JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De machtige troost van Gods Vaderschap

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De machtige troost van Gods Vaderschap

Ds. W. Harinck: Er is bij Gods kinderen trap en mate in de kennis van het Vaderschap van God

10 minuten leestijd

De Apostolische Geloofsbeliidenis. Oeroud zijn ze en van grote helderheid en kracht. Of men nu Grieks-orthodox is, koptisch of calvinistisch, ieder houdt de Twaalf Artikelen des geloofs in ere. Maar hoe vaak staan we bij deze kernpunten van het geloof werkelijk stil? En wat hebben we persoonlijk van de rijke inhoud ervan ervaren? In Daniël denken we over elk van de Twaalf Artikelen na door middel van interviews met predikanten. Ds. W. Harinck over het eerste artikel. 

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en van de aarde. Elke zondag klinken deze woorden door het kerkgebouw waar de gemeente samenkomt. Met ds. W. Harinck, predikant van de Gereformeerde Gemeente van Woerden, spreken we over de 'diepe betekenis' en de 'machtige troost' van dit eerste geloofsartikel. En ook over de vragen die de belijdenis van Gods voorzienige regering in het leven van jongeren en ouderen op kan roepen.

Het eerste van de twaalf artikelen plaatst een christen in de moderne wereld al meteen apart, stelt ds. Harinck. "Als je belijdt dat God de Schepper is van hemel en aarde, komt dat tegenwoordig wereldvreemd over. Dan merk je dat je als kerk, en dus ook als jongeren, aan de rand van de samenleving komt te staan.

Je spreekt daarmee uit dat God aan het begin van alle leven staat. Maar je zegt er ook iets heel actueels mee. Ook het leven dat je nu hebt, alles wat je nu ontvangt, ontvang je van Hem, de Schepper. Dat zal door je buren of vrienden niet altijd begrepen of overgenomen worden. Maar het geeft ondertussen wel een machtige troost."

 

Wat moet je zeggen tegen een klasgenoot of collega die jou met de evolutietheorie confronteert?

Dan wil ik je toch aanraden eenvoudig de Bijbel na te spreken. En te blijven bij het geloofsartikel over God, de Schepper. Zeg maar gerust: op grond van het Woord van God geloof ik dat Hij de hemel en de aarde gemaakt heeft. Ik denk dat je je heil niet moet zoeken in discussiëren, in argumenteren. Maar je mag best in gesprek gaan en zeggen: ik geloof dat het ontstaan van de dingen een geheim heeft. En over dat geheim geeft mijn Bijbel licht.

Daarbij komt dat wij andere mensen niet kunnen overtuigen. Wij kunnen mensen het scheppingsgeloof niet aanpraten. Wel kunnen we getuigen, vanuit de Schriften.

Al met al vind ik het maar arm als je het begin van het leven van alle dingen stoelt op theorieën. Als we in het dagelijks leven beslissingen nemen, doen we dat niet graag op grond van theorieën. Dan zeggen we: zo doe ik geen zaken. En wat de fundamenten van het leven betreft, doen we dat dan opeens wel. Dat moet toch wel heel erg leeg zijn. En ongetroost!

 

Artikel 1 noemt God ook de Almachtige. Heeft dat niet ook iets beangstigends: een God die alles beheerst?

Ook hier moeten we allereerst de Schrift vasthouden. God openbaart Zich als de Almachtige, bijvoorbeeld aan Abraham in Genesis 17. Deze bekendmaking aan Abraham laat duidelijk zien, dat Gods almacht in verband staat met het heilsplan dat God heeft met Abraham en zijn nageslacht. Verder is het belangrijk dat dit belijden in Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus geplaatst wordt in het kader van troost. God is almachtig, ja, maar Hij is een almachtige Vader. Om daar troost uit te kunnen putten, moet je wel kind zijn, met God verzoend zijn. Buiten de verzoening door Christus moeten wij vrezen voor deze almachtige Vader, die dan rechtvaardig toornt.

Maar Gods almacht mag je nooit verklaren als de macht van een despoot, die willekeurig te werk gaat. Het is één van Gods eigenschappen, volmaakt in harmonie met de andere: rechtvaardigheid, barmhartigheid, goedertierenheid. Als je dat mag verstaan is het afschrikwekkende er niet in.

 

Sommige kinderen hebben thuis vreselijke dingen meegemaakt en vinden het moeilijk in God een Vader te zien...

Dat een mishandeld of misbruikt kind het moeilijk kan hebben als in de kerk over het Vaderschap van God wordt gesproken, kan ik me heel goed voorstellen. Er zijn zeer smartelijke thuissituaties waarin vaders zich misdragen en bezondigen aan hun kinderen. Dat kan het beeld, dat deze kinderen van God hebben, verwringen. Voor hen kan het heel moeilijk zijn om op zondag Psalm 103 mee te zingen: Geen vader sloeg met groter mededogen... Dat begrijp ik heel goed.

Toch moeten wij ervoor waken het beeld van beneden te projecteren op boven. Het is precies andersom. Een aards vader is niet voor één tienduizendste vergelijkbaar met de hemelse Vader. Zelfs de beste vader van de wereld kan bij God niet in de schaduw staan. Als we als vader Iets mogen weerspiegelen van het vaderschap Gods, dan kan dat alleen gestalte krijgen in de vreze des Heeren.

Echt zicht op Gods vaderschap krijgen we alleen door Jezus Christus. Ik en de Vader zijn Eén, zegt Hij in Johannes 10. De bewogenheid, het medelijden dat in Christus is, is ook in God de Vader. Jezus is de goede Herder, maar de Vader is ook de goede Herder.

 

Wie mogen God hun Vader noemen?

Bij die vraag verwijs ik graag naar Smytegelt. Die onderscheidt drie vormen van vaderschap. God is Vader van Jezus Christus, Vader van de schepping en Vader van de gelovigen.

Al het geschapene heeft dus een Vader in de hemel. Ook daarom mogen mensen God als Vader aanroepen, zegt Smytegelt. En dan wordt deze oude schrijver heel pastoraal, als hij schrijft: je mag dat doen, vooral ook vanuit de begeerte in je hart dat Hij ook een verzoend God en Vader voor je mag worden in het offer van Zijn Zoon.

Allen die wedergeboren zijn, mogen God in bijzondere zin hun Vader noemen. Al Zijn kinderen mogen dat. Een aards vader is vader zodra zijn kind geboren is. Alleen: dat kind weet het nog niet. Zo is er ook in het geestelijk leven een groei richting het besef dat God een verzoend Vader is.

Maar let op: in het natuurlijke gaat een kind heel snel vader zeggen. Het is een van de eerste woordjes die het kind leert zeggen: Pappa! Dat gaat zo'n kind niet pas doen als het achttien jaar is!

 

Toch gaat het Gods kinderen soms niet gemakkelijk af... 

Ja. Mensen van wie je oprecht mag geloven dat ze de Heere vrezen, hebben vaak toch nog een grote schroom de Vadernaam te gebruiken. Dat heeft vaak hiermee te maken, dat het ze aan zekerheid ontbreekt: ben ik wel een kind?

In dat geval zijn twee dingen nodig: dat de Heilige Geest je meeneemt naar Christus, zodat je Hem mag kennen in Wie je de toegang krijgt tot de Vader. En dat de Geest je meeneemt naar het Woord en je vanuit het Evangelie onderwijst in de beloften. Zodat je Paulus leert nazeggen in Romeinen 8: Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.

Verder zal er bij Gods kinderen altijd trap en mate zijn in de kennis van het Vaderschap van God. De één zal er meer van leren dan de ander. Vaak horen er geestelijke worstelingen bij voor men ertoe komt om te zeggen: Abba, Vader. Uit de gelijkenis van de verloren zoon zien we dat er een wég is naar het Vaderhart. Iemand die aan zijn zonden wordt ontdekt, vraagt zich net als de verloren zoon met schrik af: hoe kom ik Vader ooit nog onder ogen? Toch blijft gelden dat een wedergeboren mens zich van zoveel troost kan beroven en God van zoveel eer als hij de Vadernaam niet noemt.

 

Bij moderne schrijvers moet juist Zondag 10 over de voorzienigheid van God het nogal eens ontgelden. Hoe zou dat komen?

Het geloof in Gods voorzienigheid staat haaks op het moderne levensgevoel, op het rationele denken. We denken het leven te beheersen van de moederschoot af tot aan het levenseinde toe. Maar in dit geloofsartikel belijden we: God beheerst. Als mensen zich hiertegen verzetten, 'herhaalt' zich de zondeval, juist op het punt van de afhankelijkheid van een God die alles bestuurt en regeert.

Verzet tegen de gedachte dat ook het lijden in deze wereld van God komt, kan voortkomen uit een miskennen van de ernst van de zonde. Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden. Alleen als we buigend erkennen dat het lijden op aarde er is om onzentwil, krijgen we een goed zicht op de voorzienigheid van God. Een mens moet wel door de knieën! Hij moet als zondaar gaan buigen!

 

Bestuurt God ook het kwaad?

Hier stuiten we op heel diepe vragen. In elk geval mogen we nooit zeggen dat God het kwade werkt, dat Hij er de auteur of oorzaak van is. Dat is godslasterlijk. Tegelijk is het zo dat de zonde en de satan er niet zijn zonder Gods regering, toelating en wil. Augustinus zegt dat datgene wat tegen Gods wil geschiedt, op wonderlijke en onuitsprekelijke wijzen niet buiten Gods wil om geschiedt. Hier moeten wij in ons denken een punt zetten en eerbiedig buigen. God laat de zonde toe, maar dwars daardoorheen verheerlijkt Hij Zijn Naam en bereikt Hij Zijn doel. Ik ben het ook eens met de dogmaticus H. Bavinck, die zegt dat de toelating niet gezien mag worden als een soort gedogen, met lede ogen toezien, een dulden. God zou de zonde niet dulden of gedogen, indien Hij ze niet op absoluut heilige en soevereine wijze had kunnen regeren, aldus Bavinck.

 

Hebben wij kerkmensen wel een goed zicht op de voorzienigheid van God?

Ook wij ademen de tijdgeest in. Zo zitten we echt wel in elkaar. Het is me al een paar keer opgevallen dat, als je op het zendingsveld bent, er gebeden wordt voor je een grote reis gaat maken. Dan zegt de chauffeur: Laten we bidden om de bewaring van de Heere, of de auto het mag blijven doen, of de brug begaanbaar mag zijn, enzovoort. Daar kunnen wij westerlingen beslist van leren. Want hoe gaat het bij ons? Vaak stappen we zonder nadenken in de auto. Als de v-snaar kapot gaat, pakken we ons gsm'tje en bellen we de ANWB. Wij hebben overal onze voorzieningen voor. Maar daardoor kunnen we ons gevoel van afhankelijkheid grotendeels kwijt raken.

Het is zo belangrijk hoe we leven, als we zeggen in de voorzienigheid van God te geloven. Realiseren we ons écht dat het zonder de zegen van de Heere niet gaat?

Soms moeten we daar op pijnlijke wijze bij stilgezet worden. Pas hoorde ik op het nieuws nog een boer spreken. De oogst stond er zó mooi bij, zei hij. Hij hoorde bij wijze van spreken de kassa al rinkelen. En dan één of twee wolkbreuken en de oogst ligt letterlijk in het water.

 

Wat is de troost van het geloof in Gods voorzienigheid?

De troost van deze leer vinden we heel mooi verwoord in antwoord 28 van de Catechismus. Dat we in alles een goed toevoorzicht hebben op onze getrouwe Vader. Dat woord 'toevoorzicht' sluit helemaal aan bij het woord voorzienigheid. Het betekent: zicht op de trouwe God die in Zijn voorzienigheid alle dingen verzorgt.

Soms kun je zo bezorgd zijn over allerlei dingen in je leven. Maar hier staat: laat je maar vérzorgen. Spurgeon noemde de voorzienigheid het oorkussen waar hij zijn moede hoofd op neer kon leggen. Als je dat in het ware geloof kunt zeggen, heb je toevoorzicht op God: een geloofsgezicht 'dat zoveel troost bevat'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 2002

Daniel | 30 Pagina's

De machtige troost van Gods Vaderschap

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 september 2002

Daniel | 30 Pagina's