Geketend door de macht van de zonde
Eerste bondsdaglezing
We bezoeken een kerker in Babel. Daar, in die donkere vunzige nis, aan kettingen geklonken, zit een slaaf van de duivel. Het is Manasse, een van de grootste booswichten uit de Bijbel. Hij ligt daar op zijn knieën en bidt. "Gena, o God gena, hoor hoe een boeteling pleit." Laten we deze kerker eens naar binnen gaan en luisteren wat er is gebeurd. Wat er bij die man gebeurde, moet ook bij jou gebeuren, wil het wel met je zijn.
God vergeten
Manasse: zijn naam betekent 'doen vergeten'. Zeker, dat is het werk van de duivel. Hij is eropuit dat wij onze zonden zo snel mogelijk vergeten. Gods vriendelijke nodigingen en ernstige waarschuwingen ook. Alles vergeten. En fijn verder leven.
Wat Manasse het eerste probeerde te vergeten was zijn eigen vader: Hizkia. Zijn vader was een kind van God en had met hem gesproken over zijn ziekbed. Om nooit te vergeten hoe zijn vader piepte als een zwaluw: Wees gij mijn Borg! En hoe zijn vader vertelde dat God hem verhoorde en beter werd.
In het huis van Manasse hing de goede reuk van Christus. Is dat bij jou thuis ook zo? Als je zo bevoorrecht bent, moet je door veel deuren en over veel sloten heen om de wereld te gaan dienen. Voor Manasse werd de goede reuk een stank. Whitefield, de grote Engelse prediker, vertelt het verhaal van een jongen die bij zijn ouders wegliep. Whitefield vroeg hem waarom hij zijn ouders zoveel verdriet deed. Hij zei: iedere stoel en iedere tafel in ons huis stinkt naar de vroomheid.
Manasse wordt al jong een koning. Als hij twaalf jaar oud is, sterft zijn vader. Samen met zijn adviseurs sloopt hij steen voor steen het goede koningshuis van zijn vader. 'Alles vergeten' is het thema van zijn regering. Dat is precies wat de regering in Nederland de laatste jaren heeft gedaan. Alles vergeten wat God aan ons land gegeven heeft. Op de plaats van God komt de zonde en het ongeloof. Op de plaats van de ark komt een afgod. In plaats van te bidden vraagt hij raad bij waarzeggers en sterrenwichelaars.
Ja, zeg je, maar zo heidens zijn wij toch niet. O nee? Kijk eens om je heen. De kerken zijn bewaard gebleven, niet om het Woord van God, maar om hun gebrandschilderde ramen en oude torens. Weer andere kerken zijn omgebouwd tot supermarkt. Zo gaan wij op zondag massaal naar onze nieuwe goden. Naar de films om boeiende tonelen te zien. Naar de casino's om geld te verspelen. De één zal daarin wat netter zijn dan de ander. Toch geldt allen het woord van Paulus: Welker einde is het verderf, welker god is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelke aardse dingen bedenken (Filippenzen 3: 19).
De waarschuwende stem is voor Manasse weg. Alle goede jeugdherinneringen probeerde hij zo snel mogelijk van zich af te schudden. Dan gaan er dingen gebeuren die je nauwelijks voor mogelijk houdt. Manasse ging zo ver, dat hij zijn eigen zoontjes aan de Moloch offerde. De Moloch was een beeld van koperbrons. In de buik van het beeld brandde een vuur. En daarin wierp hij zijn twee lieve kinderen. Hoe ver de duivel ons krijgen kan! Vergelijk het met de duizenden abortussen in dit welvarende land. Het is toch niet voor mogelijk te houden dat vaders en moeders hun kinderen aan de dood prijsgeven, om zelf gemakkelijker door te kunnen leven.
We hoeven niet alleen aan abortus te denken. Nee, ouders kunnen hun kinderen ook op geestelijke wijze bij de Moloch brengen. Als zij hun kinderen oppervlakkig opvoeden, altijd lichtzinnig en zonder enige ernst leven. Altijd kritiek op de eigen kerk en haar predikers, die hen terugroepen tot de eenvoud van Gods Woord. Zo nemen ze hun gedoopte kinderen aan de hand en offeren hen aan de Moloch. Veel jonge mensen staan met gedoopte voorhoofden op plaatsen waar de Heere niet is en waar het vuur van de Moloch brandt. Ze zijn op de brede weg die eindigt in een onuitblusselijk vuur.
Was er dan niemand die Manasse eens waarschuwde en tegenhield? Ja, in het begin nog wel. Maar die mensen werden steeds minder in getal. Er waren nog wel van die getrouwen, die naar de Bijbel leefden. Eén van hen was Jesaja, de profeet. Hij was een getrouwe knecht van God. Deze man ergerde Manasse. Jesaja bedierf zijn feest. Jesaja sprak altijd over de heiligheid van Gods Naam. Dan wilde hij zijn vingers wel in zijn oren steken. Was die man er nu maar niet. Tenslotte heeft Manasse hem, volgens de ongewijde geschiedenis, gevangen genomen en in een holle boom geduwd en de boom in stukken gezaagd. Manasse deed al deze mensen groot verdriet. Toch was dat niet het ergste. Manasse deed God smart aan. Dat is het allerergste. Toen werd de Heere voor hem als een brullende Leeuw.
God gedenken
Manasse betekende: 'Doen vergeten'. Maar de HEERE zal gedenken: Ofschoon dezen Mij vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten. De Heere gedenkt aan Zijn verbond van ouds af en voert Zijn welbehagen uit. Daarvoor gebruikt de Heere soms wegen van druk. De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op. Zo spreekt God ook in ons leven en we merken er vaak niet op. Soms door tegenspoed, maar ook wel door voorspoed. God spreekt ook tot ons in de prediking, ernstig en welgemeend. Hij heeft Jeruzalem bijeen willen vergaderen als een hen haar kiekens. Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn (Lukas 19). Zijn wij ook niet als Manasse en zijn volk? Merk toch eens op. De HEERE spreekt nog. Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg, en leve (Ezechiël 33).
God brengt Manasse in moeilijke omstandigheden. En als Hij hem benauwde... God bracht hem in het nauw door middel van de koning van Assyrië. Daar zit Manasse in een stinkende gevangenis, geboeid door koperen ketens, zonder eten en drinken. Ver van huis en haard, van zijn familie en vrienden. Maar dan lezen we: ...en vernederde zich zeer voor het aangezicht van de God zijner vaderen. De God der vaderen. Daar krijgt Manasse zijn leven terug. Hij begint aan God te gedenken. De God van zijn vader Hizkia en de God van de profeet Jesaja. Hij herinnert zich Gods bemoeienissen en bovenal zijn eigen ongerechtigheden. De laatste slag is een genadeslag. Een zondaar geeft het echter niet zomaar op. Er is genade voor nodig om een mens onvoorwaardelijk aan Gods voeten te krijgen.
Manasse buigt zijn knieën en bidt. Zijn vader was een biddende man en Jesaja ook. Bidden heeft hij niet van de sterrenwichelaars geleerd. En hij vernederde zich zeer. Zijn hart is gebroken en verbrijzeld. "Heere hier zit ik nu." Ik lig gekneld in banden van de dood. Hij steekt zijn twee geboeide handen omhoog. Hij moet het voor God verliezen. Rechtvaardig is het, als hij deze kerker nooit meer uitkomt. Het is zijn eigen schuld. Hij roept tot de God van zijn vader: Och HEER', och wierd mijn ziel door U gered. Hij bidt ernstig, zeer ernstig, want de eeuwigheid is er mee gemoeid. Bij hemzelf is enkel verlorenheid, maar bij de God van zijn vader is nog ontkoming.
... en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. Als een mens zo laag mag bukken, gaan de deuren wel open. Zijn hart is geopend en de deur van de gevangenis gaat open. Maar het belangrijkste is dat de deur van de troon der genade opengaat. God Zelf maakt de deur open. Niet een cipier, of een soldaat. Maar het is enkel de genade van God in Christus, Die immers gezalfd is om de gevangenen vrijheid uit te roepen, en de gebondenen opening der gevangenis (Jesaja 61). We lezen dat God Zelf hem wederbracht naar Jeruzalem. Dat is het grote wonder van deze geschiedenis. De Heere wil nog omgang hebben met zo een walgelijk mens en hem vervolgens geleiden naar Jeruzalem. De Heere doet het om Zichzelf in Manasse te gaan verheerlijken, opdat Manasse God weer zou gaan groot maken.
God grootmaken
Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is. Ja, nu krijgt God de eer. Als Manasse in Jeruzalem terugkomt, ziet hij de puinhoop van zijn eigen oude leven. Overal staan de afgoden die hijzelf heeft opgericht. Nu moet hij zelf gaan opruimen. Niet uit dwang maar gewillig. De HEERE is God. Hij zegt: er is geen andere God, HEERE is Zijn Naam. De God, Die trouwe houdt in der eeuwigheid. Dat is Zijn Naam en dat is Zijn eer. Tot de eer van deze God wil Manasse nu gaan leven tot aan zijn dood toe.
Het zal niet makkelijk geweest zijn. De sporen van zijn vorige leven zijn diep getrokken in het volksleven. Manasse was wel bekeerd, maar zijn volk nog niet. Een mens zondigt niet zomaar; de gevolgen ervan blijven soms tot je dood merkbaar en zichtbaar. Laat het leven van Manasse ons tot een waarschuwing zijn om de Heere vroeg te zoeken, eer dat de kwade dagen komen en je zult zeggen: Ik heb geen lust in dezelve.
De bekering van Manasse is ook tot bemoediging voor iemand die zegt: "Ik heb teveel gezondigd. Ik ben zo verhard. Zou de Heere naar mij nog ooit willen horen? Zou ik nog bekeerd kunnen worden?"
Ik las het verhaal van een man die eens als Manasse leefde. Hij had zo gezondigd dat hij wanhoopte of God hem nog vergeven wilde. Op zekere nacht droomde hij dat hij onder aan de hemelse berg stond. Hij zag een groot gezelschap de berg Sion op gaan. Zingende en blazende op fluiten en trompetten. Hij vroeg zich af wie dat waren? En iemand zei: het zijn de profeten en apostelen die getuigd hebben van Zijn Naam. Toen vulden zijn ogen met tranen. Dan zal ik niet kunnen volgen. Vervolgens kwam er een gezelschap van mensen de berg op in rode kleding. En zij zongen luidkeels psalmen van overwinning. En weer vroeg de man wie dat waren? Het antwoord luidde: het zijn de martelaren die gedood zijn om hun belijdenis. En weer vulde zijn ogen met tranen: dan kan ik hen niet volgen.
Terwijl hij wanhopig rondkeek, zag hij een nog veel grotere schare de berg op komen in lange witte kleding. De man keek scherp en zag tussen hen Saulus van Tarsen en Maria Magdalena en helemaal op de achterste rij ook Manasse. Zij zongen onafgebroken de liederen van onverdiende genade en van de stervende liefde van Christus. Dat gaf de man vrijmoedigheid om naast Manasse in de achterste rij aan te sluiten. Terwijl hij tussen hen in naar boven liep dacht hij: als wij straks door de poort naar binnen gaan, zal het wel stil worden als ze zien dat ik er tussen loop. Tot zijn grote verbazing echter begonnen alle trompetten te blazen. En de hemelse scharen juichten: het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de dankzegging. Toen schokte de man wakker. Het was een droom. Nee, jonge vrienden, het was geen droom, maar het is de werkelijkheid. Maar neen, daar is vergeving, altijd bij U geweest; dies wordt Gij HEER' met beving, recht kinderlijk gevreesd.
Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juni 2002
Daniel | 30 Pagina's