De farizeër en de tollenaar (4)
O God, zijt mij zondaar genadig. Lukas 18: 9-14.
Afgekeurd in eigen oog maar niet in Gods oog!
Hij bleef helemaal achterin staan. Zelfs daar hoorde hij nog niet. Maar wegblijven kon hij ook niet. Zijn diepe schaamte over zijn door en door zondige leven was enorm groot. Maar de nood van zijn ziel was nog groter. Vanuit de diepte van zijn hart kwam de kreet van zijn ziel: O God! Wees mij de zondaar genadig!
Met een paar trekken schetste de Heere Jezus de oprechtheid van dit gebed van de tollenaar. ledereen was beter in zijn ogen en daarom stond hij niet vooraan. Omdat hij een groot beest was voor God, durfde hij niet rechtstreeks naar de hemel, de woning van God, te kijken. Misschien wel met gebalde vuisten sloeg hij zich op de borst, de plaats van die zondige fontein van zijn hart. Hij had zichzelf nooit zo gezien zoals hij het nu ziet. Nu is het net of dat overal de zonde hem voor ogen staat. Die vrouw die hij tegenkwam op de straat had hij eens meedogenloos behandeld toen ze pleitte of hij niet dat kleine beetje dat ze nog had zou stelen. Het huis waar hij elke avond weer binnen stapt gestolen goed! De ogen van haat waarmee z'n buurman hem aankijkt zijn welverdiend! De snelle zijstap waarmee zijn familie hem vermijdt is begrijpelijk! Als God hem voor eeuwig zou verdoemen, het zou rechtvaardig zijn!
Ken je iets van deze trekken in je innerlijk zielenleven? Als Gods Geest zaligmakend werkt, dan ga je naast de tollenaar staan. Dan durf je zomaar niet in Gods aangezicht te kijken. Want je voelt het: ik heb tegen een heilig en goed Wezen gezondigd. Totaal afgekeurd in eigen ogen. Misschien heb jij je nooit zo zondig uitgeleefd als andere mensen. Altijd netjes opgepast. Gehoorzaam geluisterd. Zondige plaatsen vermeden. Kerkelijk altijd meegeleefd. En toch, als de Heere ontdekkend werkt dan ervaren we ons zondiger dan de ruwe wereldling die om God en gebod niet geeft. Totaal afgekeurd. Zo stond die tollenaar voor Gods aangezicht. Zo kwam hij naar de kerk. Hij bad om genade. Er was niets meer in zijn hart waarop hij kon pleiten. Er zijn geen excuses. Geen verzachtende omstandigheden. Geen enkele gerechtigheid in zijn doen en laten. Niets dan alleen een hemelhoge schuld. O God! Wees mij de zondaar genadig! Toch zegt de Heere Jezus dit: "Deze ging af, gerechtvaardigd in zijn huis."
We laten nu maar even de vraag rusten of de tollenaar dat zelf zo beleefde in zijn hart. Daar gaat het eigenlijk niet over in deze gelijkenis. Want in vers 9 heeft de Heere Jezus duidelijk verwoord wat Zijn oogmerk in deze gelijkenis is: En Hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en anderen niets achtten, deze gelijkenis. Maar hoe kan nu zo'n man als die tollenaar gerechtvaardigd zijn in Gods heilig oog? Sloot de heilige God Zijn oog voor het verleden van die man? Waarom werd hij nu wel gerechtvaardigd en die andere, die toch zo netjes leefde, niet? Misschien denk je wel dat het antwoord niet zo moeilijk is. De Heere Jezus zei het toch: en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden. Natuurlijk, die man was gerechtvaardigd in Gods oog omdat hij zo nederig was. Hij was zo echt oprecht en kon zo echt huilen in waarheid over zijn zonden. Hij had niet alleen spijt van zijn zonden en vreesde niet alleen maar de straf op de zonde maar hij had echt berouw over zijn Godonterende zonde! Hij meende het echt en daarom werd hij natuurlijk gerechtvaardigd! Wel, vriend, als dat je gedachten waren, dan heb jij nog niks van de Evangelieboodschap begrepen. Dan ben jij eigenlijk een 'Evangelie-analfabeet'! Nee, al die hartetrekken die ik net opsomde zijn inderdaad het werk van de Heilige Geest. Maar zelfs die kenmerken van Gods werk in ons hart zullen nooit één mens rechtvaardigen in Gods heilig oog. Laten we Romeinen 4: 5 eens naast deze gelijkenis zetten. Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid. Dat is Gods enige weg waarin Hij de goddeloze rechtvaardigt. Niet om tranen; niet om berouw; niet om ware nederigheid. Alleen door het geloof in de Heere Jezus Christus.
In mijn gedachten ga ik nog eens naast die tollenaar staan. Hij durfde niet rechtstreeks naar God te zien zoals de farizeeër. Maar hij keek ook niet naar de grond! Nee, toen hij dat smeekgebed bad, keek hij ongetwijfeld met een betraand oog naar het brandende altaar dat daar voor in de tempel stond. Anders gezegd, de tollenaar keek naar het kruis van Christus toen hij smeekte voor genade. In zichzelf had hij geen enkele gerechtigheid waarop hij kon vertrouwen. Maar hij vertrouwde in het toevluchtnemend geloof op de gerechtigheid van het Lam Gods! En zo bad hij, ziende op het onbestraffelijk en onbevlekt Lam: "O God! Wees mij zondaar genadig!"
Zulke armen in zichzelf gaan gerechtvaardigd huiswaarts!
Ter overdenking
1. In welk opzicht staat in deze gelijkenis het hart van de Reformatie op de voorgrond? Lees daarna aandachtig Romeinen 4 door.
2. Wat is nu eigenlijk ware nederigheid? Raadpleeg in dit verband Romeinen 10 en het verhaal van Naäman in 2 Koningen 5.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 november 2001
Daniel | 32 Pagina's