Als er geen profetie meer is
Verslag van de Bondsdag, dinsdag 24 april 2001
Hartelijk welkom
Deze 54ste Bondsdag mag ik u allen hartelijk welkom heten. Er zijn veel zorgen geweest of deze dag door kon gaan. Vanuit het crisiscentrum, van het ministerie van landbouw en de gemeente Veenendaal kwam echter geen negatief advies, zodat er geen belemmeringen waren om de bondsdag te houden. Onze gedachten gaan echter uit naar hen, die getroffen zijn door de mkz-crisis en veel leed moeten doormaken. Ook anderen kunnen hier niet aanwezig zijn, omdat ze deze week stonden, of moeten staan bij de geopende groeve. Er zijn er ook, die vanwege ernstige ziekte of de gebreken van de ouderdom deze dag niet kunnen meemaken. We wensen hen allen kracht en sterkte toe om te dragen wat de Heere te dragen geeft. Toch mogen we deze dag nog met velen samenkomen rondom Gods Woord. Dat het een dag van inkeer en verootmoediging mag zijn.
Na haar welkomstwoord uitgesproken te hebben, geeft de presidente, mevrouw C.A. Kaslander-Goedegebuur, het woord aan de voorzitter van het bondsbestuur, ds. C.A. van Dieren.
Openingsmeditatie
In zijn openingsmeditatie bepaalt de dominee ons bij de woorden uit Ezechiël 22: 30b ...maar Ik vond niemand. Is er dan niemand meer? Dit is de vraag die ons vanmorgen gesteld wordt. Wie stelt deze vraag? De 'Ik' in de tekst, is met een hoofdletter geschreven. Het is niet Ezechiël. Het is de Heere Zelf. De God des eeds en des verbonds is op zoek gegaan. Niet bij de wereld of onder de heidenen. De Heere is op zoek gegaan onder Zijn eigen volk, het zaad van Abraham. De Heere heeft gezocht onder de profeten. Die moesten de woorden Gods spreken. De Heere zag, dat ze waren als rovers, die zielen vermoorden. Toen is de Heere gaan zoeken onder de priesters. Zij moesten waken over het heilige gebod en over het onheilige moesten zij verzoening doen. De priesters maakten echter geen onderscheid meer tussen het heilige en het onheilige. Ze gingen zelfs voor in het ontheiligen van de sabbat.
Dan komt de Heere terecht bij de vorsten. De koning Zedekia regeert over het overblijfsel van Juda. Een groot deel van het volk was al weggevoerd naar Babel. Ook onder de vorsten vindt de Heere niemand. Tenslotte zoekt de Heere onder het volk. Het volk pleegt echter alleen verdrukking en roverij. Wie zoekt de Heere dan? De Heere zoekt een man, die bekwaam is om de muur toe te muren en voor Zijn aangezicht in de bres te staan.
De zonden van het volk van Judea en Jeruzalem zijn voor Gods aangezicht opgeklommen. De Heere staat op het punt Zijn volle gramschap over het laatste overblijfsel van de kerk uit te storten. De doorbraak is er al. Hier wordt het beeld van een stadsmuur gebruikt. Door de gaten in de muur, de bressen, komen de vijanden naar binnen stromen.
De Heere vraagt of er één man is, die met zijn voorbede, met zijn smeking in de bres kan staan, die de nood van het land bekend kan maken bij de Heere. Het staat er met Jeruzalem nog droeviger voor dan ten tijde van de verwoesting van Sodom en Gomorra. Toen was er nog een Abraham, die in de bres stond, om de Heere te vragen of Hij, nog om tien rechtvaardigen, de stad wilde bewaren en sparen.
Ook de tijd waarin wij leven is een bijzondere tijd, vol nood. Zou de Heere onder ons nog iemand vinden die de nood op mag dragen?
Meer dan twintig jaar geleden zijn we begonnen de stem te verheffen tegen de abortuswet. Het is doorgegaan. Er heeft geen wederkeer in ons land plaatsgevonden.
Er zijn vorig jaar bidstonden belegd tegen de wet van gelijkwaardigheid op het gebied van samenlevingsverbanden. Er is een stille tocht gehouden tegen de euthanasiewet. Hoe komt het dat alles toch doorgaat? Is er in Nederland nog één die in de bres staat? Schuld maken is ons werk. Schuld bepraten is ook ons werk. Schuld beleven is een werk Gods. Als de Heere gaat afsnijden, net als bij Abraham, zal wat in het volgende vers staat, vers 30, zéker komen. Dan zal de Heere Zijn volle gramschap uitstorten. Hoe dichtbij is dat voor ons en voor onze arme kinderen?
De vraag die gesteld wordt deze morgen, komt ook tot een ieder van ons persoonlijk.Wanneer we door Gods Geest ons eigen leven leren kennen in al onze zonde, dan wijzen we niet meer naar een ander. Dan word ik schuldig voor Gods aangezicht. Dan ga ik de schuld beleven in de eenzaamheid. Dan wordt de nood van mijn kinderen mijn nood. Dan wordt de nood van land en volk mijn nood. Dan wordt de nood van het schepsel, dat als in barensnood zucht, ook mijn nood. We gaan dan van alles proberen om de bres toe te muren. Hebben we van alles geprobeerd om de nood op te lossen? Dan is er deze morgen misschien één, die vraagt: 'Is er Eén Die in de bres kan staan?'
De profeet Jeremia stelt ook deze vraag: 'Wie is Hij, Die Borg kan worden?' God heeft er Eén gevonden, Die bereid, bekwaam en gewillig was om in de diepte van de bres te staan, een bres die dieper was dan de diepte van de zee. Deze kan de bres toemuren met Zijn eigen bloed. Hier is het antwoord voor een ziel die vanmorgen uit moet roepen: 'Maar ik vond niemand'. Het zijn de woorden van de Kerk op de Paasmorgen. 'Maar Hem vonden ze niet'. In deze Middelaar is de hitte van Gods gramschap geblust. In de geloofskennis van Hem is er veiligheid. Dan betuigt Hij voor het eerst of opnieuw: 'Ik ben uw Heil alleen'. Geve de Heere, dat we zo met elkaar achter die Muur der behoudenis mogen schuilen.
Na het zingen van Psalm 146: 6 leest de dominee de brief voor die verzonden is aan Hare Majesteit Koningin Beatrix. Aansluitend hierop worden drie coupletten van het Wilhelmus gezongen.
Als er geen profetie is
Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot - Spreuken 29: 18a
Deze Bondsdag, zo begint ds. A. Schot zijn referaat, wordt gehouden in een tijd waarin er een sprake is onder het vee. In de Bijbel wordt het vee dikwijls ten voorbeeld gesteld voor de mensen. In Hosea 4: 16 lezen we: Want Israël is onbandig als een onbandige koe; nu zal hen de Heere weiden als een lam in de ruimte.
Hier wijst de profeet ons op de wortel van de zonde bij het volk Israël. Men wil geen juk dragen, maar verkiest de vrijheid. Israël krijgt van de Heere de vrijheid. De Heere zal hen weiden, als een lam in de ruimte. Dit is geen belofte, maar een oordeel. Een lam hoort niet in de ruimte, maar in de schaapskooi. In de kanttekeningen lezen we bij deze tekst: Dat God Israël eerst wilde als een lam vet weiden, dat is weelderig en rijk maken, en dan als uit de weide halen, om gevoerd te worden ter slachting. Israël krijgt de ruimte, los van Gods Woord en van Zijn dienst, namelijk in Assyrië. Dit is echter geen ruimte, maar slavernij, in de verstrooiing. God kon Israël dwingen om Hem te dienen, maar dat wil de Heere niet. De Heere wil vrijwillig gediend worden.
Vanmorgen komt de sprake van de tekst tot ons: Als er geen profetie meer is. Wanneer God Zijn profetie wegneemt, is dit een oordeel Gods. De profetie houdt namelijk in: de woorden Gods. Wanneer men de profetie ontneemt, ontneemt men het volk alles. God zwijgt dan immers? Dat is het ergste wat een volk kan overkomen. In het Oude Testament sprak God door gezichten om Zijn wil en raad bekend te maken. Deze manier van spreken kennen wij niet meer. Petrus schrijft: En wij hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht hebt. Profetie houdt het verkondigen van Gods Woord in. Het is het bekend maken van de wil van God en van onze schuldige plicht.
De profetie bindt de mens aan de wil van God. De mens hoort dit niet graag, want het ontneemt de mens zijn eigen ruimte. Zijn daden worden getoetst aan de wil van God. Gelukkig mag er in ons land nog profetie zijn, maar in het geheel van ons land heeft het geen zeggenschap meer. Welke plaats heeft de profetie in onze gezinnen, in ons persoonlijk leven? Is er een buigen onder de prediking? Daar waar de profetie nog in ons land is, zien we dat het zo weinig gezag heeft. Er is zoveel kritiek, zo weinig gezag. We zien ook bij ons een hunkeren naar de ruimte. Komt dat, omdat er bij ons en onze kinderen zoveel onkunde is? Ontbreekt de kennis van de profetie?
Namens de aanwezigen werd op de Bondsdag een groet gestuurd naar hen die bezig zijn in het vrouwenwerk in alle zendingsgebieden.
Wanneer er geen profetie meer is, ontbloot het volk, zo lezen we in onze tekst. Kleding dragen we vanwege de zonde, maar ook als bescherming tegen de hitte, de koude, de regen en de zon. Als de profetie gaat ontbreken, valt de bescherming weg van Gods Woord en Gods wet. Dan is er geen bescherming meer ten aanzien van de naaste, van het huwelijk van de naaste, zijn bezit, zijn eer en zijn naam. Het woord ontbloten houdt ontbinding en verbreking in. Wanneer de profetie gaat ontbreken, betekent het dat de teugel, die de mens in toom houdt, verbroken wordt. Er komt een opstand tegen God en tegen Zijn regering. Luther zegt hierover, dat wij zonder Gods woord niets anders dan afgoderij plegen en wel door het volgen van onze eigen wil. De gevolgen van het volgen van onze wil zijn verbreking en verstrooiing. De mens raakt in de eenzaamheid, omdat er een verbreking komt van wat de mens samenbindt. De Engelse vertaling schrijft bij dit tekstgedeelte: Dan komt het volk om.
De profetie is het enige middel ter behoudenis, het kan wijs maken tot de zaligheid. Waarderen wij de prediking, die ons Gods wil bekend maakt? Dragen wij de profeten en vragen wij, of God de profetie nog niet weg wil nemen? Of is er in uw gezin een vraag naar ruimte? Wat een voorrecht wanneer de Heere ons die ruimte onthoudt.
Het tweede deel van onze tekst spreekt over: Maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. Waar de profetie gehoord wordt, komt het op de toepassing aan. Jakobus schrijft: En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende. De profetie moet beslag leggen op onze harten en de harten van onze kinderen. Het komt aan op het bewaren en het doen van de wet. Heeft de profetie op u wel eens de uitwerking gehad, dat u als een arme, naakte zondaar voor God in de schuld gevallen bent?
Na het indringende en duidelijke referaat van ds. Schot wordt de morgenvergadering afgesloten met samenzang, mededelingen en dankgebed.
In de middagpauze benutten veel dames het mooie weer om buiten hun lunch te gebruiken.
Over en weer klinken begroetingen. Je kunt wel zien en merken dat de kerk in Veenendaal als locatie voor de bondsdag nu bekender is dan vorig jaar. De meeste dames weten nu waar je moet zijn voor de soep, het lectuurfonds en dergelijke.
De tijd vliegt om en weldra klinkt het orgelspel dat het begin van de middagvergadering aangeeft.
De middagvergadering
Ds. Van Dieren heet allereerst allen hartelijk welkom, die alleen de middagvergadering kunnen bijwonen. Er blijkt een internationaal gezelschap in ons midden te zijn, en wel uit Canada, Amerika en Nieuw-Zeeland. Ook u hartelijk welkom!
Na de opening van de middagvergadering krijgt ds. Schot gelegenheid om de vele vragen te beantwoorden. Een van de vragen gaat over het afbidden van een oordeel. Mogen wij een oordeel afbidden? In Zondag tien van de Heidelbergse Catechismus wordt erop gewezen, dat Gods leiding over alle dingen gaat, dus ook over het oordeel. Er zijn in de Heilige Schrift duidelijk voorbeelden van mensen, die het oordeel niet konden afbidden, maar ook niet durfden af te bidden. Ze hadden ingeleefd wie ze waren voor God en wat ze verdiend hadden. Als een mens werkelijk aan Gods kant gebracht wordt en aan Gods kant vallen mag, zijn er momenten dat Gods oordelen niet afgebeden worden. Er komt een buigen onder de oordelen, denk aan Jabes. Hij vroeg aan de Heere: Maak het met het kwade alzo, dat het mij niet smarte. Wij zouden misschien gevraagd hebben: Heere, bewaar ons voor het kwade, laat het niet komen'. In Psalm 97: 5 lezen we, dat gans Sion verheugd was, toen het Gods oordeel had gehoord.
De andere kant is, dat we een roeping hebben op deze aarde. Er moet en mag een smeken zijn voor land en volk. Een smeken of de Heere, ondanks de laaghangende oordelen, tot de eer van Zijn naam Zijn koninkrijk onder ons zou willen uitbreiden. De dominee wijst erop dat het voorleven belangrijk is: voorleven ten aanzien van onze kinderen, van onze buren, ja ten aanzien van iedereen. Onze kinderen kunnen geen ruimte krijgen om te leven, zoals zij dat willen. Het is zo belangrijk om ze jaloers te maken op de dienst des Heeren. Gods wet is een liefdeswet, geen zware last. Wij, mensen, vinden het een zware last omdat we de liefde tot de wet missen.
De dominee sluit de vragenbeantwoording af met het tweede gedeelte van de tekst, Spreuken 29: 18 Welgelukzalig is hij, die de wet bewaart. De tekst van vanmorgen eindigt heel persoonlijk. Welgelukzalig! Dat is niet naar menselijke maatstaven, maar naar Goddelijke maatstaven. Wat baat het ons als mensen ons zalig spreken? Daar heb je niets aan. Gelukkig zijn zij, die de Heere gelukzalig noemt. Zo nadelig als het gemis van de profetie is voor het volk, zo heilzaam is het als de profetie beoefend mag worden. Bewaren, zeggen de kanttekenaren, dat is: wie de wet des Heeren bewaart. Denk aan het leven van Maria. Doch Maria bewaarde al deze woorden, overleggende die in haar hart. Mag dat uw leven zijn? Is de profetie, de wet, uw grootste schat? Bewaren wil zeggen: nauwkeurig gadeslaan, niet afwijken noch ter linker-, noch ter rechterhand. Alleen diegenen zijn rechtvaardig voor God. Wie is tot deze dingen bekwaam? Heeft u al geprobeerd om Gods heilige wet te bewaren met gedachten, woorden en werken? Bewaren, omdat de wet Gods heilige wil is? Weet u uit beleving, wat het is, dat u de wet niet kunt houden? Dan moeten we zeggen: 'Heere, wie zal ooit de wet kunnen bewaren?' Om dan te mogen leren dat er slechts Eén is, Die in de bres kan staan. Die u toeroept: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Christus heeft de wet vervuld en de wet bewaard. Hij trekt de wet niet af van Zijn volk, Hij geeft de wet terug aan Zijn kinderen. Christus zegt in Mattheüs 11: 29 en 30 Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en mijn last is licht. Welgelukzalig is hij of zij die de wet bewaart. Welgelukzalig in dit leven: dat kun je zien, daar gaat wat van uit. Gods kinderen zijn werkelijk gelukkig. Hun leven laat zien dat de dienst des Heeren een liefdesdienst is en de wet geen last is. Niet alleen met de mond, maar in alle delen van het leven. Maar ook welgelukzalig na dit leven. Christus heeft gezegd: Zie, Ik kom haastelijk. Zalig is hij die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.
Na de vragenbeantwoording en de samenzang worden door vijf dames van het bondsbestuur fragmenten uit gedichten van wijlen ds. A Makkenze voorgedragen. Het zijn gedichten, die hij in het begin van de vorige eeuw in Dirksland heeft geschreven. De vijf gedichten hebben de volgende titels: Kent u Gods Woord?, Kent u God?, Kent u uzelf?, Kent u Jezus?, Kent u Ghristus?. Deze vijf onderdelen worden afgewisseld met samenzang.
De opbrengst van de morgencollecte ten bate van de onkosten was: f 17.436,95.
De opbrengst van de middagcollecte ten bate van de vakantieweken voor onze medemensen met een handicap was: f 17.546,-.
Sluiting
Na deze indringende gedichten vol persoonlijke vragen, spreekt mevrouw Kaslander-Goedegebuur een dankwoord uit.
Ds. Van Dieren beëindigt de dag en vraagt een ieder van de aanwezigen, of het wel eens tot verwondering geweest is dat wij nog leven onder het profetische Woord. We beginnen de dag met Gods Woord en mogen de dag daar ook mee besluiten. Iedere zondag mogen we dit Woord beluisteren. Velen in ons vaderland zijn vervreemd van Gods Woord. Zijn wij dan beter? Is de Heere dan niet onuitsprekelijk lankmoedig dat Hij ons het Woord geeft, en ook tot op deze dag nog laat? De Heere Jezus heeft de farizeeërs nooit verweten dat ze met het Woord bezig waren. Hij heeft juist gezegd: Onderzoekt de Schriften, want die zijn het die van Mij getuigen. De Heere zal nooit iemand verwijten dat hij teveel in het Woord gezocht en gelezen heeft, wel dat hij het te weinig gedaan heeft. De Moorman maakte een wereldreis om dat Woord te verkrijgen. Al reizende las hij de profetie en onderzocht als een blinde, een onwetende, maar ook als een heilbegerige. Dat we zo ook als een heilbegerige Gods Woord mogen lezen. Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijnen smaak én hart én zinnen strelen. Dan komt er plaats voor Christus. Dan komt Hij erin mee. Dat gebeurde ook voor de Moorman. Op een moment en plaats, waar de Moorman het niet verwacht heeft, bleek de Heere van hem af te weten. Laten we op de vereniging blijven bij dat Woord. Petrus zegt: Gij doet wel, dat gij daarop acht neemt. Wanneer Christus wederkomt, zullen de profetieën een einde nemen. De vragen zullen opgelost worden. De Kerk zal voor eeuwig verlost zijn van haar verduisterde verstand. Dan is er geen profetie meer nodig. De schaduwen zullen vlieden. Het zal zijn als met de koningin van Scheba: En zie, de helft is mij niet aangezegd.
De dominee sluit de middagvergadering met gebed. Na het zingen van Psalm 122: 3 gaat ieder weer huiswaarts. Veel hebben we gehoord. Dat de Heere alles wat we gehoord hebben, zou willen zegenen tot een eeuwige zegen voor een ieder van ons persoonlijk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001
Daniel | 32 Pagina's