JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Ashra, de asielzoeker

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ashra, de asielzoeker

Verhaal

18 minuten leestijd

"Mam, mam, daar komen ze weer!" Met een klap gooit Ashra de deur van het huis open. "Ze komen eraan!" Verschrikt kijkt moeder naar Ashra. "Alweer? Waar zijn ze al? Snel, jongen, ren naar de buurvrouw en neem Falih mee!"

Ashra grijpt zijn kleine broertje Falih van twee snel uit zijn stoel en rent door de achterdeur, via de achterplaats, naar het huis van buurvrouw Moeshi. "Kom maar, Ashra, ik heb ze ook al gezien." Buurvrouw Moeshi trekt Ashra en Falih op haar schoot. "Stil maar, Ashra, het zal deze keer ook wel goed komen. Of... is je vader thuis?" Vader? Nee, die is gelukkig niet thuis. Hij is vanmorgen al vroeg weggegaan. Dat gebeurt steeds vaker, de laatste tijd. Ashra vindt dat helemaal niet fijn, maar moeder heeft gezegd dat hij daar niet over moet klagen. Als God voor vader veel werk te doen heeft, dan moet vader dat doen, of het nu veel tijd kost of niet. Stil had Ashra toen zijn hoofd gebogen. Moeder had gelijk gehad. Ze had er nog bij gezegd dat de discipel Petrus uit de Bijbel ook altijd met zijn Meester mee moest. Zelfs toen zijn schoonmoeder op sterven lag.

Natuurlijk vindt Ashra het mooi dat vader een knecht van de Heere mocht zijn. Maar het is zo gevaarlijk in hun land. De mensen geloven er in Allah, ze zijn moslim. En erger nog, ze haten de christenen en zitten hen zo veel mogelijk dwars. Zij treiteren en dagen de christenen uit om iets slechts over Allah of de profeet Mohammed te zeggen, want wie dat doet... mag gevangen genomen of zelfs gedood worden. En daar is Ashra nu het bangst voor.

Zullen zij zijn vader ook een keer te pakken nemen, omdat hij een echt christen wil zijn en niet over zijn God wil zwijgen? Het is nu al de derde keer deze maand, dat de politie om z'n vader komt. Ze willen hem verhoren op het bureau en zullen net zo lang met God spotten tot vader niet meer zal kunnen zwijgen. Tot hij zal zeggen dat hij zijn Meester, de enige ware God, niet mag verloochenen. Dan zullen ze hem hebben! Dan heeft hij slecht over Allah gesproken en mogen zij hem slaan, schoppen, gevangen houden. Dat zal de andere christenen afschrikken om over God in de hemel te spreken. Dan zal alleen de naam van Allah nog maar gehoord worden. Daar zijn de leiders van dit land op uit. Allah akbar! Allah is God!

 

Troostend slaat de buurvrouw haar armen om de jongens heen. "Stil maar, ik ben bij je", mompelt ze. En de Heere ook, denkt Ashra er achteraan en dat geeft hem troost. De Heere is er ook. Hij zal moeder helpen, net als alle andere keren. Maar dat durft hij niet hardop tegen de buurvrouw te zeggen. Buurvrouw Moeshi is ook moslim, maar niet zo fanatiek als de leiders van het land. Buurvrouw Moeshi staat altijd voor hen klaar, of ze nu christen zijn of niet.

Na een paar minuten horen ze de deur van Ashra's huis met een klap dicht gaan. De politie gaat weer weg. Woedend zijn ze. 't Is nu al de derde keer dat ze voor niets komen. Die man is nooit thuis! En van z'n vrouw worden ze ook niet wijzer. "Wacht hier maar even", zegt buurvrouw Moeshi, "dan ga ik eerst even bij je moeder kijken. Blijf jij maar hier met Falih."

 

"Ashra, Ashra, wakker worden, Ashra..." Ashra schiet overeind in bed. "Hè, eh, ja mama, wat is er?" "Kom Ashra, je moet uit bed. Je moet je aankleden, we gaan weg." Weg? Midden in de nacht? Ashra wrijft in zijn ogen.

"Niets vragen Ashra, doe wat ik zeg." Ashra hoort de spanning in moeders stem. Als hij zich aankleedt, hoort hij vaders stem in de kamer van Falih. Vader is dus weer thuis. Het is wéér goed afgelopen. Ze hebben vader niet gevonden en moeder niets gedaan. Gelukkig vertelt vader haar nooit waar hij naartoe gaat, dan kan ze het ook niet verraden als de politie haar zou dwingen om de waarheid te zeggen. Vader was nog niet thuis toen Ashra al naar bed moest. En ze wisten niet waar hij was, of hij veel werk had, of iemand hem gewaarschuwd had voor de politie, of dat hij misschien juist opgepakt was. Maar één ding wisten zij wel en dat gaf hen kracht: waar vader ook was, de Heere zou dicht bij hem zijn. 

 

"Papa! Bent u er weer?" "Ja Ashra, de Heere heeft bijzonder voor ons gezorgd vandaag. Maar het wordt te gevaarlijk, jongen, we moeten vluchten." Vluchten? "Nee, vader, ik wil hier niet weg. Ik wil hier blijven. Nee!" Stampvoetend staat Ashra voor vader. Die legt een hand op zijn schouder. "Jongen, we hebben geen keus meer. Ze zullen ons slaan, gevangen nemen en misschien wel doden. Ze zullen terugkomen, net zo lang tot ze mij hebben. We zijn niet veilig meer. Mama en ik hebben er de laatste dagen veel over gesproken. Wij hadden hier ook graag willen blijven. We hebben hier ons huis, onze vrienden, buurvrouw Moeshi...

Jij hebt hier ook veel, ik weet het. Je houdt van dit dorp, de mensen, de bergen, de rivier... Maar lieve Ashra, dat zijn maar dingen van deze tijd. De Heere zal met ons meegaan, dat is het belangrijkste. Hij zal ons een nieuw huis geven, een nieuw dorp, nieuwe vrienden. Maar het zal niet in dit land zijn. We gaan asiel aanvragen in een ander land. Het zal nooit meer worden zoals hier, maar misschien zullen we daar vrijer over de Heere mogen praten en zullen er meer christenen om ons heen wonen. En zelfs, Ashra, als dat tegenvalt, zul je dan nooit vergeten dal ons leven op de aarde maar heel kort is als je het vergelijkt met de eeuwigheid? Misschien worden we op de aarde nooit meer echt gelukkig, maar straks in de hemel zal alles heerlijk zijn bij God en dat houdt nooit meer op!"

Stil buigt Ashra het hoofd. Hij weet het, maar het is zo moeilijk. Hij houdt zo veel van de dingen op deze aarde. Zijn dorp, zijn vrienden, de rivier, zijn speelgoed. Dat mag toch?

 

In de donkere nacht gaat Ashra met zijn vader en moeder op weg. Ze hebben voor alle vier een koffer ingepakt met kleding, schoenen, foto's en anderen dingen waarvan ze houden. Niet alles kon mee. Ashra moest zijn stenenverzameling in de la laten liggen van vader. Dat kon niet mee, hij zou heus nog wel andere stenen vinden. Veel om mee te nemen hadden vader en moeder niet. De afgelopen weken had vader wat dure spullen verkocht. Waarom wist Ashra niet.

Falih is achterin de auto in slaap gevallen. De oude auto schokt over de donkere kapotte wegen. De koffers achterin de auto klappen bij iedere kuil tegen de klep van de kofferbak. Het stof waait door de open ramen naar binnen.

Hij sluit zijn ogen. Hij wil niet kijken naar vaders gespannen handen om het stuur, hij wil het dorp, het land, waar hij zo van houdt niet achter zich zien verdwijnen. Hij kijkt naar Falih, die daar lekker ligt te slapen. Kieine Falih begrijpt er tenminste niets van, hij weet niet dat ze hier misschien nooit meer terug zullen komen.

Ze gaan naar Europa, heeft vader gezegd. Daar zijn al meer mensen uit hun land naar toe gevlucht. De meesten omdat zij vervolgd werden, anderen omdat zij dachten in Europa rijker te kunnen worden en weer anderen... ach, wat doet het er toe.

Wat heeft Ashra daar aan. Hij wil hier niet weg, hij wil blijven. Ook al weet hij dat het niet meer kan. "Heere, waarom wij?" gonst het in zijn boze, verwarde hoofd.

"Heere, gaat U met mij en mijn gezin mee?" bidt vader stil.

"Heere, help ons." Moeder kijkt naar de donkere sterrenhemel. En Falih slaapt maar. De anderen durven niet met elkaar te praten. Ze weten ook niet wat ze moeten zeggen.

 

In de verte doemen de lichten van het vliegveld al op. Moeder pakt de paspoorten en de vliegtickets. Vader ziet de vliegtickets in de hand van moeder. Die kaartjes voor het vliegtuig zijn belangrijk. Ze hebben heel veel geld gekost. Hij heeft er veel voor moeten verkopen. De klok en het dure servies, dat nog van zijn ouders geweest was. De mooie glazen lamp, die zij met het trouwen gekregen hadden van een rijke oom. De zilveren geboortebekers van de kinderen, waar zij uit mochten drinken als het feest was. Allemaal dingen waar zij veel van hielden. Alleen de gouden kettingen van moeder en de gouden ringen waren overgebleven, omdat ze nog van moeders opa en oma geweest waren.

"Maar", denkt vader, "al die dingen van de aarde kunnen we niet meenemen naar de hemel." En toch deed het veel verdriet om ze te verkopen. Maar de vliegtickets waren het waard: de prijs voor de vrijheid.

"Uw tickets." Chagrijnig kijkt de man op het vliegveld hen aan. Verveeld pakt hij de papieren van vader aan. Hij kijkt er niet eens naar, zet er een stempel op en geeft de tickets terug. Vader kan met zijn gezin het vliegtuig in. Ze zouden opgelucht moeten zijn, omdat zij nu naar een veilig land gaan, maar het doet pijn om hun land te verlaten. Misschien komen ze hier nooit meer terug.

Ashra raakt nog even met zijn hand het stof van de grond aan, voordat hij de trap van het vliegtuig op klimt. "Dag", zegt hij zacht. Vader en moeder pakken elkaar bij de hand beet, vader fluistert zacht: "De Heere gaat mee." Moeder knikt en neemt Falih op haar arm. Met haar andere hand pakt ze de hand van Ashra. Haar hart bidt: "Heere, gaat u met ons mee?!" En dan klimmen ze het vliegtuig in.

 

In het vliegtuig vergeet Ashra even zijn verdriet. Hij heeft nog nooit zo'n groot vliegtuig van binnen gezien! Als het vliegtuig opstijgt, krijgt hij een heel apart gevoel in zijn buik. Beneden zich ziet hij de lichtjes van het vliegveld steeds kleiner worden.

De maan schijnt over het donkere land. "Dag land", zegt Ashra heel zachtjes. Maar vader heeft het toch gehoord. Hij neemt Ashra's hand en zegt: "Ashra, de Heere Jezus moest ook als kleine jongen vluchten naar Egypte, omdat Herodes Hem wilde doden. Maar Hij mocht later weer terug gaan naar zijn eigen land. Misschien komen wij ook wel een keer terug. De Heere kan wonderen doen, jongen." Met zijn hand stevig in vaders hand valt Ashra even later in slaap. Alle spanning van vandaag, om vader en om het vertrek, het vluchten in de nacht... Ashra is zo moe.

 

Ashra schrikt wakker als vader de gordels van zijn vliegtuigstoel vastmaakt. Een vrouwenstem roept door de microfoon: "Wij naderen de luchthaven Schiphol in Nederland. Wilt u uw veiligheidsgordels omdoen, alstublieft?"

Ashra ziet door het raam de lampen van de landingsbaan steeds dichterbij komen. Het land is vol met huizen en gebouwen. Onder hem ziet hij een wirwar van wegen, waar veel auto's op rijden. Ashra is best nieuwsgierig. Hoe zal het land er precies uit zien? Wat voor mensen wonen er? Zal het er erg koud of erg warm zijn? Wat eten de mensen? In wat voor huis zullen zij gaan wonen?

Als hij opzij kijkt, ziet hij het gespannen gezicht van vader. Nee, laat hij nu maar niets vragen. Vader bijt op zijn lip. Hij is zenuwachtig. Hij moet voor het gezin zorgen, maar hij weet ook niets van dit land en weet niet waar ze terecht zullen komen. De meneer, die voor de paspoorten en de tickets heeft gezorgd, had niets over Nederland willen vertellen. Hij had alleen gezegd: "Als ze moeilijk doen, moet je maar 'asiel' zeggen. Dan word je altijd geholpen."

 

Onzeker lopen vader en moeder met hun kinderen de trap van het vliegtuig af. Onderaan de trap staan agenten, marechaussees. Zij vragen aan iedereen om het paspoort. Als zij het paspoort bekeken hebben, mogen de mensen doorlopen. Vader geeft ook de paspoorten aan één van de marechaussees. De man zegt iets in het Engels tegen vader. Vader begrijpt het niet helemaal. De man gebaart dat zij even naast de marechaussees moeten wachten. De paspoorten houdt de marechaussee in zijn hand. Hij geeft ze niet terug. Waarom niet? Alle mensen krijgen toch hun paspoort terug? Waarom mogen zij dan niet doorlopen?

Vader kijkt onzeker naar moeder en die kijkt bezorgd terug. Is er iets niet goed? Of is het in Nederland ook niet veilig? Heeft de politie van hun eigen land al gemerkt dat zij gevlucht zijn? Zullen zij hier alsnog gevangen genomen worden? Ashra voelt dat zijn vader en moeder bang zijn. Angstig kijkt hij om zich heen.

 

Als de laatste mensen uit het vliegtuig zijn, gebaart de marechaussee dat vader en moeder mee moeten komen. Moeder heeft de kleine Falih op haar arm. Ashra pakt snel haar andere hand. Hij ziet dat haar ogen glinsteren van de tranen. Ze worden naar een kantoor gebracht en mogen daar op een stoel gaan zitten. De marechaussees praten met vader in het Engels. Ze vragen waar vader vandaan komt en wat hij met zijn gezin in Nederland komt doen. Hij moet ook vertellen hoe hij aan de paspoorten en tickets komt en hoeveel hij ervoor betaald heeft. Vader probeert in het Engels op alles een antwoord te geven, maar hij voelt dat het moeilijk gaat worden. Geloven de mannen hem niet? Geloven ze niet dat hij in zijn land gedood zal worden? De mannen blijven steeds maar zo strak kijken. Er is geen medelijden of begrip op hun gezicht te zien. Denken ze dat vader en moeder naar Nederland gekomen zijn om rijk te worden? Denken zij dat vader een verhaaltje verzint?

 

Er wordt nog een andere marechaussee bijgehaald. Ook hij gaat vragen stellen aan vader. Ook hij wil alles weten. Weer vertelt vader het hele verhaal. Van de politie, die steeds kwam, van de paspoorten en tickets, van het vluchten in de nacht. Alles wordt opgeschreven. De paspoorten worden gekopieerd. Eén van de marechaussees zit te bellen. Ashra hoort de naam van zijn land. Hij hoort ook de namen van vader en moeder. Wat is er toch aan de hand?

Ashra zucht er van. Falih zit bij moeder op schoot te huilen. Die snapt er natuurlijk ook niets van. Hij zal vast wel honger hebben. Maar moeder heeft niets meer in haar tas zitten, ze hebben het laatste brood opgegeten. Vader had beloofd dat ze op het vliegveld nieuw brood zouden kopen. Maar als het zo doorgaat komen ze nooit aan eten toe. Wat duurt het toch lang. Hoe lang zitten zij hier nu al? Opeens draait vader zich naar moeder om. "De paspoorten zijn vals", zegt hij "Wij zijn bedrogen. Nu mogen we dit land niet in." Valse paspoorten? Hoe kan dat? Hebben ze daar zoveel geld voor moeten betalen, voor neppaspoorten? Moeder schrikt. Hoe moet dat nu? Mogen zij nu met hun kinderen het land niet in? Moeten ze terug naar hun eigen land? Maar dat kan niet! Vader zal gelijk opgepakt worden. Ze zullen vader zelfs extra straffen, omdat hij geprobeerd heeft te vluchten. Ashra snikt het uit. Heere, hoe moet het nu? Weet U een oplossing?

Ashra hoort vader een paar keer het woord 'asiel' zeggen. Thuis had vader dat woord ook een keer gebruikt. Hij had erbij verteld dat het woord betekent: "Mag ik in uw land wonen?". Ja, hier in Nederland wil Ashra blijven. Hij wilde wel niet van huis weg, maar thuis is ook de politie, die vader gevangen wil nemen. Ze kunnen niet meer terug.

 

De marechaussees brengen vader, moeder en de kinderen naar een wachtruimte. Daar moeten ze weer wachten. Ashra weet niet waarop. Het is best aardig in deze kamer. Er zijn tafels, stoelen, een bank, speelgoed en zelfs eten. Heerlijk, want Ashra heeft net als Falih erg veel honger gekregen. Vader neemt maar een klein beetje eten en moeder zelfs helemaal niets. "Wij hebben niet zo veel trek, Ashra", zegt vader. "Dat komt omdat het allemaal zo spannend is, want misschien... misschien moeten we wel terug."

"Terug? Nee hè, vader, dat kan niet." "Het zal heel erg zijn, Ashra, maar als het Gods plan met ons is, dan zullen wij ons daar bij neer moeten leggen." Terwijl vader het zegt, kijkt moeder Ashra aan. Haar ogen staan moe en verdrietig "Zullen wij bidden met elkaar? De Heere alleen kan helpen."

Dan bidt vader met zijn gezin. Zomaar hardop in de wachtruimte op Schiphol. Hij bidt om Gods kracht, hij bidt om hulp, hij bidt zelfs om berusting als ze toch terug moeten. Ashra luistert stil. Wat is vader toch dapper. Wat is vaders geloof toch groot. Ashra zou niet rustig kunnen blijven als ze terug moeten.

 

Uren zitten ze nu al in de wachtruimte. Er zijn inmiddels meer mensen binnen gekomen. Naast vader zit een lange jonge man. Hij vertelt dat hij ook asiel heeft aangevraagd. Hij had een heel mooi verhaal verzonnen over zijn vader, die opgepakt is en nooit meer terug is gekomen. En dat hij bang was geworden en daarom gevlucht was. Hij had het met veel tranen aan de marechaussees verteld. Maar ze hadden hem door gehad. Elk woord dat deze man vertelde was verzonnen. Hij was hier niet naar toe gekomen omdat hij moest vluchten, maar om rijk te worden. Vannacht gaat er een vliegtuig terug naar zijn land. Hij komt Nederland niet binnen. "Misschien probeer ik het volgend jaar weer", zegt de man, "want Nederland is een prima land met goede ziekenhuizen, dure auto's, mooie huizen. Het is alleen jammer dat het hier vaak regent en koud is. Maar vooruit, er zijn ergere dingen tenslotte."

Ashra heeft het verhaal aangehoord. Deze man krijgt geen asiel. Hiij wordt gewoon teruggestuurd. Dat kan dus. Hij wordt steeds ongeruster. Moeder en Falih zijn op een bank in slaap gevallen. Een mevrouw heeft aan moeder een deken gegeven. Ashra heeft ook een deken gekregen, maar hij kan niet slapen. Hij heeft ook zoveel om over na te denken. Het lijkt wel of het al een week geleden is, dat de politie weer kwam en dat zij gevlucht zijn. Toch is het nog maar één dag geleden. De vorige nacht zijn ze thuis weg gegaan. Wat is er inmiddels veel gebeurd. Maar aan de andere kant, wat is er nog weinig gebeurd. Want ze zitten nu nog steeds in de wachtruimte op Schiphol. Ze weten na een hele dag wachten nog steeds niet of ze Nederland in mogen of niet. Ashra zucht er van. Hoe moet het nu? Hoe lang gaat dit nog duren? Ashra verlangt naar een gewoon bed om in te slapen. Op deze stoel in slaap vallen lukt niet. Moet hij morgen weer op deze stoel slapen? Daar heeft hij echt geen zin in! Of... zal hij morgen weer in zijn eigen bed slapen? Teruggestuurd...

 

Het lukt vader ook niet om in slaap te komen. Hij denkt en hij bidt. Om asiel. Hij merkt dat Ashra ook nog wakker is. "Ashra, kun jij ook niet slapen? Weet je, ik moet steeds aan de Heere Jezus denken. Hij had het nog veel moeilijker dan wij. Zijn leven lang is Hij een vreemdeling geweest. Voor Hem was nergens plaats. Al voor zijn geboorte moest Zijn moeder naar Bethlehem, waar geen plaats was in de herberg. En later moesten ze naar Egypte vluchten. En zelfs toen Hij volwassen was, had Hij niets om Zijn hoofd neer te leggen. Er was op de aarde zelfs geen plekje voor Hem om te sterven; dat moest nog aan het kruis."

Ashra kijkt zijn vader aan. "Voor ons is er in ons eigen land ook geen plaats meer en misschien mogen wij hier ook niet blijven, hè? En we zijn arm geworden. Zullen wij nu ook altijd arm blijven?"

"Zou je dat erg vinden, Ashra?" "Ja natuurlijk, wie wil er nu arm zijn?" "De Heere Jezus. Hij wilde arm worden om Zijn kinderen rijk te kunnen maken. Ook al heb je op aarde niets, maar je hebt de Heere wel in je hart, dan ben je toch rijk."

 

Als Ashra 's morgens wakker wordt, gaat juist de deur open. Een mevrouw staat in de deuropening, "Wilt u met mij meegaan om pasfoto's te maken?" Ze mogen Nederland binnen. Voorlopig zullen ze in een Opvangcentrum mogen wonen tot de rechter zal zeggen of zij voor altijd mogen blijven. Terwijl Ashra aan vaders hand mee loopt, zegt hij zacht: "Dank u wel, Heere, dat wij nu niet terug hoeven. Wilt U er voor zorgen dat wij hier in Nederland mogen wonen? Maar vooral, Heere, wilt U ook in mijn hart komen wonen? En wilt U met ons meegaan, waar dan ook naartoe?" Dan stapt Ashra het busje in.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 2003

Daniel | 26 Pagina's

Ashra, de asielzoeker

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 oktober 2003

Daniel | 26 Pagina's