Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid
Pagina's voor haar
De dagen rond de jaarwisseling doen een mens nogal eens terugdenken aan het verleden, aan de dingen die gebeurden. Zo vaak hebben we op Oudejaarsavond tegen elkaar gezegd: "Zo het is, zo blijft het niet". Zie het maar om ons heen: de een trouwt, de ander verhuist, een volgende wordt werkeloos en weer een ander krijgt te maken met een ernstige ziekte. Ook de wereld om ons heen verandert. Wat volgen de ontwikkelingen zich snel op!
Laatst kreeg ik wat oude kranten in handen en al snel was ik verdiept in het Dordrechtsch Nieuwsblad van vrijdag 18 oktober 1918. Ik las over de Eerste Wereldoorlog, in die dagen actueel nieuws: "Tot op heden zijn bijna een millioen Engelschen gesneuveld...".
Die oorlog had ook gevolgen voor het leven van alle dag. Voedsel, kleding, schoeisel was op de bon: "Degene, die een paar nieuwe schoenen noodig heeft, wendt zich dus tot het gemeentebestuur zijner inwoning...".
In een ingezonden stuk schrijft een huisvrouw: "...dat wij recht hebben op heele brooden van 8 ons en halve van 4 ons gewicht. Vanmorgen had ik op een heel bruin en 1 1/2 wit brood 1 1/2 ons tekort...".
Verder lezend, zie ik, dat "aan de gevolgen van de Spaansche griep in veertien dagen tijds niet minder dan 56 personen te Almelo stierven". Ook werden vanwege die ernstige ziekte op verschillende plaatsen de scholen gesloten.
Advertenties laten zien, hoe anders het in ons land toen was. Er worden 'crisis-kousen' aangeboden, in wol en katoen; een ander heeft 'rouwhoeden' te koop en in een advertentie lees ik over 'prima tweedehands werkschoenen'.
Een "eenvoudige Juffrouw van buiten, Naaister geweest zijnde, zoekt betrekking als hulp in de huishouding of bij kinderen ", en de Vereenigde Zeepfabrieken Zwijndrecht vragen "voor terstond indiensttreding draaiers, bankwerkers en koperslagers". Verder wordt een woning te huur gevraagd voor de huurprijs van 300 gulden per jaar en zijn er diverse openbare verkopingen van inboedels, waaronder "Eng. ijzeren en eiken Ledikanten met toebehoren".
Maar er zijn ook dingen hetzelfde, al zijn ze gekleurd door de tijd van toen: opgeschoten jongens ontrukten een tasje aan een Haagsche dame, bij de bierbrouwerij De Amstel is ingebroken, een goudsmid werd opgelicht door een paar "als heer geklede zogenaamde controleurs voor de haardstedenbelasting" en te Utrecht zijn in deze maand reeds elf rijwieldieven aangehouden...
Bijna een eeuw
Iemand die veel heeft zien veranderen in haar lange leven is 'vrouw Frens' uit Elspeet. Een jaar of veertig, vijftig geleden was 's zomers een deel van de boerderij aan de Veenweg verhuurd aan vakantiegasten. Mensen - meest uit de Randstad - zochten de rust van het dorpsleven en de schoonheid van de Veluwse bossen. Ook ons gezin bracht jaar op jaar onze vakantie door bij de familie Frens. Ik was zes jaar, toen ik daar voor 't eerst logeerde en wat genoot ik van het leven op de boerderij.
Vele jaren later zag ik op een Bondsdag in De Doelen een oudere vrouw in de voor mij zo bekende Hierdense klederdracht. Tot mijn grote verrassing was het vrouw Frens en in een gesprekje met haar vertelde ze, dat ze al vanaf de oprichting lid was van de vrouwenvereniging in Elspeet. Ook later kwam ik haar op bijeenkomsten tegen, want nog altijd was ze actief lid.
In mei van het vorig jaar werd vrouw Frens negen en negentig jaar. Wat een leeftijd! Maar al lijkt ze nog wel dezelfde als toen ik ruim 46 jaar geleden bij haar logeerde, ook voor haar is het waar, dat ouderdom met gebreken komt: de ogen worden minder en het gehoor is niet meer zo scherp. Het gevolg is, dat vrouw Frens niet meer naar de kerk kan en sinds kort ook de verenigingsavonden niet meer bezoekt, hoewel ze nog wel lid is. Toch zou ik haar graag nog eens ontmoeten om herinneringen aan vroeger op te halen. Bovendien is zij waarschijnlijk het oudste lid van alle vrouwen- en zendingsverenigingen en dat alleen is een bezoek al meer dan waard!
De afspraak werd gemaakt en zo rijd ik op een morgen naar de boerderij met het rode pannendak. Ja, hetzelfde stenen stoepje, dezelfde kamer met de houtkachel, hetzelfde geborduurde schilderij met daarop de letters W.W. (de initialen van haar meisjesnaam) en het jaartal 1936, toen ze de rode rozen borduurde. Hartelijk word ik ontvangen door vrouw Frens. Ze ziet eruit, zoals altijd, met haar zwarte mutsje, de wijde rokken en het zwarte vest. De omslagdoeken die bij de dracht horen, draagt ze niet meer. Al snel zitten we bij elkaar naast de grote tafel. Als het gesprek op haar hoge leeftijd komt, zegt ze: "Ik begrijp het zelf niet. Als ik terugkijk, is het maar een ogenblik. Het is zó voorbij, zeker in het licht van de eeuwigheid."
Uit een laatje van het dressoir haalt ze een mapje met foto's van haar 99e verjaardag. "Als ik jarig ben, houd ik dat in een zaaltje en dan komt de familie. M'n kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, ze komen allemaal! Kijk, op deze foto zie je ook de vrouwen van de vrouwenvereniging." Naar de vrouwenvereniging gaat ze niet meer, vertelt ze. Ze kan het gesprokene niet meer volgen en dat is jammer. In de loop der jaren is het op de vereniging ook wel veranderd. Ouderen zijn van de vereniging af en jongeren hebben hun plaats ingenomen. Haar eigen werk is al die jaren hetzelfde gebleven, het breien van sokken. Thuis heeft ze nu nog haar breiwerk van de vereniging. " Pak het maar, het ligt achter de stoel op de naaimachine." Eén sok is klaar, de andere half. Ik bewonder het breiwerk en ik vraag hoe ze dat nog kan zien. Nee, dat is niet nodig, zegt ze, want ze heeft er al zoveel gebreid, dat ze 't wel op gevoel kan! "Maar ik doe het niet meer. Dit is het laatste breiwerk..."
Zo komt het gesprek op alles wat veranderde. Wat zijn er al veel van de familie overleden. Het ene geslacht gaat en het andere geslacht komt. De foto's getuigen ervan: broers, schoonzussen, een zwager, een kleinzoon, ze leven niet meer. Zoveel mensen zijn er al weggevallen, dat er eigenlijk niemand van haar eigen leeftijd over is. Bijna iedereen die op bezoek komt, scheelt wel een generatie in leeftijd met vrouw Frens, "Is dat niet eenzaam?", vraag ik haar. Och, haar kinderen, klein- en achterkleinkinderen komen regelmatig bij haar.
Zelf houdt vrouw Frens, zoveel als ze kan, alle verjaardagen bij en dan is er altijd wel een van de familie die haar ophaalt en weer thuisbrengt.
Ook de omgeving veranderde. "Vroeger keek ik op, als er een auto op de Veenweg reed." Kwam er een auto aan, dan moest er wel wat bijzonders zijn. Op de boerderij was het vroeger ook heel anders. Zoveel machines als tegenwoordig waren er niet. Wat was dat een werk om het hooi van het land te halen! Een tractor was er ook nog niet. "Met paard en wagen reden we naar de wei." Ja, dat weet ik ook nog wel. Stevig door vrouw Frens omklemd - want anders val je eraf! - zat ik naast haar op de platte wagen, op weg om de koeien in de gemeentewei te melken. Nog hoor ik de lange rokken van vrouw Frens ruisen door het gras en het zingen van de melkstralen in de zinken emmer. "Ik mocht ook wel eens helpen melken", zeg ik tegen vrouw Frens, maar ik geef haar toe, dat dat niet best lukte. Om de koeien te gaan melken, nam de boerin ook vaak de fiets. Aan weerskanten van de fiets hing dan een melkbus. Eén van de melkbussen is nog bewaard gebleven, vertelt ze. "Tegenwoordig zetten ze er bloemen in..."
Ja, dat fietsen, dat gaat ook niet meer. Het verkeer is zo druk geworden en de auto's gaan vlak langs je heen. Nadat vrouw Frens een aanrijding kreeg, willen de kinderen niet meer dat ze de fiets pakt. Zelf naar het dorp gaan, kan dus niet. Dat maakt afhankelijk en dat valt niet mee, zeker niet voor iemand die jarenlang zo zelfstandig alles gedaan heeft. Toch klaagt vrouw Frens niet, al veranderde er door haar ouderdom wel veel en al werden allerlei dingen minder, moeilijker, onmogelijk soms. Ze kan echter zichzelf nog verzorgen, haar boterham klaarmaken, eens even buiten komen, met haar dochter op bezoek gaan. Dan blijft er toch veel over? Voor het warme eten en voor alles wat verder nodig is, zorgen haar zoon en schoondochter, die het achtergedeelte van de boerderij bewonen. "Nee, ik klaag niet. Ik word heel goed verzorgd, hoor!"
Terwijl we zo aan het praten zijn, laat vrouw Frens me de Bijbel en De Saambinder (beide in grote letters) zien. Zo kan ze toch nog lezen. Verder luistert ze graag naar de preken door de kerktelefoon. Op een oude omslag van Daniël schrijft ze elke zondag de psalmen en het gelezen Schriftgedeelte op. "Kunt u de preken nog volgen?" vraag ik. Dan krijgt het gesprek een wending. 't Gaat niet meer over alles wat veranderde, maar over dat wat altijd hetzelfde blijft, het werk van God in het hart van zondaren. Over Gods onpeilbare liefde in het zenden van Zijn Zoon Christus Jezus en dat voor de onwaardigste. "Ja", zegt vrouw Frens, "misschien doe je uiterlijk niets verkeerd, maar hier vanbinnen! Een mens leert zichzelf niet alleen als machteloos, maar ook als een vijand van vrije genade kennen. Tegenwoordig zijn ze bekeerd en blijven bekeerd en ze kunnen het altijd zomaar pakken. Ik niet. Maar van Góds kant ligt het vast. Daar komt het op aan..."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 2004
Daniel | 32 Pagina's