Pelgrimage
Gij doet mij pelgrimeeren langs de wegen,
die, steil en smal, gaan op de grenzen aan
van 't land dat 'k schouwen mocht, zoo schoon gelegen,
dat ik U bad: Laat mij daar binnengaan.
Zoo werd 'k een trekker, Heer, bij Uw genade,
die mij meedoogenloos drijft uit 't gedruisch
der wereld waar 'k mij in verlies, naar paden,
die altoos weer beginnen bij Uw kruis.
Als ik mijn lust hier vind aan d' ommegangen
der schoonheid die m' aan aardsche kim verrees,
zing 'k los en luchtig 't liedje van verlangen,
wijl ik het moeizaam verder trekken vrees.
Maar Gij gunt mij geen rust, opdat 'k versterve
aan de bekoring van een veiligheid,
waarbinnen ik elk uitzicht weet te derven
op horizonnen achter dezen tijd.
En neem ik daar Uw Naam nog op mijn lippen,
met 't hart blijf ik heel ver van U vandaan,
tracht in een vroom begrippenspel t' ontglippen
aan de waarachtigheid van Uw bestaan.
Totdat G' U niet langer laat verdringen
en plots mijn zekerheid zóó stuk komt slaan,
dat, naakt voor U, ik U zou willen dwingen
met Uw gena te worden aangedaan.
Dan hebt Ge mijn afkeerigheid gewroken,
dan wankel ik weer op Uw steilten aan
als Jacob, in mijn kracht opnieuw gebroken;
de schaduw van Uw kruis is nooit t' ontgaan.
Dan heb ik mij weer zoo aan U verloren,
als stonden reeds mijn voeten in de stad,
waar ik, Uw kind, U zoo zal toebehooren
alsof Gij mij nog nooit verloren hadt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 juli 2003
Daniel | 32 Pagina's