Help me
Zendingsverhaal uit Nigeria-lgede deel 1
Een klein meisje van een jaar of acht staat vol belangstelling toe te kijken hoe de zuster medicijnen geeft aan haar doodzieke zusje. Heel voorzichtig gaat het, heel anders dan in het dorp. In het dorp bij de medicijnman worden de medicijnen (aftreksel van bladeren) bij handenvol naar binnen gegooid en haar zusje proestte en schreeuwde. Nu kijkt ze met grote angstogen, maar is wel rustig. Otilahu, zo heet het meisje, kijkt naar moeder, die naast de bank zit, waar haar zusje op ligt. Ze schudt haar hoofd en beweegt haar lichaam steeds heen en weer. Otilahu wordt bang. Waarom doet moeder dit? Ze stoot moeder aan en vraagt zachtjes: "Hoe is het, gaat het niet goed met haar?" Moeder kijkt haar niet aan, maar zacht prevelen haar lippen: "Het gaat niet goed. Ze is niet meer bij ons." Weer kijkt Otilahu naar haar kleine zusje. Ze ziet het kleine lichaampje met de huid in diepe plooien erom heen hangend. Weer kijkt ze naar die ogen en opeens wordt ze bang. Er is wat met die ogen!
Otilahu's gedachten gaan terug naar het dorp. Ze was aan het spelen in de rivier. Mensen, op weg naar de markt, kwamen voorbij. Ze hadden manden met sinaasappels en cassave bij zich. De weg naar de markt leidt door de rivier. Nu de regentijd pas begonnen is, is de weg nog goed begaanbaar. Je kunt nu nog goed door het water heen waden. Vrouwen en kinderen kwamen in grote schalen en potten water halen. Men had plezier, men was blij, want er was na maanden van droogte weer water. Opeens veranderde die blijdschap. Alice, een vrouw uit het dorp kreeg een baby. De baby was gezond, maar Alice bleef ziek. Otilahu sloop om de hut heen waar Alice was. Ze hoorde haar kermen en de baby huilen van de honger. Na vier dagen werd er een boodschap naar de kliniek gestuurd om hulp. Na een paar uur kwam de ambulance, maar omdat het de laatste dagen en nachten gegoten had, kon de ambulance niet meer door de rivier rijden. Enkele mannen wikkelden Alice in een mat en droegen haar door het kolkende water naar de overkant. Ook Otilahu was meegegaan. De stroom was wel sterk, maar ze kon goed zwemmen. Aan de overkant schudde ze zich uit als een poedel. De zilveren waterdruppels sprongen in het rond. Haar bruine huidje glansde. Ze wachtte op de mannen met de zieke. Tegelijk met de zuster, die meegekomen was met de ambulance, zag ze de ogen van de zieke. Angstogen, of... ogen die wel keken maar niets meer zagen? Otilahu schrok. Dat bleke gezicht, die starende ogen. Ze draaide zich om, leunde tegen een boom met gesloten ogen omdat alles om haar heen begon te draaien. Heel uit de verte hoorde ze de stem van de zuster die zei: "Jullie zijn te laat. O, waarom hebben jullie deze vrouw niet eerder gebracht?" Wanhoop klonk door in haar stem. Toen Otilahu haar ogen weer opendeed, zag ze hoe de mannen keken naar de vrouw en schreeuwden: "Ze is dood, o, ze is dood." Binnen enkele seconden klonk door het hele dorp het geweeklaag. Otilahu zwom terug, ging diep het bos in. Ze wilde nu niet in het dorp zijn. Dagen en nachten later, overdag en in haar dromen zag ze die grote stralende ogen in het bleke gezicht. Pas veel later durfde ze te vragen naar de baby en men vertelde haar dat de zuster die meegenomen had naar het weeshuis.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 mei 2002
Daniel | 34 Pagina's