JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een dorp verdrinkt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een dorp verdrinkt

Verhaal

15 minuten leestijd

In het huis van Lambertse zijn op de avond van stormzaterdag de jonge kinderen al naar bed. Alleen Greet en Gerrit zijn nog op met vader en moeder. De storm buldert nog heviger dan 's middags. Het is of de wind het huisje om wil rukken.

Moeder zit te breien, stil en bleek, soms hoestend. Greet heeft een boek. Gerrit kijkt de krant in. Lambertse kerft in het theeblad waaraan hij een tijd geleden is begonnen. Het is nu bijna klaar. Dat moet ook, want zijn vrouw is volgende week jarig en het is voor haar bestemd.

"Is er nu werkelijk geen gevaar?" vraagt moeder zacht.

Gerrit wordt een beetje kriebelig over de onrust van zijn moeder.

"Wat bent u toch verschrikkelijk bang! Er is immers niets aan de hand?"

"Wat zeg jij?" vraagt ze nog eens aan haar man.

"Hetzelfde als Gerrit", antwoordt die, terwijl hij verder kerft. "Je maakt de kinderen maar overstuur", verwijt hij.

"Ik ben ongerust", zegt moeder. "Ik heb een voorgevoel, dat er iets gaat gebeuren."

"Zou je niet eens gaan kijken, hoe het er bij staat?" dringt moeder aan.

"Mm", zegt hij en kerft door.

Maar nu valt Gerrit zijn moeder bij. "Ja vader, even bij de haven kijken. Gaan we samen?"

"Om moeder gerust te stellen dan", zegt Lambertse.

Hij staat op, klopt zijn broek af en trekt zijn jas aan. Gerrit staat al klaar. Vader en zoon gaan samen door de storm. Als vader en Gerrit terugkomen, besluiten ze de meubels naar boven te brengen. Daarna gaat het hele gezin naar bed.

 

Moeder Lambertse ligt met open ogen op haar bed in de zolderhoek. Ze luistert naar de storm die hier nog veel geweldiger buldert en giert dan beneden. Hij rukt aan de pannen en fluit langs de vorst en blaast door de kieren van het dunne dakbeschot. Ze moet vaak hoesten en haar hart slaat wild. Ze kan het hameren ervan niet onderdrukken, niet met haar hand en ook niet door te bidden. Haar voorgevoel, dat zegt dat er iets gaat gebeuren, wordt al sterker.

Ze kan niet kwijt wat haar man vanavond uit de Bijbel heeft gelezen... Bid dat uw vlucht niet geschiede in de winter of op de sabbat... Het is winter en de zondag is al aangebroken. Maar moeten ze vluchten? De maan zal geen schijnsel meer geven. Het is stikdonkere nacht. De krachten der hemelen zullen bewogen worden... Worden die krachten niet bewogen nu zee en storm zo woeden?

Haar man wordt wakker. "Slaap je niet?" vraagt hij aan haar.

Ze heeft nog geen minuut geslapen.

"Hoe laat is het?"

"Bijna half vier."

Lambertse staat op. Over een uur zal het hoog water zijn. Hij wil weten hoe het er nu bijstaat aan de haven. "Ik ben zo weer terug", belooft hij. Hij daalt de trap af. Zijn klompen klossen in het straatje. Het geluid wordt opgeslokt door het stormgeweld. Lambertse blijft langer weg, dan hij gezegd heeft. De klok slaat vier uur. Nu gaat het kritieke uur in, weet moeder Lambertse. En zij is alleen met de kinderen. Haar hart hamert hevig en die nare hoest wordt erger. Ze gaat er uit om een drankje te nemen, maar het helpt weinig. Tussen de buien luistert ze ingespannen. Ze hoort niets dan het bulderen van de wind. Zijn klompen niet. Maar gelukkig ook het water niet. De klok slaat vijf. Nu is het kritieke uur voorbij. Maar waar blijft Teun toch? Daar klossen klompen. De deur slaat open en weer dicht. Ze trekt het licht aan op hetzelfde ogenblik als haar man zijn hoofd door het trapgat steekt. Hij is opgewekt.

"Het heeft hand op z'n kant gestaan", vertelt hij. "Het was zowat hoog water. 't Moest stilstaand tij worden en het leek er op dat het gevaar voorbij was. Toen kwam het opeens, alsof de zee opzwol. In enkele minuten tien, twintig, dertig centimeter. 't Kwam tot de rand van het vloedschot. We zeiden tegen elkaar: nu loopt 't mis. Maar plotseling was het afgelopen. Het water zakte weer. Toen ben ik naar huis gegaan. De dijk heeft het gehouden!"

"Komt het water nu niet weer op?" vraagt ze.

"Vast niet voor het volgend tij. 't Wordt nu laag water, hé."

Gerrit wordt wakker van het gepraat.

"Hoe staat het er hij?" vraagt hij.

"De springvloed is voorbij en de dijk heeft het gehouden", antwoordt zijn vader. "Ga jij maar lekker slapen. Ik ga ook nog een uurtje onder zeil."

Hij kleedt zich uit en kruipt in bed. In een oogwenk is hij diep in slaap.

 

Moeder Lambertse kan nog niet slapen. De hoest plaagt haar en ook de spanning wil niet wijken. Het gevaar is voorbij, heeft haar man gezegd, en hij kan het weten. Hij is bij storm- en springvloed altijd aan de buitenkant geweest. Maar haar voorgevoel zegt haar toch aldoor sterker, dat ze straks zullen moeten vluchten.

Ze moet vertrouwen hebben en niet vrezen. Ze draait zich om en trekt de dekens over haar oren, opdat ze het bulderen van de wind wat minder horen zal. Bidt dat uw vlucht niet geschiede in de winter, noch op de sabbat... Waarom spelen die woorden haar toch steeds door het hoofd? Het gevaar is toch voorbij?

Opeens schokt ze overeind, haar oren spitsend, ademloos. Wat is dat donkere gerommel? Het lijkt op onweer. Een onafgebroken rollen van een zware donder. Dat is... het water!

Ze wekt haar man. "Luister!"

"Wat heb je nou weer?" vraag hij korzelig.

"Het water!"

Hij luistert, maar hoort alleen de storm. "Verbeelding", zegt hij. "Het kan ook niet. 't Wordt eb." Hij duikt weer onder de dekens.

Ze blijft rechtop zitten, hoestend. Het gerommel houdt aan: het wordt luider; dreigend en zwaar rolt de vreemde donder. Het moet het water zijn. Het kan niet anders. Ze wekt hem weer. Dit maakt hem wrevelig.

"Kun je me nu niet een ogenblik met rust laten?"

"Luister dan toch!" smeekt ze.

Hij luistert en nu hoort hij het ook. Ja, dit is water; heel veel water. Het is een zondvloed.

Hij springt het bed uit. "Ik ga kijken." Hij rept zich naar de Molendijk. Van die kant komt het gerommel. Het is vreemd, want dit is de landkant van het dorp. De Molendijk is een binnendijk; er achter ligt een grote polder. Niemand heeft ooit gedacht dat van die kant gevaar zou dreigen.

Lambertse klimt op de dijk. Daar is het water. Je kunt het zwak zien glinsteren in het duister. Het staat al tegen de voet van de dijk. Als deze binnendijk er niet was, zou het dorp onderlopen. Nu niet! De Molendijk is fors en stevig. Dankzij die oude graaf van Holland, die voorschreef dat de oude dijk moest blijven wanneer een nieuwe polder werd gemaakt, blijft het dorp gespaard. De boeren in de polder krijgen last, maar veel boerderijen staan er gelukkig niet.

Hij daalt de dijk af aan de buitenkant om te kunnen zien hoe hoog het water staat. Het is nog laag. Natuurlijk. Zo'n grote polder loopt zo gauw niet vol. Maar daar spoelt het water hem om de voeten. Hij moet een stap omhoog. Daar is het water alweer! Hij moet nog een stap hoger... En na een minuut moet hij opnieuw terug. Wat gaat dit snel! Het moet een groot gat zijn, dat zoveel water doorlaat. Zou... zou de buitendijk zijn weggeslagen?

Het is onzinnig dat te denken. De zee maakt een gat en dat wordt groter op den duur. De zee kan niet een dijk wegslaan. Maar hoe kan er dan zo'n oceaan van water in de polder komen? Als een bliksem slaat de angst bij Lambertse in. De dijk bij Jacobskerk is weg. Dat moet zo zijn. Anders kon deze massa water nooit zo snel in de polder komen. Maar als de zware buitendijk aan brokken ligt, dan keert de binnendijk de zee ook niet. Dan breekt de Molendijk straks ook. En dan gaat alles achter deze dijk er heel diep onder. Hij rent de dijk af, beukt op de eerste deur die hij ziet, schreeuwt: "Het water komt!" Hij maakt alarm bij tien, twintig buren, rent daarna naar zijn eigen huis en schreeuwt daar ook: "Het water komt!"

 

De kinderen schrikken wakker. De kleintjes jammeren. Greet zit, krijtwit en roerloos, rechtop in haar bed. Gerrit kan het niet geloven; het werd immers eb. "Komt het water hier?" vraagt hij.

"Nee", antwoordt hij aan Gerrit, "hier op zolder komt het water niet." Dat doet de kinderen herademen.

Moeder zwijgt. Ze wil geen angst aanjagen. Maar haar voorgevoel, dat deze nacht zo sterk is, zegt haar dat ze zullen moeten vluchten.

Op zolder komt het water niet, heeft Lambertse gezegd.

Maar het is al in het dorp. Boven het gieren van de wind verheft zich het dreunend bruisen van een waterval.

De Molendijk keert de zee niet meer. Het water stroomt al door de straat. Lambertse is de zee maar even voor geweest. De straat wordt een snelstromende rivier. Het water dringt de huizen binnen. Door het trapgat zien de kinderen hoe het de gang inspuit, over de kamerdrempel vloeit, hoe het stijgt naar de eerste, tweede, derde traptree. Een grote golf komt uit de kamer, waarschijnlijk door gebroken ramen.

"Komt het water heus niet op de zolder?" vraagt Greet, als het aldoor stijgt.

"Welnee", antwoordt Gerrit beslist. "Dat heeft vader toch duidelijk gezegd."

Lambertse zegt nu niets. Hij kijkt het dakraam uit. De straatverlichting brandt nog. Het is een vreemd gezicht, dit rossig licht boven het kolkend water. De sterke stroom verontrust hem. Hij zegt het niet om vrouw en kinderen niet weer overstuur te maken. Misschien valt het wel mee. Hun straat is haaks op de dijk gebouwd. Er staan verscheidene huizen voor het hunne die eerder te lijden zullen krijgen. Het is best mogelijk dat dit huis het houdt. Het huis op de hoek van de straat moet het 't hardst te verduren hebben. Daar jaagt het water van de dijk af recht er op aan, bij de hoek een diepe draaikolk borend. Je kunt dat zien in het licht van de lantaarn, die daar staat. 't Huis staat er nog, ziet Lambertse. Het valt blijkbaar mee. Hij heeft zich weer te ongerust gemaakt.

Daar zwaait de deur van het hoekhuis open. Een bundel licht valt uit de gang naar buiten. Vermaas, de bewoner, komt de deur uit. Zijn vrouw ook. Ze dragen ieder een kind. Tot hun middel waden ze door het water. Daar gaat het huis! De muur wankelt. Het dak zakt scheef. Alles stort in. En daar gaan de mensen ook. De vrouw kan zich niet staande houden in de stroom. Ze valt met het kind. Haar gil klinkt boven het loeien van de storm en het bruisen van het water uit. De man schiet haar te hulp, maar hij valt ook. Ze drijven op de snelle stroom ras nader.

Lambertse klimt vliegensvlug het dakraam uit en springt van de dakgoot af in het water. Gerrit hem na. Ze voelen even de ijzige kou, maar daar denken ze nauwelijks aan. De stroom is erger. Ze moeten zich aan elkaar vastklemmen om niet te vallen en nu staan ze nog vlak voor hun huis. Daar komt de vrouw aandrijven. Lambertse grijpt haar terwijl Gerrit hem vasthoudt. Samen sleuren ze haar uit het water. Haar kind houdt ze aan de borst geklemd.

Ze kunnen haar man niet meer helpen, hij drijft voorbij. Ze zien veel dingen voorbijdrijven: tafels, bedden, kasten... Lambertse ziet later ook dat alle huizen uit de Molenstraat zijn weggevaagd.

Hij klimt door het dakraam weer naar binnen. Het is donker op zolder, het elektrisch licht is uitgegaan. Uit de duisternis gaan kreten op als hij vertelt wat in de Molenstraat is gebeurd.

"Wij moeten hiervandaan!" roept Gerrit uit.

Lambertse zucht. Dat is jongenspraat. Hoe komen ze weg? In de verte rommelt ononderbroken en zwaarder nog dan straks de donder van het neerstortende water, en 't kookt en kolkt rondom het huis.

Moeder zwijgt. Dit is de gruwel der verwoesting; in puin stortende huizen en mensen oprijzend uit de wilde stroom en onmiddellijk er weer in onderduikend.

Veel meer dan aardse krachten werken hier. En velen worden op dit ogenblik geroepen voor de rechterstoel van God.

 

"De zolder, vader!" roept Gerrit uit.

"Hij is van hout. Kan die niet drijven?"

"Hij zit aan het huis vast" zegt zijn vader.

"Kan het niet losgebroken worden?"

"Dan zinkt hij nog. Met al die pannen op het dak is hij loodzwaar..."

"Dan gooien wij die pannen eraf!" Gerrit is gegrepen door het idee. "We moeten het doen, vader! De balken losbreken uit de muren en de pannen eraf."

"Het is onmogelijk", meent Lambertse.

"We kunnen het toch proberen!" houdt Gerrit vol.

Lambertse wil het proberen, want niets doen betekent wachten op een zekere dood. Maar het lijkt hem al te gek, dat een zolder een schip kan worden. Gerrit is al het dakraam uit. Lambertse gaat hem na.

"Greet, help mee!" schreeuwt Gerrit naar zijn zus. Met z'n drieën rukken ze de pannen van het dak en smijten die in het water. De storm helpt hen. Wanneer er eenmaal opening Is, vaagt die de pannen bij dozijnen weg. Het huis krijgt een witte kap.

De tijd dringt. Het ene huis na het andere huis stort in. Nadat de pannen van het dak zijn, werkt Lambertse met een groot breekijzer de balken uit de muren los.

Een buurman steekt het hoofd uit zijn dakraam. "Breek jij je huis af, Lambertse? Ben jij nou gek?"

Lambertse zegt er weinig op. Misschien is het wel zo. Misschien stort hij de zijnen en zichzelf wel in de dood. Want wie zal zeggen, dat de zolder drijven blijft? Het zal in elk geval een wrakke en lekke schuit zijn. Toch werkt hij door. Zijn de anderen, die afwachten wat hun zal overkomen terwijl ze de huizen van hun buren het ene na het andere zien bezwijken, beter af? Wanneer hij klaar is, klimt hij het dakraam in. Gerrit heeft de trap al doorgezaagd. Samen timmeren ze het trapgat dicht.

De muren, verzwakt nu ze het verband met de balken missen, wankelen. Er komt beweging in de zolder. Nu komt het. Het huis met allen die er in zijn, gaat te gronde.

"O God, sta ons bij", bidt moeder Lambertse. Alles kraakt; een muur stort in. Daar gaat de zolder. Het water dringt door de naden van de vloer en perst door de reten van de wanden. Een golf slaat allen over de benen. De vrouw van Vermaas, uit een bewusteloosheid bijgekomen, jammert zacht. Moeder Lambertse klemt Dickie aan haar borst. De kinderen zitten sidderend bijeen. Lambertse is lijkbleek. Ze gaan nog eerder de dood in dan hun buren. Greet huivert. Wat vader gisteravond las, staat haar nu scherp voor ogen. Dit is het gericht!

En dan gebeurt het wonder. De zolder zakt niet dieper. Hij drijft tussen water en wind.

De stroom grijpt het vlot. Ze drijven over het akkertje achter hun huis; ze drijven het dorp uit en de polder in. Het water staat op de vloer, maar op de tafel, op de ledikanten, op de stoelen zitten ze droog als ze hun knieën optrekken.

"Nu zitten wij in de ark van Noach!" juicht Manus die zijn doodsangst gauw vergeten is.

"De beesten zijn er niet", schertst Trijntje, ook over de schrik heen.

"Ze zijn er wel!" roept Manus. "De konijnen en de kippen." Hij wijst op het hok dat vader in een hoek van de zolder heeft gezet. Moeder Lambertse glimlacht moeilijk om haar kinderen. Ze hebben alweer pret. Ze hebben geen besef hoe angstig hun positie is. Want de golven klotsen krachtig tegen de dunne wanden van de kap en de stroom rukt driftig aan het vlot. De gebinten waggelen en kraken. Elk ogenblik kan alles uit elkaar vallen. En als ze blijven drijven, waar stuwen wind en stroom hen dan naar toe? Gerrit kijkt door het dakraam naar buiten, waar de morgen grauwt. Uit grijs, klotsend water steekt hier een groepje bomen, ginds ziet hij een dak. Hij heeft moeite om de omgeving te herkennen Na lange uren rondgedreven te hebben, botst het krakend vlot tegen de dijk, waar een helicopter hen later vandaan haalt.

Het gezin Lambertse is gered.

 

Naar: Ik worstel en kom boven door K. Norel.

Foto's uit Gebroken dijken.


Ilse Spaanderman (15)

"Ik heb het zelf natuurlijk niet meegemaakt, maar mijn opa en oma hoor ik er ook niet echt over. Op school hebben we het er wel over gehad. Ik zit in Krabbendijke op school, maar heb geen geschiedenis meer in m'n pakket. We hebben het er wel met maatschappijleer over gehad. Maar echt het idee dat het zich zo'n beetje hier thuis heeft afgespeeld, nee dat heb ik niet."


Corné Eckhardt (14)

"Ik denk er eigenlijk nooit aan. Het is natuurlijk wel erg geweest. Van opa en oma hoor ik er ook niet van. Op school trouwens ook niet. Met een storm extra bang? Nee. En op 1 februari ga ik ook niet naar een herdenking of zo. Gewoon, het heeft me niet zoveel te zeggen." 


19 november 1404 - Eerste Sint Elisabethsvloed.

18 november 1421 - Tweede Sint Elisabethsvloed.

5 november 1530 - 'Sint Felix Quade Saterdach'. Grote stormvloed.

1 november 1570 - AIIerheiliegenvloed.

31 juli en 4 augustus 1574 - Stormvloed.

26 januari 1682 - Springvloed bij noordwesterstorm.

15 januari 1808 - Stormvloed.

12 maart 1906 - Stormvloed.

13-14 januari 1916 - Stormvloed.

1 februari 1953 - Watersnoodramp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 2003

Daniel | 32 Pagina's

Een dorp verdrinkt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 2003

Daniel | 32 Pagina's