JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Geerten Gossaert - Aloëtte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geerten Gossaert - Aloëtte

LeesWijzer

4 minuten leestijd

Hoe koel is 't in de morgenlucht, 

     Hoe is het loof verfrischt! 

O reeds doorboort de feller zon 

     Den blauwen morgenmist! 

Geen blad verroert: maar hoog en ver 

     Dringt door de stilten heen, - 

Als 't lichten van een late ster - 

     Eén jubeltoon alleen! 

Wie is hij? Wie heeft hem aanschouwd? 

     Wie heeft het hart gekend 

Dat zóo, door alle heemlen, zijn 

     Gewiekten hartstocht ment? 

Wie is hij? Die te zeggen waagt 

     In een zóo hoogen zang 

Zijn liefde? En wordt niet levensmoe 

     Den heelen morgen lang? 

Wie is hij? Die daar roerloos staat 

     Hoog in de ijle lucht? 

O geen aardsch hart, met smart besmet, 

     Stijgt in zóo steile vlucht 

Te zingen voor den troon van God...! 

     Wij hooren 't zwijgend aan ...: 

En vat ge niet den zin, mijn hart? 

     Ééns zult ook gij verstaan! 

 

Geerten Gossaert is de dichter die naam en faam verwierf met slechts één bundel, Experimenten. Aloëtte is het laatste gedicht (nr. LX) uit deze bundel. Opmerkelijk is dat het al van de eerste druk in 1911, toen de bundel nog maar twintig gedichten telde, op de laatste plaats heeft gestaan.

De titel geeft de Franse naam voor een klein zangvogeltje dat wel meer dichters geïnspireerd heeft, de leeuwerik. De dichter begint met een bekend zomers natuurtafereel te tekenen: een koele morgen waarin de (feller wordende) zon de nevels verdrijft; heel mooi trouwens, die derde regel! 't Is nog stil, maar één geluid dringt plotseling duidelijk hoorbaar door: de jubel van de leeuwerik. De dichter uit zijn verwondering en verbazing; hoe is het mogelijk dat dit kleine diertje zijn hartstocht (ja, zijn liefde tot de Schepper!) weet te uiten op zo'n schitterende wijze? Hoe is het mogelijk dat dit diertje schijnbaar onvermoeibaar doorgaat met God te loven? Hoe is het mogelijk dat een schepsel zo kan zingen voor Gods troon? Dit is meer dan een mens, die vaak door smart daarin belet wordt, doen kan. Wie dit hoort, kan alleen maar zwijgend bewonderen. En al is het een lied zonder woorden, daardoor is het niet van minder, maar juist van hoger waarde: eenmaal zal mijn hart dit ook verstaan! Deze verwijzing naar Johannes 13: 7 levert een contrast tussen heden (met smart) en toekomst (met verstaan), iets wat bij deze dichter vaker voorkomt.

Gossaert hanteert een sober rijm: alleen de even regels rijmen op elkaar in een simpel gepaard rijm. Maar zoals overal in zijn werk tref je ook hier diverse mooie alliteraties aan: te zeggen in een zoo hoogen zang (r. 13-14) of: met smart besmet, stijgt in zoo steile vlucht (r. 19-20).

Het gedicht is ook rijk aan stijlfiguren. Gossaert begint met inversies in de eerste drie regels. De antithese van r. 5 - 8 is bovendien een voorbeeld van beeldend taalgebruik. Dan komt er een aantal (directe en retorische) vragen (het hele middendeel), die gezamenlijk een fraai parallellisme vormen.

De beeldspraak in het gedicht is ook indrukwekkend. In r. 5 - 6 zet hij een mooie vergelijking neer, die aan waarde wint door de alliiteratie (lichten, late, alleen), die juist de woorden betreft die het unieke van de zang van de leeuwerik uitbeelden. In de oudste versie van het gedicht, had hij de typografie hier zelfs nog aangepast:

Als 't lichten van een laten ster,

één

jubeltoon

alleen!

Het hele vers getuigt van een tegenstelling tussen de mens ('wij', 'mijn hart'), die zo weinig verstaat van Gods werk en Gods plan, en het kleine schepseltje dat zo indrukwekkend Gods lof zingt. Dit contrast heeft Gossaert wel vaker onder woorden gebracht. Hij heeft in zijn bundel ook aandacht besteed aan de (vaak zo verkeerd gerichte) hartstochten van de mens. Juist daarom kon hij misschien ook zo mooi onder woorden brengen in r. 12 hoe dit vogeltje zijn hartstocht beteugelt ('ment') en richt op Wie het toekomt: God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2002

Daniel | 30 Pagina's

Geerten Gossaert - Aloëtte

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2002

Daniel | 30 Pagina's