Jaap Zijlstra: De zilverling
LeesWijzer
In de prozaschrijver Jaap Zijlstra is de dichter duidelijk aanwezig. Dat merk je niet alleen aan het feit dat gedichten een belangrijke rol spelen in het verhaal dat hij vertelt; enkele ervan staan zwart op wit afgedrukt. Ook in de taal die hij hanteert is het dichterlijke aspect telkens weer heel duidelijk merkbaar. En evenals in zijn poëzie kan de lezer in zijn proza genieten van allerlei woordspelingen. Dit jaar verscheen van Jaap Zijlstra bij Uitgeverij Kok Kampen De zilverling, kleine roman. In kort bestek houdt hij zich - en de lezer - bezig met de vraag: Wat is goed, wat is kwaad? In kort bestek, want het uit vijftien genummerde hoofdstukken bestaande boek telt toch slechts 101 pagina's tekst. Het verhaal speelt zich af in twee tijdlagen. In het heden hebben we te maken met de ik-verteller, die na vele jaren nog altijd worstelt met de vraag of hij in de oorlog juist gehandeld heeft. In het verleden krijgen we te maken met (vooral de eerste) oorlogsdagen in mei 1940 en met de studententijd van de ik-verteller, kort na de oorlog. Door korte en langere flashbacks laat hij ons met die periodes kennismaken.
De hoofdpersoon heet Jelmer Keegstra, is gepensioneerd leraar Nederlands en woont in Amsterdam. Hij is een liefhebber van beeldende kunst en literatuur en heeft enkele dichtbundels op zijn naam staan. Toen de oorlog begon was hij 11 jaar oud. Hij was als kind een gesloten jongen, een dromer, een denkertje. In de eerste vijf dagen van de oorlog heeft hij een Duitse soldaat, die zich schuilhield in de achtertuin grenzend aan de duinen, van voedsel voorzien. Mijn moeder noemt mij een solist. Wij noemen dat een Einzelgänger, haakte Horst op mijn woorden in. Voor mij ben je geen eenling. Je bent mijn kleine kameraad. Toch blijft hij ook later wel enigszins eenzaam. Als student heeft hij een korte tijd verkering gehad, maar het meisje maakte daaraan een einde. Het lijkt erop dat hij daarna alleen gebleven is.
Twee andere personen spelen een belangrijke rol in dit boek. Ten eerste de Duitse soldaat Horst Zimmermann: Ik ben geen nazi, maar wel een Duitser. Ik moet meedoen. Befehl ist Befehl. In mijn hart ben ik geen militair. Ik ben meubelmaker en in m'n vrije tijd heb ik veel aan muziek gedaan. Ik wil orgelbouwer worden. Jelmer praat heel wat af met Horst, die hier een horst, een schuilplaats, vindt. Ten tweede is er de zwerver Gerwin van der Kolk, die hij uit het Weteringplantsoen mee naar huis neemt. In het verhaal is er dan wel een jaar of vijftig, zestig voorbijgegaan. Daarom zal ik eerst een chronologisch overzicht geven van de gebeurtenissen.
Op de eerste oorlogsdag loopt de elfjarige Jelmer de tuin in, die aan de duinen grenst. Hij is optimistisch gestemd: David versloeg toch ook Goliath? Zijn vader is ingezet aan de Afsluitdijk bij Kornwerderzand om ons land te verdedigen. Achter in de tuin, achter het tuinhuis, treft hij een Duitse soldaat aan, Horst Zimmermann. Een vijand dus. Toch helpt Jelmer de Duitser en hij brengt hem enkele dagen eten en drinken. Hij wijst hem zelfs een schuilplaats aan als Nederlandse militairen in hun tuin naar Duitse soldaten komen zoeken. Jelmer vergelijkt zichzelf met de raven die Elia voedsel brachten. Op de dag van de capitulatie kan Horst zich bij zijn legeronderdeel voegen. Als dank geeft hij Jelmer een zilveren medaille die hij ooit had gewonnen bij een zwemwedstrijd.
Tijdens de oorlog heeft Jelmer nóg een verwarrende ervaring gehad. In het duingebied hielden de Duitsers nogal eens oefeningen. Dat gebied werd goed afgezet. Toch oefende die plek een enorme aantrekkingskracht uit op jongens: ze wilden daar wel lege hulzen zoeken. Op een dag verongelukt daar een van de jongens. Terwijl een ander hulp haalt, gaat Jelmer naar de zwaargewonde jongen toe. Toen ik Jantje probeerde op te tillen, gilde hij zo doordringend, dat ik mijn poging meteen opgaf. Hij had pijn, misschien moet ik wel zeggen: hij was pijn. Heb je er dan iets aan als iemand bij je blijft? (...) Vluchtte ik? Omdat ik het niet langer kon aanzien? Toen de mannen met de brancard kwamen, was Jantje dood. Opnieuw levert het Jelmer vragen op. Mocht hij zijn eigen leven wel wagen om naar die zwaargewonde jongen toe te gaan? En toen hij dat toch gedaan had, had hij toen misschien bij hem moeten blijven, terwijl deze stierf?
Bij de bevrijding is Jelmer er getuige van dat 'moffenmeiden' worden kaalgeschoren en beklad. Hij kan dat niet in overeenstemming brengen met de woorden van Jezus, dat wij onze vijanden moeten liefhebben. Als hem later door de dominee gevraagd wordt 'Het lied der achttien doden' van Jan Campert tijdens een herdenkingsbijeenkomst op 4 mei voor te dragen, wil hij hem spreken. In bedekte termen schetst hij hem het geval van Horst. Hij is zeer teleurgesteld als de dominee de trouw aan het vaderland belangrijker vindt dan het woord van Jezus. Als hij het gedicht voordraagt, brengen de woorden hem in vervoering. Dat brengt hem ertoe zeif ook te gaan dichten. Het sonnet Schreeuw ontstaat als zijn eerste goede gedicht.
In de hoofdstukken 9 tot en met 11 beschrijft hij zijn ontgroening als student. Als hij tegen de regels in toch kaalgeschoren wordt, herinnert hem dat aan de vernederende praktijken bij de bevrijding van ons land. Ook hier komen weer vragen op: had hij zich tot het uiterste moeten verdedigen en verzetten, desnoods gewelddadig? Behalve een ansichtkaart tijdens de oorlog heeft hij nooit meer iets van Horst vernoemen. Jaren na de oorlog leveren zelfs naspeuringen in Oost-Friesland hem niets op. Nooit heeft hij iemand iets hierover verteld. Maar de vraag blijft hem kwellen: heb ik goed gehandeld?
Als de ik-figuur door het Weteringplantsoen naar huis loopt, ziet hij daar een zwerver liggen in een kartonnen doos. Hij denkt aan de preek over de barmhartige Samaritaan, die hij pas gehoord heeft en nodigt hem uit mee te gaan. Hij biedt hem onderdak aan. Hij weet contact te leggen en de jongeman, Gerwin, vertelt hem hoe hij zo zonderling is geworden: de enige vriend die hij gehad heeft, was een stotteraar die zichzelf uit wanhoop voor de trein gegooid had. Eigenlijk hoeft voor hemzelf het leven ook niet meer. Jelmer vertelt hem zijn tientallen jaren verzwegen geheim.
Samen met Gerwin bezoekt hij zijn broer Egbert, die in het ouderlijke huis woont. Daarna gaan ze nog even bij de zee kijken. Als Jelmer een poosje op het strand heeft liggen slapen, ziet hij bij het ontwaken wel enkele spullen van Gerwin liggen, maar hijzelf is verdwenen. Een enorme schrik bevangt hem: zou hij zich in de zee geworpen hebben? Hij gaat zelf het water in en zwemt, roept en kijkt rond. Als hij uitgeput terugkomt aan het strand, ontmoet hij Gerwin. De zee had hem teruggedreven naar het strand en hij wil het leven nu weer aanvaarden. Ik capituleer voor je vriendschap, zegt hij. Tijdens de zoektocht in het water is Jelmer de zilverling (de medaille van Horst) kwijtgeraakt. Gerwin, die nu Erwin wil heten, schrijft die avond een gedicht voor Jelmer, dat eindigt met de regels:
tot ik kom en, mijn schaduw voorbij, afscheid neem van de dood.
Zoals al eerder gezegd, het thema van dit boek is de vraag: Wat is goed, wat is kwaad? De hoofdpersoon vraagt zich verscheidene malen af: Heb ik wel op de juiste wijze gehandeld? Dat komt al in hoofdstuk 2 duidelijk tot uiting: Ik ben tijdig op weg gegaan en wil onderweg naar De Rode Hoed een korte visite afleggen. Hij ziet onderweg hoe twee jongens met een tamme kraai een trompettist op het Spui geld afhandig weten te maken. Had hij de man moeten waarschuwen? Of de jongens moeten zeggen het gepikte geld terug te geven? Was dit alleen maar een geintje? Tijdens het bezoek aan een vrouw wiens man op zijn werk is verongelukt, aait hij haar zoontje Jurriaan eens over zijn bol en knikt hem toe. Achteraf dringt zich de vraag aan hem op: is hij tegenover dit ventje tekortgeschoten? Had hij niet meer te geven? Hij gaat vervolgens naar De Rode Hoed, waar — het is 10 mei - gesproken wordt over het onderwerp 'Duet of duel: de houding van de Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog'. De houding van de Nederlanders in de oorlog betreft ook hemzelf. Wie was vriend, wie was vijand? Had hij Horst moeten verraden?
Aan het einde van het boek laat de auteur merken dat hij het antwoord nu wel kan geven. Het is immers niet alleen (G)Erwin, die de vriendschap van Jelmer kan aanvaarden en zo voor het leven kan kiezen. Dit is echter een rechtstreeks gevolg van het feit dat ook Jelmer een duidelijke keuze heeft gemaakt, nu veel bewuster dan die keren in het verleden. Hij heeft Gerwin bewust meegenomen vanuit het Weteringplantsoen en hij heeft zich ook echt verantwoordelijk gevoeld voor hem. Die open relatie van mens tot mens brengt wezenlijk contact tot stand en redt een zwakke medemens het leven. De houding van de barmhartige Samaritaan is de houding die elk mens - en zeker de christen - past.
Een moeilijk punt in dit boek betreft het gedicht dat Jelmer als student geschreven heeft. In dit sonnet Schreeuw roept de mens God ter verantwoording, onder meer over het feit dat het kind van de buren "kapot gaat aan kanker". Het is me al vaker opgevallen dat moderne literatoren op deze wijze de worsteling van hun hoofdpersoon gestalte willen geven. Niet alleen in romans, ook in moderne christelijke poëzie komt dit voor. Het wordt meestal verdedigd met verwijzingen naar de Psalmen, waarin eveneens vaak het onbegrip van de dichter ten opzichte van Gods handelen geuit wordt. Alleen, in de Psalmen lezen we ook andere dingen. Bovendien is - ook in deze kleine roman - de toon nogal eens erg scherp. Ik heb daar moeite mee. Ik ben bang dat het Bijbelse besef van Gods grootheid, majesteit en heiligheid hier gemist wordt. Met deze kanttekening wil ik mijn overigens positieve waardering van dit werkje wat nuanceren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 2003
Daniel | 32 Pagina's