“'k Heb over de Heere niets te klagen"
In gesprek met ds. A. Bac
Half januari was de rek er opeens uit. Totaal overwerkt, constateerde de arts toen ds. A. Bac bij hem kwam. Na onderzoeken in het ziekenhuis van Leiden moest de Bodegravense predikant al zijn werk neerleggen. Inmiddels gaat het weer wat beter en kan hij 's zondagsmorgens en tijdens rouw- en trouwdiensten Gods Woord weer bedienen. Ook mag hij van de dokter wat pastoraal werk doen. Maar de toekomst is ongewis. "Dan loop je best met veel vragen, vol moedeloosheid soms, maar de Heere heeft me voor opstand bewaard. Over Hem heb ik niet te klagen, beslist niet. De Heere heeft altijd uit- en doorgeholpen."
Een half jaar was ds. Bac uitgeschakeld
"Dan ervaar je een moeheid die je nooit eerder gekend hebt. Ik wist niet dat er zoveel vermoeidheid in me was. Uitrusten en veel fietsen, zei de dokter in Leiden. Maar je kunt moeilijk elke dag heel Bodegraven rond gaan fietsen. Gelukkig had ik net een ander volkstuintje toegewezen gekregen ('k ben altijd nog een beetje boer gebleven), dus daar kon ik wat gaan doen. En 'k heb de studeerkamer opgeruimd. Maar alles ging heel langzaam; ik had er de kracht niet voor."
Op 13 januari had ds. Bac voor het laatst gepreekt; pas vanaf 7 juli kon hij - de eerste twee zondagen in Beekbergen - de kansel weer op.
Boerenzoon
Drie gemeenten diende ds. Bac de afgelopen dertig jaar: Boskoop, Oostkapelle en Bodegraven. De gemeente in Bodegraven zag hij sinds 1981 groeien van nauwelijks driehonderd tot bijna negenhonderd zielen. Voordat ds. Bac in 1968 naar de Theologische School ging, was hij ouderling in Moerkapelle, zijn geboortedorp, "'k Ben opgegroeid op een boerderij aan het eind van een doodlopende weg, helemaal achter in het land. Er gingen dagen voorbij dat je niemand anders dan je eigen gezinsleden zag." Na de lagere school ging Bac nog vier jaar één dag per week naar de landbouwschool in Moerkapelle. Naast de boerderij (die in 1976 door kortsluiting in vlammen opging) liet zijn vader een huis bouwen. In de groententuin. Daar ging de jonge Bac na zijn huwelijk in 1965 wonen. Zijn toekomst lag in de polder, dacht hij.
"Ik deed de boerderij samen met m'n vader, die veel met zijn gezondheid tobde. Het was de bedoeling dat ik, als oudste zoon, het bedrijf zou overnemen. Maar daar ging een streep door toen ik werd toegelaten tot de Theologische School. De Heere had ander werk voor me. M'n broer is toen op de boerderij gekomen. Die raakt echter de komende jaren zijn land kwijt door de aanleg van een nieuw bos, het Bentwoud. Er is al een punt van zijn land afgesneden voor de aanleg van de hogesnelheidslijn. Het weidse polderland komt er heel anders uit te zien."
Indrukken
Met grote waardering denkt ds. Bac terug aan het gezin waarin hij opgroeide. "In alle eenvoud hebben mijn ouders geprobeerd ons voor te leven in de vreze des Heeren. Op hun verjaardagen werd eerst over het wel en wee van de landbouw gesproken, maar na verloop van tijd kwam er een wending in de gesprekken. Dan ging het over de dingen van Gods Koninkrijk en over de vrucht op de prediking. Als kind begreep je lang niet alles, maar je voelde wel hoe gelukkig Gods volk is. Ik was er vaak jaloers op. We sliepen op de zolder van de boerderij. Het rieten dak was op sparrenstammetjes bevestigd en die knerpten en knoersten als het hard waaide. Het gebeurde wel dat ik niet kon slapen en dacht: Er komt een tijd dat ik dit geluid niet meer zal horen, want dan moet ik sterven. En dat kon niet, dat voelde ik wel. Tijdens het werk in de stal heb ik wel eens gedacht: ik wou dat ik die koe was, dan hoefde ik God niet te ontmoeten.
De dood zat me vaak op de hielen. We moesten door de kale polder op de fiets naar school. Als er dan een rukwind achter een boerderij vandaan kwam en ik bijna van de weg geblazen werd, maakte me dat nog zwaarmoediger. Op de boerderij waren er plekjes waar ik in stilte om bekering bad. Jonge mensen moeten altijd maar vragen of zulke indrukken niet voorbijgaan. Later is de Heere verder gaan werken. Toen zalig worden van mijn kant nooit meer kon omdat ik een veel te groot zondaar was, heeft de Heere wel eens laten zien dat Hij van me afwist. Dat is zo'n groot wonder. Een preek van ds. C. Molenaar over de verloren zoon ben ik nooit vergeten. Die verloren zoon was ik, maar ik mocht ook zien dat er voor die verloren zoon nog hoop was. Die moed had ik niet altijd, want de duivel komt er wel op af. Maar de Heere laat Zijn volk niet los."
Brief
Dat ervoer Bac ook toen hij zich in 1966 aanmeldde bij de Theologische School, maar niet kon worden toegelaten. "Toen ging vanbinnen alles ondersteboven. De duivel maakte me wijs dat alles wat ik in mijn leven ondervonden dacht te hebben, nooit waar geweest was. Dat bracht me in grote nood. Zou God van me afweten? Ik kon de Heere niet meer missen. Maar had ik wel een Zaligmaker voor mijn zonden?
Op een avond heb ik alles opgeschreven wat ik na de Curatoriumvergadering beleefd had. Ik dacht: dat stuur ik naar het Curatorium. M'n vrouw zou die brief de volgende dag meegeven aan de postbode. Maar 's avonds stond hij nog op de kast. 'Geef je die brief nu mee? Anders breng ik hem morgenavond zelf naar het dorp', zei ik. De volgende avond was de brief weg.
Een dag later was ik op het land aan het werk. Toen werd de nood zo groot dat ik de Heere heb gesmeekt of Hij het me wilde laten zien als ik me vergist had. Ik kon zo niet verder. Daar heb ik iets gevoeld van Gods gerechtigheid, waarvoor ik niet kon bestaan. We hebben het bloed van Christus nodig tot reiniging van de zonden. De Heere is toen krachtdadig overgekomen. Toen daalde er een onuitsprekelijke vrede in m'n hart. Ik mocht toen zien dat om Christus' wil mijn zonden vergeven konden worden. Het werd me ook duidelijk dat het goed was geweest dat ik afgewezen was. Dominee worden kon niet meer, en voor mezelf hoefde het ook niet meer, al bleef de last op mijn schouders liggen en kwam de Heere er later weer op terug.
Ik had er nu spijt van dat ik die brief geschreven had. 'O, o, wat ben ik toch een dwaas geweest om die brief weg te sturen', zei ik 's avonds tegen m'n vrouw. Toen deed ze het bergmeubel open en haalde hem tevoorschijn: 'Ik dacht wel dat je er spijt van zou krijgen, dus ik heb hem maar niet weggedaan', zei ze. Ik was er dolgelukkig mee. Die brief heb ik in wel honderd stukjes gescheurd."
Voorrecht
"Toen ik op een avond met ds. A.F. Honkoop, die in 1967 naar Moerkapelle was gekomen, op huisbezoek ging, zei hij: 'Jij bent toch wel eens in Rotterdam geweest? Hoe is het daar nu mee?' 'Daar kom ik nooit meer', antwoordde ik. Toen vertelde ik wat er gebeurd was. In 1968 kwam er iemand naar de kerkenraad om een attest voor het Curatorium, maar dat konden we niet geven. Toen hij weg was, zei ds. Honkoop: 'Maar er is nog iemand die wat moet vertellen. Arie, ga je gang.' Toen stond ik er opeens voor. 'k Heb toen mogen vertellen wat ik ervaren had en zo kreeg ik ongevraagd een attest.
Ook het Curatorium had die keer vrijmoedigheid om me toe te laten. Dat was echt een wonder voor me. Het was zo groot dat ik als boerenjongen waardig geacht werd Gods Woord te gaan bedienen!"
Het was wel een grote overgang, van het boerenland naar de studeerkamer. "De eerste tijd leek het weleens alsof ik water in m'n hoofd had in plaats van hersens: soms kon ik bijna niets meer opnemen. Ds. A. Vergunst, een van de docenten, merkte dat wel. Heel vaderlijk zei hij: 'Och joh, we moeten het allemaal maar van de Heere hebben. Doe jij nou je best maar, dan zorgt de Heere wel voor de rest.' En de Heere heeft me nooit beschaamd laten staan."
Zijn eerste preek hield student Bac over de bekering van Saulus. Die zondag ging hij voor in Enkhuizen. In 1972 werd kandidaat Bac de eerste predikant van Boskoop.
"Ik had zelf Slikkerveer op het oog, maar toen het beroep uit Boskoop kwam, werd de nood van die gemeente me op het hart gebonden en vielen alle andere gemeenten weg."
Jongeren
Op 6 september was het dertig jaar geleden dat ds. Bac in het ambt werd bevestigd. "De Heere is altijd de Getrouwe geweest. Met Hem kom je nooit beschaamd uit. Dat geloof ik vast. En dat geeft me moed voor de kerk en voor het opkomend geslacht.
Ik heb altijd geprobeerd een luisterend oor voor de jeugd te hebben. De wereld belaagt onze jongeren zo en de moderne tijd heeft zo'n grote zuigkracht. Het vervult me met grote zorg als ik zie hoe de geest van de tijd zijn invloed in onze gezinnen en in de kerk doet gelden. Dat geldt voor de levensstijl, maar ook voor de opvattingen over de prediking.
Gelukkig zijn er nog velen die de schriftuurlijk-bevindelijke prediking hartelijk liefhebben. Maar je ziet ook symptomen van verschuiving en vervlakking. We hebben mensen nodig die een verborgen omgang met God hebben.
Onze jongeren leren heel veel, maar wat is het groot als geleerde en bestudeerde mensen de eenvoud van het Godswerk leren kennen. En gelukkig kom ik dat onder de jongeren ook tegen. Er zijn er die echt in ernst bezig zijn met de dingen der eeuwigheid. Er mogen er ook zijn bij wie je merkt dat de Heere in hun hart is gaan werken. De Heere staat uiteindelijk Zelf voor Zijn werk en Zijn kerk in. Dat geeft me weleens moed."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 september 2002
Daniel | 30 Pagina's