JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Naar de stad

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Naar de stad

Een kijkje in de Middeleeuwen

14 minuten leestijd

Over de hobbelige zandweg dokkert een kar. Een schonkig paard trekt de wagen langzaam voort. Loom ploffen zijn poten door het mulle zand, zijn kop knikt bij elke stap. Op de bok - niet meer dan een brede plank die los op de zijkanten van de kar ligt - zitten een man en een jongen. Ze zeggen niet veel tegen elkaar, hun ogen staren over de kop van het paard in de verte. Daar ligt het doel van hun reis, de stad. De jongen gaat even verzitten. Onder zijn vuile muts steekt warrig blond haar, z'n groezelige handen houden losjes de teugels vast. 't Is een hele zit. Het valt hem eigenlijk bar tegen. Toen hij hoorde dat hij mee mocht, sprong hij een gat in de lucht. Vader had geprobeerd zijn enthousiasme wat te temperen, "'t Is een lange rit, Machiel. Je zult je gauw genoeg vervelen, een woelwater als jij houdt dat nooit uit." Machiel krabt eens onder zijn muts. Hij had zich inderdaad al gauw verveeld. Wat een saaie weg, wat een eentonige reis! Gisteren waren ze zeggen en schrijven twee mensen tegengekomen: een oud moedertje meteen magere geit en een boer die een onwillige koe voortdreef, 't Had even wat afleiding gegeven. In een oude, vervallen hut hadden ze geslapen. Nu nog een goed uur en dan zal hij de stad zien! Als Machiel daaraan denkt, recht hij zijn rug. De STAD! Ha, daar is van alles te beleven! Daar zal hij zich niet vervelen! Vader heeft er genoeg over verteld. De markt, de kerk, de winkels en misschien... misschien wordt er wel iemand opgehangen als zij er net zijn! Machiel voelt een rilling over zijn rug gaan als hij aan zoiets griezeligs denkt. Hij weet eigenlijk niet of hij daarnaar durft te kijken. Hij draait zich naar de man naast hem op de bok: "Vertel nog eens van de stad, vader."

 

Machiel kijkt zijn ogen uit

Op zijn gemak slentert Machiel door de nauwe hoofdstraat van de stad. Vader heeft hem de herberg gewezen waar ze vannacht zullen slapen. "Als de wijzer van de stadsklok recht naar beneden staat, moet je hier terug zijn. Ga nou maar rondkijken en pas op dat je geen ongeluk krijgt." De handen op de rug, zijn ogen goed de kost gevend, is Machiel op stap gegaan. De binnenkomst in de stad was al een belevenis voor hem. In de poorttunnel moest vader accijns betalen. De poortwachter bekeek nauwkeurig de lading en berekende snel hoeveel er betaald moest worden. Vader mocht ook met stenen betalen, maar die had hij niet bij zich. Nadat er voldaan was, reden ze de hoofdstraat in. Het geluid van de wielen die daarnet over de houten brug zoveel lawaai maakten, klonk hier dof en gedempt. "Dit is de Steenweg", had vader gezegd. "Er liggen echte keien, maar die kun je niet meer zien, omdat er zoveel vuil op ligt." Bij de herberg had vader even stilgehouden. "Blijf jij op de wagen, ik ga vragen of er nog plaats voor ons is." Hij was gauw terug. "Plaats genoeg, Machiel. We rijden nu naar de markt, daar heb ik wel een paar uur werk. Ga jij in die tussentijd maar eens rondkijken." Machiel lacht van louter genoegen. Rondkijken! Nou en of! Wat zal hij thuis veel te vertellen hebben!

 

De hondenslager

Nadat hij de gigantische kerk bewonderd heeft, loopt Machiel in de richting van het stadhuis. Daar is weinig te beleven voor een jongen van het platteland. Aan de vele klompen die voor het gebouw staan, kun je zien dat de vroedschap vergadert. Machiel strijkt met z'n hand langs één van de muren. Die zijn van steen. Dat dacht hij wel, maar hij wilde het zeker weten. Het dak ook, ziet hij. "Ja jongen", zegt een stem naast hem. "Daar kijk je van op, hè? Dat moet wel, want hier worden de stadsprivileges bewaard. Stel je voor dat er brand komt. Dan zou alle administratie van de stad verloren gaan." De hondenslager, die een hond bij zijn nekvel vasthoudt, kijkt Machiel lachend aan. "Straks komt de vroedschap naar buiten", zegt hij, "dan kunnen we lachen. Een kwajongen heeft alle klompen door elkaar geschopt. Ik kon hem niet te pakken krijgen, anders zou hij het geweten hebben." Hij bukt zich naar de hond die hij vast heeft. "Hier mormel, 's kijken of jij door de beugel kunt."

Hij pakt het tegenstribbelende dier wat steviger beet en duwt hem door een ijzeren ring opzij van het stadhuis. "Allo, verder!" Na wat duwen en stompen glipt het beest door de beugel de vrijheid weer in. "'t Is je geraden", bromt de man. "'k Had er gisteren één die niet door de beugel kon. Die moest ik natuurlijk afmaken." Machiel knikt maar eens. "Ja, ja natuurlijk." mompelt hij. De hondenslager werpt een blik op de stadsklok, "'k Ga maar eens op huis aan, het is zo tijd om te eten."

Machiel ziet met schrik dat de wijzer bijna beneden staat. Hij moet gauw makén dat hij bij de herberg komt, vader is een man van de klok.

 

"Dat kan niet door de beugel"

Met een zucht van welbehagen strijkt Machiel met de hand over zijn maag.

Wat heeft hij lekker gegeten! Op het tinnen bord voor hem liggen nog een paar afgekloven beentjes. Keurig ernaast de ijzeren pennen waaraan de waard de karbonades en worstjes bracht. De kroes waarin het schuimende bier werd opgediend, is tot op de bodem leeggedronken.

Vader kijkt zijn zoon eens aan. "Genoeg gehad?" Machiel knikt: "Nou en of! Vertelt u nou van die beugel aan de muur van het stadhuis?" Vader bestelt nog een kroes bier en legt dan uit waarom de hondenslager de hond die hij gevangen had, weer liet lopen. "Je hebt wel gemerkt dat er heel wat honden en katten rondlopen in de stad. Dat wordt toegestaan, want om en in de mesthopen langs de straten krioelt het van de ratten en muizen. Honden en katten zijn goede ratten- en muizenvangers. Ze zorgen ervoor dat er een heleboel ongedierte wordt opgeruimd. Maar als een hond te groot of te dik is, moet hij afgemaakt worden. Daar zorgt de hondenslager voor. Die pakt zo'n beest bij zijn nekvel en probeert of dat dier nog door de beugel kan. De hond die hij vanmorgen gevangen had, kon er dus nog net doorheen, daarom gaf hij hem de vrijheid."

Nu begrijpt Machiel het. "Onze hond zou er niet door kunnen, vader." Hij denkt aan Wodan, de grote wolfshond, die alle vreemdelingen van het erf houdt. Tjonge, wat is hij al lang van huis. Zou Wodan hem nog kennen?

 

Machiel vertelt

"Nog meer Machiel, nog meer." Zijn broertjes Sijmen, Wijnand en Jan en de kleine Grethe kijken Machiel de woorden uit z'n mond. En deze vertelt maar: van de boef die werd opgehangen en van de mensen die kwamen kijken.

"Vooraan stonden wel tien oude vrouwtjes. Die hadden het hardst gelopen toen er bekend werd dat er op het Galgenveld een misdadiger zou worden opgehangen. Tegenstribbelen dat die boef deed! Maar de beul kreeg hem toch bovenaan de ladder. Er zat ook een dief in de kerk", gaat hij verder, "die was daar binnengevlucht. En als je in de kerk bent, al heb je nog zoveel kwaads gedaan, dan mag niemand je eruit halen. Hij moet daar natuurlijk wel blijven, want zo gauw hij één stap buiten de kerk zet, wordt hij door de schout gevangen genomen. Die staat elke dag op de loer." Sijmen vindt het maar raar. "Gaat hij dan niet dood van de honger? In de kerk is toch geen eten?" Tja, daar heeft Machiel niet aan gedacht. "Misschien brengt zijn vrouw hem wel eten of een vriend van hem", oppert hij.

"Op de markt was een pelgrim", vertelt hij verder, "die was in het Heilige Land geweest. Hij verkocht steentjes die hij had opgeraapt bij de Zee van Galilea. Hij had ook flesjes Jordaanwater bij zich. Als ik groot ben, ga ik ook naar Jeruzalem of naar Spanje. De pastoor heeft gezegd dat daar ook een heleboel heilige plaatsen zijn." Ademloos hebben de broertjes geluisterd, maar Grethe begrijpt er niet veel van, ze speelt liever met de mooie schelpen die Machiel voor haar heeft meegebracht.

 

Ave Maria

Rondom het altaar waarop een paar kaarsvlammen het geheimzinnige duister in het kerkje proberen te verdrijven, staat een groepje jongens. Ze luisteren naar de oude dorpspriester die hun de betekenis en de symboliek van de mis uitlegt. Vooraan staat Machiel. Hij weet het allemaal al lang, toch luistert hij geboeid. Met grote eerbied kijkt hij naar de ouwel, die op het woord van de priester in het lichaam van Christus verandert. Met een kaars in de hand gaat pater Aduard de jongens voor op zijn ronde door de kerk. Bij elk beeld staat het groepje even stil. De jongens moeten zeggen wie het beeld voorstelt, welke wonderen hij of zij heeft verricht en welke ziekten door hem of haar kunnen worden genezen. Machiel kent ze allemaal. Bij het beeld van Maria staat de priester lang stil. "Zij is de moedermaagd", zegt hij vol heilige ernst. "Tot haar moeten jullie bidden. Zij is jullie voorspraak."

Een grote eerbied vervult het hart van Machiel. En als ze naar het voorbeeld van hun leermeester voor het beeld neerknielen, klinkt zijn heldere jongensstem boven alle andere stemmen uit: "Heilige Maria, moeder Gods, bid voor ons nu en in het uur van onze dood."

 

Naar het klooster

Over de kromme landweg lopen een oude man in een bruine pij en een jongen van een jaar of twaalf. Het is nog vroeg in de morgen, de zon staat amper boven de kim. Het belooft een warme dag te worden. De jongen moet zijn jeugdige snelheid aanpassen aan de langzame gang van zijn metgezel.

"Niet zo vlug, Machiel. De reis is nog lang en ons einddoel nog ver." Met moeite houdt Machiel zijn pas in. "Ik vind het niet ver meer, pater Aduard. Ik zou het best in één dag kunnen halen."

Pater Aduard lacht fijntjes: '"t Is nog geen middag, mijn jongen."

Zwijgend stappen ze nu een poosje door. Machiel heeft veel om over na te denken. Hij was vanmorgen het eerst op. Voorzichtig om niemand wakker te maken, was hij naar buiten geslopen, waar Wodan hem kwispelstaartend begroette.

"Vandaag brengt pater Aduard me naar het klooster, Wodan. Ik ga er schrijven en lezen leren. Misschien blijf ik er wel altijd en word ik heel knap. Ik krijg dan een eigen schrijfstoel met een inkthoorn, waarin rode of zwarte inkt zit. En ook kruikjes met goud- en zilververf en schelpen met kleurinkt en een heleboel penselen. Wat zal ik mooie letters maken. Zo mooi dat ik ze met bladgoud mag versieren." Als Machiel daaraan denkt, maakt hij een sprongetje van plezier. Ha, hij wordt de allerbeste tekenaar van het klooster. Wat!! Van het hele land!! Misschien mag hij dan wel naar de paus om zijn letters te laten zien of... Verder komt Machiel niet met zijn toekomstplannen. Een dikke boomwortel maakt een einde aan zijn fantasieën en de knappe tekenmeester ligt languit op de grond.

Pater Aduard schrikt, maar als hij ziet dat Machiel zich niet bezeerd heeft, zegt hij droog: "Zo zul je er wel gauw zijn."

"Ik... ik liep te denken", stottert Machiel terwijl hij overeind krabbelt. "Waarover?" wil de dorpspriester weten. "O, over later", zegt Machiel vaag. "Eh... vertelt u nog eens over Maria en Beatrijs." Maar de pater, die je nooit twee keer om een Maria-verhaal hoeft te vragen, wimpelt nu af: "Vanavond Machiel, we gaan nu eerst in gindse herberg wat eten en rusten."

 

Het perkament

In de ruime bibliotheek van het klooster te Nimwegen zit een jonge monnik in zijn schrijfstoel. Zijn pen glijdt in rustig tempo over het papier. Hij heeft een vaste en regelmatige hand van schrijven. Het papier dat hij gebruikt, is niet nieuw. Hij heeft het oude handschrift dat erop geschreven stond eerst zorgvuldig weggekrabd. Af en toe kijkt hij even op, knikt en schrijft dan weer verder. Als de eerste bel gaat voor het avondeten, staat hij op. Hij strooit een handjevol zand over de laatste regels, wacht even en schudt het dan terug in een bakje dat op de lessenaar staat. "Zo", zegt hij. "Dat is klaar. Ik zal het vanavond in mijn cel nog eens overlezen." Hij veegt zijn ganzenpen af en sluit met zorg de inktkoker. Dan rolt hij het perkament op en stopt het tussen zijn pij. Als hij zich die avond, ver na middernacht, eindelijk uitstrekt op zijn dunne matras, kraakt er iets onder hem. Hij glimlacht in het donker.

 

Ja, dat vertel ik aan alle mensen

Bij een vrolijk knappend houtvuur zitten een stuk of vijf mensen. Ze luisteren naar een jonge man, gekleed in een eenvoudig burgerkostuum, die het woord voert. Als hij zich even bukt om een blok hout in het vuur te gooien, verlichten de vlammen niet alleen zijn gezicht, maar ook een kale plek op zijn hoofd. Vreemd, hij is amper 25 jaar en dan al zo kaal!

"En toen, Machiel?"

De jonge man glimlacht. Denkt hij aan tien, twaalf jaar geleden? Toen werd er ook zo gretig naar hem geluisterd. "Wel Sijmen, toen stierf de oude vader Aduard. "Bid veel tot Maria", waren zijn laatste woorden. En dat heb ik gedaan. Zij was mijn hoop, mijn toevlucht. Een week nadat vader Aduard begraven was, deed ik mijn echte intrede in het klooster. Ha, wat studeerde ik! Het duurde niet lang of ik behoorde tot de besten! Toch was ik niet gelukkig." Hij kijkt de kring rond. Jan, Sijmen, Wijnand en Grethe kijken hem vol spanning, maar ook met een zeker wantrouwen aan.

"Maria liet mij in de steek", zegt Machiel. "Hoe ik haar ook smeekte de onrust in mijn hart weg te nemen, zij antwoordde niet." "Hoe kwam je zo onrustig?" wil Jan weten. Machiel geeft niet direkt antwoord. Hij port met een lange ijzeren staaf in het vuur. "Ik las van haar niets in de Bijbel. Ja, wel dat zij de moeder des Heeren was en de gezegende onder de vrouwen. Maar ik kon nergens vinden dat zij wonderen deed en pleitte voor de mensen bij God! Urenlang las ik in de Bijbel, nachtenlang sliep ik niet. Ik had gezondigd en Maria kon mij niet helpen. Mijn schuld tegenover God werd steeds groter, maar Maria stak geen hand uit naar mij. Ik vastte vele dagen, ik deed boete en sloeg mij met het koord dat ik om mijn pij droeg, maar niets hielp. Ik bad honderden Onze-Vaders en las niet meer in de Bijbel. Dat laatste hielp immers toch niet en maakte mij steeds onrustiger. Op elke bladzijde stond mijn vonnis getekend: SCHULDIG! Op een dag kreeg ik de opdracht een oud perkament, waarvan de letters bijna onleesbaar waren, over te schrijven. Eerst moest ik een ander blad zó bewerken dat daarop geschreven kon worden, want perkament is erg duur. Toen ik daarmee klaar was, kon ik beginnen." Hier stokt de stem van Machiel even. Er springen tranen in zijn ogen. "Het gedeelte dat ik moest overschrijven, was een tekst uit de brief van de heilige Paulus aan Timotheüs. En die tekst gebruikte God om mijn onrust weg te nemen. Daar stond helder en klaar het antwoord op al mijn bange vragen. Daar ontdekte ik waarom Maria mij geen antwoord kón geven. Luister, luister goed!" Er klinkt in zijn stem een toon door, die ieder de adem doet inhouden. "Want er is één God; er is ook één Middelaar Gods èn der mensen, de Mens Jezus Christus."

Het blijft even heel stil. Dan klinkt de stem van Grethe schuchter: "Heb je dat allemaal op het perkament geschreven dat je onder je matras liet liggen toen je uit het klooster wegvluchtte?"

Machiel knikt. Grethe begrijpt dat meer dan dat ze het ziet, zo donker is het bij de haard geworden.

"En ga je dat nu aan alle mensen vertellen?"

"Ja Grethe, dat vertel ik nu aan alle mensen!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 2004

Daniel | 32 Pagina's

Naar de stad

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 2004

Daniel | 32 Pagina's