gods Woord wijst ons aan als overtreders van Gods geboden. Ja, iedere keer opnieuw zegt God in Zijn huis: Jij bent geneigd God en je naaste te haten en je kunt voor Mij niet bestaan". Iedere kerkdienst wijst op de noodzaak van het belijden van schuld. Wat is het daarvoor nodig dat Gods geboden, Gods eisen, Gods straffen een levende werkelijkheid worden in ons leven. We horen de geboden iedere zondag, we horen de eisen van Gods Woord dagelijks als de Bijbel opengaat. We kennen de wet uit het hoofd en toch, we ervaren geen schuld, we leven rustig verder of er niets aan de hand is. Nodig is, dat de Heere door Zijn Woord en Geest de zonde laat zien. Dat onder Gods Woord werkelijkheid wordt: jij bent die jongen, jij bent dat meisje. We zeggen dan: 'je krijgt de schuldbrief van God thuis'. Dan kun je niet rustig verder leven. Dan wijs je niet meer naar een ander. Dan zijn alle mensen beter dan ik. Mijn schuld voor God is dan het grootst en is onbetaalbaar. Als dat in het leven van die ene moordenaar aan het kruis werkelijkheid wordt, roept hij: Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben. Mijn schuld ten gevolge van mijn zonde maakt dat ik hier aan het kruis hang en dat ik eeuwig verloren moet gaan. Er is bij ons vandaan geen doen meer aan. Belijden betekent 'amen' zeggen. Als het gaat over schuld belijden, dan is het 'amen' zeggen op het 'ik heb gezondigd' en het 'ik verdien de eeuwige straf'. Dat kan en wil de Heere ook jonge mensen leren. Als we de grootheid van ons kwaad voelen, zullen we met de moordenaar, met de tollenaar, zonde en schuld erkennen voor God en gaan smeken om ontferming, om vergeving. Dan zullen we ook schuld erkennen naar onze naaste. Schuld belijden ten opzichte van God en geen schuld belijden ten opzichte van de naaste is onmogelijk. Zie bijvoorbeeld de gelijkenis in Mattheüs 18: 22 en verder.
Geen werken van de mens, geen verbeteringspogingen doen de schuld te niet. Alleen het bloed van Christus kan de schuld van zo'n zondaar betalen. Hiskia roept het daarom uit: Wees gij mijn Borg. Een borg is iemand die betaalt voor de schuld, die door Hiskia niet betaald kon worden.
In de kerk
Persoonlijk schuld belijden voor God en schuldvergeving van God is dus vóór alles nodig in het leven van een mens, wil hij welgelukzalig leven en sterven. "Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven." Daarbuiten is geen zaligheid.
In de kerk wordt de schuld aangewezen en voor God beleden. Daarnaast heeft de kerk tot taak (doop)leden op hun zondige daden aan te spreken. We spreken dan over de kerkelijke tucht. Tucht dient er niet toe om mensen te straffen, voor hun zonde te laten betalen, maar dient om mensen te brengen tot het belijden van schuld voor God en de naaste. Die kerkelijke tucht begint niet bij de kerkenraad. Dit blijkt heel duidelijk uit de woorden van de Heere Jezus: Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen (Mattheüs 18: 15). leder lid van de gemeente heeft hierin een taak ten opzichte van een ander lid. We moeten niet over de zonde van een ander spreken met andere mensen, maar met hem of haar die de zonde doet. Als je op weg van catechisatie naar huis je medecatechisant hoort vertellen over de drugs die hij heeft geprobeerd bij een verjaardagsfeestje. Dan ga je daar niet over praten met Jan en Piet: "nHeb je het al gehoord..." Dan wijs je je medecatechisant in liefde, als medezondaar, op het verkeerde in dat gebruik.
Het gaat dan niet om een terechtwijzen vanuit het: 'ik ben beter dan jij'. Maar Gods naam wordt oneer aangedaan als je als lid, ook als uiterlijk lid van de gemeente, Gods gebod overtreedt en het is tot (eeuwige) schade van je onsterfelijke ziel. Het past niet bij de kerkelijke gemeente om ons daaraan met Kaïn te ontrekken, door te zeggen: Ben ik mijns broeders hoeder?
De terechtwijzingen kan de Heere als middel gebruiken om de zonde te belijden voor God en de naaste. Dat zal dan zichtbaar worden in het niet meer doen van die zonde.
Gaat een zondaar door op de weg van openbare zonden, luistert hij niet naar de vermaningen, dan zal de zondaar worden aangesproken met een getuige erbij. Verandert het nog niet, dan zal het tegen de kerkenraad moeten worden gezegd (zie Mattheüs 18: 15-22).
De kerkenraad zal dan de zondaar door vermaning proberen te brengen tot belijden van schuld en het nalaten van de zonde.
Zonden kunnen ook in het openbaar komen voor heel veel mensen tegelijk, voor heel de gemeente en daarbuiten. Dan zal de kerkenraad de zondaar vermanen en vragen de schuld te belijden voor God en mensen. Je kunt dan denken aan het in verwachting raken buiten het huwelijk of het plegen van een misdrijf waar de politie en de rechtbank bij betrokken zijn.
Schuld belijden hoort gepaard te gaan met tekenen van boetvaardigheid. De kerkenraad oordeelt in de schuldbelijdenis niet over het hart van het gemeentelid. De vermaningen van de kerkenraad zullen zich erop richten voor God in de schuld te komen en als er een medemens hoe dan ook benadeeld is de schuld te belijden tegen die naaste. In woord en daad zal dan moeten blijken, dat de schuld weegt. Een belijdenis van schuld met allemaal voorwaarden ten opzichte van andere mensen, is geen oprechte schuldbelijdenis. Dat is bijvoorbeeld het geval als anderen eerst ook schuld moeten erkennen voor ik mijn zonde belijd. Een waar kenmerk van boetvaardigheid is: ik heb gezondigd en allen die er bij betrokken zijn treft minder schuld dan ik. Onvoorwaardelijk belijden: dit is mijn schuld alleen. Zeker bij zonden met een verslavend karakter - zoals drank, gokken, seksuele zonden - zal voor de schuldbelijdenis moeten blijken, dat de zonde wordt nagelaten. Zonodig dient men zich daarvoor onder behandeling te laten stellen. Van openbare zonde - zonde die onder meer mensen bekend is - wordt meestal na schuldbelijdenis voor de kerkenraad mededeling gedaan in het midden van de gemeente. Soms wordt in het openbaar voor de gemeente schuldbelijdenis gedaan. In beide gevallen is het niet om de zondaar te verachten, maar vooral ook om voor de zondaar te bidden en om zelf niet in de zonde te vallen.
Pastorale begeleiding
Zonde en schuld belijden in de weg van vermaning vraagt om pastorale begeleiding in de vermaningen en na het belijden van de schuld. Maar schuld kan ook op andere wijze ter sprake komen in het pastoraat. Bij pastorale bezoeken komt het meer dan eens voor dat mensen zonden belijden uit het verleden, die ze nog nooit met een mens besproken hebben. Als ambtsdrager dient men dan de weg te wijzen van Gods Woord in die schuld. In de eerste plaats mag schuld in pastoraat nooit worden weggepraat, goed gepraat. Met schuld dient men bij God terecht te komen. De Heere alleen kan de schuld vergeven. In alle ernst zal gesproken worden over de onmogelijkheid om met een openstaande schuld voor Gods rechterstoel te kunnen verschijnen. Ook zal de weg gewezen moeten worden om het met de naaste op orde te brengen die door de zonde is getroffen. Van een schuldbelijdenis voor de kerkenraad zal dan veelal geen sprake zijn. Daarnaast ontmoeten ambtsdragers in het pastoraat slachtoffers van de zonde. Zij worstelen met het feit dat daders hun zonden niet hebben beleden, soms ook niet voor de Heere. Verder zijn er die gebukt gaan onder een belijden van schuld met de mond, maar niet in de daad. Een schuld belijden om naar buiten toe verder te kunnen, maar niet in blijken van boetvaardigheid naar het slachtoffer. Het is niet eenvoudig om bij ingrijpende zonde als slachtoffer het schuld belijden van de zondaar te aanvaarden. Dit laat zich niet afdwingen in het pastoraat.
Schuld belijden of biecht
In de Rooms Katholieke kerk kent men de vorm van schuld belijden in het sacrament van de biecht. Luther hield hier eerst ook nog aan vast. In de Rooms Katholieke Kerk belijdt men de zonde voor de priester. Dit gebeurt na erge zonde en door ieder lid minimaal éénmaal per jaar. De priester luistert dan naar het belijden van de zonde. Hij verleent absolutie - 'vergeving' - met de verplichting tot het doen van bepaalde goede werken, zoals bidden, het geven van een gift aan kerk of armen. Het bezwaar van de reformatoren tegen deze vorm van schuldvergeving was, dat men schuld voor de mens betaalbaar maakt. Zo protesteerde Luther tegen de biecht gekoppeld aan de aflaat.
Mijn schuld?
Wat is het nodig om de schuld, die er in je leven is, te leren zien. Jij en ik zijn daar van nature blind voor. De Heere opent in het heden der genade echter nog blinde ogen. Vraag dan aan de Heere of je je schuld mag leren zien. Als je gebukt gaat onder dat pak van zonde en schuld: de Heere is alleen bij machte om de zonde van de grootste der zondaren te vergeven in het bloed van zijn Zoon. Genade alleen leert een mens af om gedachteloos 'sorry' te zeggen, leert een mens af om met de zondeschuld ten opzichte van de naaste te kunnen voortleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 2004
Daniel | 40 Pagina's