JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zegent...  en vervloekt niet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zegent... en vervloekt niet

Bondsdagverhaal +12

12 minuten leestijd

De verrassing is volkomen! De soldaten hebben nauwelijks naar hun wapens kunnen grijpen om zich te verdedigen. In plaats van de opstandige boeren onverwachts te overvallen en te verslaan, zijn ze zelf in een val gelopen. In een ogenblik zijn ze omsingeld en gevangen genomen.

Slechts enkelen lukt het tijdens het korte gevecht te ontsnappen, waaronder de commandant. Hoewel hij een schouderwond heeft opgelopen, hoopt hij straks zijn overgebleven manschappen te kunnen hergroeperen en daarna een aanval te wagen om de gevangen genomen soldaten te bevrijden. Maar het aantal ontsnapte soldaten is zo klein dat hier geen sprake van kan zijn. Trouwens, de ontsnapte soldaten weten niet dat het hun commandant ook gelukt is te ontsnappen. Ze zijn op de vlucht geslagen.

De officier besluit om zich zo snel mogelijk te verbergen en het invallen van de duisternis af te wachten voordat hij zich in het open veld waagt om een goed heenkomen te zoeken. Het is koud en er zit regen in de lucht, die later op de middag met bakken uit de hemel valt. De commandant besluit nu om niet te wachten op de avond, maar gebruik te maken van het verminderde zicht door de regenval. Hij verlaat zijn schuilplaats om zo snel mogelijk ver van deze plek te komen om gevangenschap of erger te voorkomen.

Hij stijgt op zijn paard en wendt zich naar het westen waar de bewoonde wereld is, maar vanwaar de toenemende wind hem en zijn paard de regen fel tegemoet blaast. Hij heeft echter geen andere keus. Het zicht wordt steeds minder, de kou bijtender en het voortgaan moeilijker. En zijn schouderwond moet snel behandeld worden. De officier weet dat de tocht niet te lang mag duren.

Urenlang worstelen paard en ruiter tegen wind en regen in. De commandant voelt zijn krachten afnemen. Ook het paard vertoont vermoeidheidsverschijnselen. Maar de officier weet dat hij, als hij nu stopt, hopeloos verloren is. Deze gedachte geeft hem de kracht om door te gaan. De duisternis is intussen al lang ingevallen.

Dan is er opeens een verandering in het gedrag van het paard. Het heft het hoofd, spitst de oren en laat een zacht gehinnik horen. Betekent het gevaar? Wolven misschien? Maar nee, de opgewondenheid van het dier spreekt niet zozeer van angst, eerder van hoop!

Naderen ze een dorp? Een woning misschien? Mensen? De officier voelt een flauwte opkomen. Door bloedverlies en kou? Hij moet even afstappen. Dan voelt hij dat hij niet meer verder kan. Hij zakt door zijn knieën en beseft dat hij nog maar één ding kan doen. Hij roept zo luid hij kan zijn kreet om hulp de ruimte in. Dan verliest hij het bewustzijn.

 

De officier is er niet best aan toe als mannen hem vinden. Hij ligt naast zijn paard dat niet van zijn zijde is geweken. Hij heeft er niets van gemerkt dat hij veilig is, dat zijn wonden verzorgd worden en hij in een bed wordt gelegd.

 

Laat in de morgen van de volgende dag ontwaakt de commandant uit zijn diepe slaap en slaat hij zijn ogen op in een omgeving die hem volkomen vreemd is. Hij voelt zich vermoeid en koortsig. Toch is hij helder genoeg; hij herinnert zich haarscherp het gebeurde van gisteren. Ook begrijpt hij ogenblikkelijk dat hij niet in een boerenwoning is, maar in een slot of kasteel, waarvan de eigenaar zich in goede welstand moet bevinden, gezien de kostbare inrichting van het vertrek waarin hij is. Aan de muur tegenover hem is een prachtige schouw waarin een haardvuur brandt.

Dan gaat voorzichtig de deur van zijn vertrek open. Er komt een man binnen, die verrast is dat de patiënt wakker ligt rond te kijken. Het is een grijsaard, krachtig van postuur, met een peinzende blik in zijn donkere ogen. Hij loopt zwijgend op het bed toe en buigt zicht over de gewonde man. Hij neemt hem nauwlettend op.

Voordat de commandant vragen kan stellen, is de grijsaard weer vertrokken. Niet lang daarna verschijnt er een bediende om hem van voedsel te voorzien. Op zijn vraag hoe men hem gevonden heeft en waar hij is, krijgt de officier tot zijn verwondering niet de antwoorden die hij hoopt te krijgen. Wel vertelt de bediende hem dat zijn kreet om hulp is opgevangen door enkele mannen die op dat moment buiten waren en dat hij en zijn paard door hen in veiligheid zijn gebracht. De officier voelt zich te ziek om van het voedsel gebruik te maken. Hij drinkt wat en valt in een rusteloze slaap waarin hij gekweld wordt door dromen. Uit zijn veelbewogen militaire loopbaan komen hem steeds wisselende beelden voor de geest. Een onbestemd gevoel van dreiging groeit in hem uit tot angst, die hem van tijd tot tijd, badend in het zweet, wakker doet schrikken. Hij meent van haat vervulde gezichten rondom hem te zien, stemmen te horen die hem dreigend toespreken.

Hij wil het liefst opspringen en zijn wapens grijpen om zich te verdedigen, maar hij is niet in staat om overeind te komen. Hij voelt zich machteloos overgeleverd aan de koortsdromen die hem verschrikken.

Diep in de nacht ontwaakt hij weer uit zo'n angstdroom en zijn blik wordt onweerstaanbaar getrokken naar de plaats boven de schouw recht tegenover hem. Op de schouw branden enkele kaarsen en daarboven ziet hij het geschilderde portret van een jongen, haast een kind nog.

Hierdoor raakt de commandant in paniek. Waardoor heeft hij het portret niet eerder gezien? Heeft het daar wel steeds gehangen? Herinneringen die hij jarenlang heeft weg willen drukken, komen weer boven. Niemand hoeft hem nu meer te vertellen waar hij zich bevindt. Rillend van koorts en huilend van ellende voelt hij zich verplaatst in de tijd. Alsof het gisteren gebeurd is, zo ziet hij het weer voor zich...

 

Het was in de tijd dat koning Lodewijk XIV maatregelen had getroffen om de Hugenoten te dwingen tot het roomse geloof over te gaan. Daar hoorde ook bij, dat soldaten in hugenotenfamilies onderdak en verzorging moesten krijgen. De soldaten kregen allerlei vrijheden, tot mishandelen toe. Als jonge luitenant was hij met zijn manschappen uitgezonden met een bevel tot inkwartiering bij een voorname hugenotenfamilie. Zij kwamen in dit kasteel bij verrassing. Helaas was de graaf zelf niet thuis, hij had een belangrijk aandeel in het verzet tegen de geloofsvervolging. En dit prikkelde de soldaten. De soldaten waren steeds vrijer geworden en brutaler. De gravin had de plagerijen en grofheden weten te negeren, maar haar zoontje van tien jaar had daar grote moeite mee.

Toen was daar die vreselijke dag. De jonge luitenant was een dag afwezig. De soldaten hadden feest gevierd en zich bedronken. De slotbewoners hadden zich teruggetrokken om een botsing te voorkomen. Een jonge soldaat had in zijn dronkenschap gepocht dat er juwelen op het kasteel moesten zijn. Met z'n allen gingen ze op zoek naar de gravin. Toen zij haar kamer vonden, was deze vergrendeld. Op hun gebrul werd er niet open gedaan, zodat de soldaten besloten om zich met geweld toegang te verschaffen. Na veel moeite lukte dit en stonden ze oog in oog met de gravin die hen met een pistool in de aanslag opwachtte. Met brute kracht werd haar het pistool uit handen geslagen. Haar zoontje had, huilend van vernedering, het zware pistool gegrepen en beide lopen leeggevuurd op de leider van de soldaten. De wanorde was onbeschrijfelijk geweest.

De luitenant had na zijn terugkomst niet veel meer kunnen doen... Het ventje van tien jaar zat vastgebonden aan een stoel, met zijn blote voeten in de vlammen van het haardvuur. Enkele dagen later overleed het jongetje aan zijn verwondingen. Slechts de gravin heeft hij uit de handen van de beulen kunnen redden. Als luitenant was hij verantwoordelijk en hij wist zich geen houding te geven tegenover de gravin. Ziek van verdriet en schaamte had hij zich gevoeld. Hij vond het een verlossing toen het bevel tot opbreken en vertrek kwam...

Het is intussen lang geleden, maar de schande is hem blijven achtervolgen. Hij heeft geprobeerd de herinneringen te verdringen, weg te stoppen, maar ze bleven aanwezig.

En nu... nu beleeft hij die gruwelijke dag opnieuw. De chaos, de duivelse bende, de wanhopige moeder... en het kind. In de vele gevechten die hij in zijn loopbaan heeft geleverd, heeft hem nooit iets zoveel pijn bezorgd als de aanblik van de verminkte jongen...

Als dat portret er niet eerder gehangen heeft, kan dit maar één ding betekenen: dan is hij herkend! En... is zijn vonnis geveld. Zoals bij hem de schaamte als een zware last drukt, is bij hen de haat tegen hem zeker nog gegroeid...

Deze plaats moet hij zo snel mogelijk verlaten. Niet in de eerste plaats uit angst voor vergelding, maar hij durft de bewoners van het slot niet meer onder ogen te komen. Het zal niet gemakkelijk zijn om het slot ongemerkt te verlaten en zijn paard te bemachtigen, maar hij heeft geen andere keus.

Hij verlaat het bed. Rillend van koorts en wankel op zijn benen loopt hij naar een venster om achter de zware gordijnen te kijken. Buiten is alles duister. Binnen lijkt alles in diepe rust. Hij zoekt de kamer af naar zijn kleren en vindt deze opgevouwen op een stoel. Zijn hele uitrusting ligt daar compleet, met wapens en al! Geheel gekleed loopt hij naar de deur. Tot zijn opluchting is deze niet gesloten. Behoedzaam sluit hij de deur achter zich. Dan blijft hij enkele ogenblikken roerloos staan om te luisteren en zijn ogen te laten wennen aan de duisternis in de enorme hal. Uiterst voorzichtig sluipt hij de hal door naar het portaal. Daar is de deur! Tastend zoekt hij de grendels. Op dat ogenblik hoort hij een licht geruis achter zich en zacht klinkt het: "Doet u geen moeite."

Hij krimpt ineen van schrik en maakt onwillekeurig een beweging om te vluchten, maar een krachtige hand sluit zich om zijn pols en houdt hem in een ijzeren greep.

"Kom", klinkt het.

 

Met zachte drang wordt hij meegenomen, de donkere hal door. Hij verzet zich niet. Het heeft geen enkele zin. En hij voelt zich ellendig van vermoeidheid. Als ze voor een deur stilhouden, weet hij welke kamer zich daarachter bevindt en hij huivert. Hij deinst terug als zijn begeleider de deur opent en hem mee naar binnen neemt. In de haard brandt een helder vuur. Hij wankelt en kan nauwelijks zijn emoties onderdrukken. De beelden komen weer terug: dronken soldaten rond de jongen, de onmacht van de moeder.

Hij moet plaatsnemen in een stoel die daar kennelijk reeds voor hem is klaargezet. Dan pas ziet hij door wie hij bij zijn vluchtpoging is betrapt. Het is de man die hij de eerste morgen na zijn ontwaken binnen zag komen. Ook de grijsaard is gaan zitten en hij kijkt de officier lange tijd stilzwijgend aan. Daarna kijkt hij nadenkend in het vuur. Als hij begint te spreken, is het alsof hij zijn verhaal uit de vlammen leest.

 

"O, als u weet hoe hartgrondig ik u heb gehaat... Als u weet hoe ik ernaar verlangd heb om u te ontmoeten en u te vergelden naar wat u mij hebt aangedaan. Hoe ik de Almachtige heb gesmeekt om u ooit nog eens levend in handen te mogen krijgen om mijn vrouw en kind te kunnen wreken. In gedachten heb ik u talloze malen de dood ingejaagd. Slapeloze nachten heb ik gehad van de haat die in mij brandde. Het liefste wat ik op aarde had is mij ontnomen. Mijn vrouw is van verdriet gestorven. Ik bleef leven, van haat vervuld.

Maar een mens kan van haat niet leven. Dat moest ik leren, ik, die een echte christen meende te zijn. Maar een christen is een mens die de gezindheid van Christus heeft, die in alles Hem wil volgen. Daar past geen haat bij... God moest mij dat helemaal opnieuw laten zien. Toen ik dacht in mijn bitterheid te sterven, opende Hij mijn ogen voor de rijkdom van het Evangelie. En ik schaamde mij.

 

Ik vertel u dit in de hoop dat u mij zult begrijpen. Ik meende u te mogen vervloeken en wraak te nemen, tot ik besefte dat Gods Zoon voor onze zonden stierf toen wij nog Zijn vijanden waren!

Als iemand reden heeft ons te haten, dan is God het wel. En in plaats daarvan betoont Hij ons Zijn liefde en vergeeft ons onze schuld om Christus' wil. Hij vraagt van ons: "Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen die u haten; zegent wie u vervloeken; bidt voor wie u smadelijk behandelt".

 

Een tijdlang is het stil in de kamer. Dan kijkt de grijsaard de commandant aan en spreekt: "Ik ben God dankbaar dat pas na zoveel jaren onze wegen elkaar kruisen, commandant. Daarmee heeft Hij mij voor een groot kwaad bewaard. Één van mijn bedienden die u buiten vond, meende u te herkennen. Het kwam mij zo onwaarschijnlijk voor dat ik zekerheid wilde hebben. Daarom heb ik het portret boven de haard in uw kamer laten ophangen en heb ik zelf de wacht gehouden in de hal. Het is gegaan zoals ik dacht dat het zou gaan als u inderdaad de bewuste man zou blijken te zijn. Ik wilde u niet laten ontsnappen.

U hebt nog rust en verder herstel nodig. U kunt mijn gast zijn. Het is over nu. Mijn hart is tot rust gekomen..."

 

De commandant buigt roerloos zijn hoofd. Als hij eindelijk de grijsaard aan durft te kijken, staan er tranen in de ogen van de officier. Praten kan hij niet echt. Stamelend vraagt de officier aan de grijsaard om vergeving... Het wonder gebeurt. De graaf steekt zijn hand uit. De officier legt de zijne daarin. De hand van de Heere is over hen.

 

Dit verhaal van J J. Frinsel is op de +12 bondsdagen verteld; het is bewerkt door A. Karels.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 2001

Daniel | 32 Pagina's

Zegent...  en vervloekt niet

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 2001

Daniel | 32 Pagina's