O eeuwigheid, kom ras!
De Apostolische Geloofsbelijdenis. Een jaar lang hebben we in Daniël stilgestaan bij de Twaalf Artikelen van het Geloof. Dit keer de laatste twee geloofsartikelen: ik geloof de wederopstanding van het vlees en een eeuwig leven. Ds. J. Schipper: "Het mag in het leven van Gods kind wel eens zijn: O eeuwigheid, kom ras, ik wou dat ik al bij u was."
Het christelijk geloof gaat over wonderlijke zaken. Zaken die we met ons beperkte mensenverstand maar voor een klein deel kunnen bevatten. Wat een wonder is de schepping geweest. Wat een wonder was de komst van Christus in het vlees. Wat een wonder is de wedergeboorte. Aan het slot gekomen van de bespreking van de Twaalf Artikelen van het Geioof, staan we nog een keer stil bij enkele van die mysteriën: de wederopstanding van het vlees en het eeuwige leven. We denken erover na met ds. Schipper, predikant van de Gereformeerde Gemeente van 's-Gravenpolder, en vragen hem allereerst waarom het zo belangrijk is niet alleen te geloven in een voortbestaan na de dood, maar ook in de opstanding van het vlees.
Ds. Schipper: "Velen willen wel geloven dat er 'iets' is na de dood, maar over het hoe en wat tasten ze in het duister en over het grote wonder van de opstanding van het vlees willen ze niet weten. Gods Woord en de belijdenisgeschriften zijn daar echter niet onduidelijk in. Het gaat niet alleen om de ziel. Christus is gekomen als de Zaligmaker om zondaren zalig te maken. En die zondaren hebben een ziel, maar ook een lichaam.
Natuurlijk is van die twee de ziel het voornaamste. Gelijk het lichaam meer is dan de spijs, is de ziel op haar beurt meer dan het lichaam. Maar het lichaam is niet minderwaardig. De Schrift noemt het lichaam een tempel. Reeds in Zondag 1 wordt beleden, dat ik met lichaam en ziel het eigendom van Christus ben en Christus zorgt geheel voor dat eigendom!
Ook het lichaam is betrokken bij de verheerlijking van God. Vandaar dat de scheiding tussen ziel en lichaam slechts tijdelijk is. Als de gelovige sterft, gaat zijn ziel terstond naar Christus, maar het lichaam daalt in de groeve en vergaat tot stof. Maar een ziel alleen is niet compleet. Daarom zal er zijn een wederopstanding des vleses. Dat is bepaald niet naar ons verstand. En dat is ook de reden waarom de wederopstanding des vleses vanouds bespot en geloochend is. Dat doen allen die zich niet onderwerpen aan het Woord van God. De opstanding des vleses zal een wonder zijn! Ze is ook tot troost van de Kerk."
Waarom wordt hier het woord 'vlees' en niet het woord 'lichaam' gebruikt?
"Dat is inderdaad opvallend. Nergens wordt in Gods Woord letterlijk gesproken over de opstanding van het vlees. In Job 19: 26 lezen we wei: En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Waarom wordt nu echter in de Twaalf Artikelen het woord 'vlees' gebruikt? Wel, het woord 'vlees' drukt in feite nog beter uit dan het woord 'lichaam' dat het om het stoffelijke en vergankelijke gaat.
En vlees staat tegenover geest! Er is van dat vlees niet zoveel goeds te zeggen. Het lichaam is door de zonde ontadeld en door de dood wordt het zelfs geheel onteerd. Toch krijgen we geen ander iichaam, maar ditzelfde lichaam terug. De Heere Jezus was na Zijn opstanding lichamelijk Dezelfde ais voor Zijn opstanding. Zelfs de kruiswonden waren nog te zien. Het zijn dus dezelfde lichamen en toch anders: het zijn verheerlijkte lichamen!"
Zegt de Bijbel iets over de eigenschappen van het verheerlijkte lichaam?
"Zeker, bijvoorbeeld in het bekende opstandingshoofdstuk 1 Korinthe 15 Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam (42-44). Paulus heeft dit dus verduidelijkt in vier tegenstellingen. Wat een groot onderscheid zal er derhalve zijn tussen de lichamen der goddelozen en die der godzaligen. Gods Woord zegt over de lichamen der goddelozen op de dag der opstanding niet veel. Maar wel dit, dat er ook voor hen een verandering zal zijn. Ze ontvangen een lichaam 'tot eeuwig afgrijzen': een gedrochtelijk lichaam dat afschuw inboezemt. Hun lichamen zullen met afschrik vervullen. De gevolgen van de zonde zullen in hun lichamen eeuwig openbaar zijn en steeds meer worden. Wat een onderscheid met de lichamen der godzaligen, waarvan Paulus zegt: een geestelijk lichaam in onverderfeliikheid, in heerlijkheid, in kracht!"
Wanneer begint eigenlijk het eeuwige leven?
"Het eeuwige leven begint voor de godzaligen reeds aan deze zijde van het graf. Om precies te zijn: dat begin ligt in het uur der wedergeboorte en die wedergeboorte wordt gewerkt door de Heilige Geest. Dan wordt de zondaar afgesneden van Adam en ingelijfd in Christus. Dat is het begin van het nieuwe leven, al is het natuurlijk wel zo, dat de door genade uit de duisternis opgetrokken zondaar ook zondaar blijft tot de laatste snik. Maar hij is wel een andere zondaar: in beginsel door de wedergeboorte en praktisch door de dagelijkse bekering.
Dus vangt het eeuwige leven reeds aan in deze bedeling. Het is een beginsel van de vreugde, die ze eens volmaakt zullen genieten. Wie hier beneden nooit iets van die eeuwige vreugde heeft leren kennen, mag geen hoop koesteren op de eeuwige zaligheid. Maar Mozes mocht in de oprechte keuze van zijn ziel reeds zien op de vergelding zijns loons. Dan mag het in het leven van Gods volk wel eens leven: 'O eeuwigheid, kom ras, ik wou dat ik al bij u was'.
Het is al zo onuitsprekelijk groot, als er iets van geopenbaard wordt aan deze zijde. Maar wat zal het dan zijn eenmaal te vertoeven in die storeloze vreugde en die nimmer eindigende volmaaktheid. Dan zullen ze Hem zien zoals Hij is! Dan zal het geen oase zijn, maar dan zijn ze in Kanaän. Ledeboer zegt: 'Dan is de strijder thuis en voor eeuwig naar zijn zin'.
Maar voordat het zo ver is, moet er op deze aarde nog veel strijd gestreden zijn. Aan de weg ter zaligheid is strijd verbonden. Die strijd kan zelfs in de laatste ogenblikken nog zeer hevig zijn. Ds. J.R. van Oordt, die in 1942 is overleden, kende aan het einde van zijn leven zo'n bange zielestrijd, dat hij dacht nog voor eeuwig verloren te zullen gaan. De aanvechtingen waren geweldig. Maar uit de benauwdheid heeft hij geroepen tot de levende God. En de Heere hoorde: Ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe; maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude. En tegen ds. J. Fraanje zei op zijn sterfbed: 'Hier ligt nu een onsierlijk mens, maar ik heb een sierlijk God boven mij'. Het beginsel van de eeuwige vreugde begint dus al aan deze zijde van het graf. Je zou kunnen denken aan het verschil tussen een knop en een bloem, als het gaat om de vreugde aan deze zijde en de vreugde in de eeuwigheid. Maar waar geen knop is, kan ook geen bloem bloeien. En waar het beginsel van het nieuwe leven - al is het nog zo klein - niet wordt gevonden, kan ook geen 'hope des eeuwigen levens' worden gekoesterd. De stroom van het eeuwige leven ontspringt dus in de wedergeboorte, vindt zijn bedding in het leven der dagelijkse bekering en mondt tenslotte uit in de hemel!"
Is het wel goed als in de prediking het eeuwige leven soms wordt voorgesteld als een voortdurende kerkdienst?
"Volgens mij wordt die vergelijking op deze wijze nooit in de prediking gemaakt. Wel wordt soms gezegd: 'Als je het in de kerk nog geen uurtje uit kan houden, hoe zal het dan in de hemel moeten?' De vergelijking tussen het eeuwige leven en een voortdurende kerkdienst gaat natuurlijk niet op. Een kerkdienst op deze aarde is altijd zeer ten dele, wat de vervulling van het grote doel betreft: de ere Gods. In een kerkdienst blijft alles onvolmaakt, want je hebt aan deze zijde met zondaren van doen. Ook in een kerk nemen we onszelf mee!
We zijn wel onder de bediening van het Woord en onder de bediening van het verbond en dat is een groot voorrecht. Het zal echter moeten gaan om het wezen van de zaak. Zoals we gezien hebben, wordt dat wezen in beginsel hier gevonden, maar in zijn volmaaktheid in de volkomen gemeenschap met God in Christus in het eeuwige leven. Aan die gemeenschap komt nooit een eind. En daarom wordt wel eens gezegd: 'Die Kerk gaat nooit meer uit'!"
Vaak wordt gezegd dat Gods kinderen eeuwig in de hemel zullen zijn. Maar hoe verhoudt zich dat tot het geloof in een nieuwe aarde?
"Over 'een nieuwe hemel en een nieuwe aarde' wordt op diverse plaatsen in Gods Woord gesproken. Zo verwachten wij naar Gods belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3: 13). Deze belofte staat al in het Oude Testament, zie Jesaja 65: 17 en 66: 22. En Johannes zag de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in een visioen (Openbaring 21: 1). Het einde sluit dus aan bij het begin: In den beginne schiep God den hemel en de aarde (Genesis 1: 1). Maar het einde is meer dan het begin. Alles is nieuw geworden. Niet in de zin waarin iets nieuws bij ons het oude eenvoudig vervangt, maar nieuw door een wonder van God, waardoor het altijd nieuw biijft.
In Gods Woord is de hemel de woonplaats van God en de aarde is aan de mensen gegeven. Overigens behoren de hemel en de aarde krachtens de schepping bij elkaar, maar door de zonde is er een scheiding gekomen. Toch wilde God, naar Zijn soeverein welbehagen, ondanks de zonde, door zijn Zoon tot zondaren komen. Hij wil de gemeenschap herstellen door herscheppende genade. Dan verbindt de Heere Zijn woonplaats met die van de mensen: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn (Openbaring 21: 3). Veel van wat Jobannes beschrijft in de Openbaring behoort echter voor ons tot de verborgenheden. Wel wil ik nog graag doorgeven wat ds. G.H. Kersten in zijn Dogmatiek erover schrijft: Gans de schepping zal juichen tot Gods heerlijkheid en een verlustiging zijn voor de heilige engelen en de gezaligden der mensenkinderen. Zij allen zullen hun woonplaats in de hemel hebben, doch het is geenszins onmogelijk te achten, dat zij ook op de nieuwe aarde vertoeven kunnen. Menigmaal hebben de engelen tijdelijk op aarde verkeerd. Zouden zij zich in de nieuwe schepping niet naar de aarde begeven kunnen? En zouden de gezaligden der mensenkinderen met hun onsterfelijke en onverderfelijke, maar toch ook hemelse en geestelijke, hoewel wezenlijke lichamen de aarde niet mede hebben tot hun verblijfplaats, om hun God en Koning met de werken Zijner handen eeuwig en volmaakt te dienen?'
Hoe het er op die nieuwe aarde precies uit zal zien, weten we niet. Het is iets wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen. Eén ding is zeker: daar zal een volmaakte gemeenschap zijn en een vrede die alle verstand te boven gaat. De Heere schenke ons door wederbarende genade de beginselen van die vreugde alhier en het verlangend uitzien naar dat hemelse Jeruzalem:
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw naam verhogen?"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 2003
Daniel | 21 Pagina's