JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Zending in 2001: het christendom op zijn retour?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zending in 2001: het christendom op zijn retour?

De einden der aarden beginnen achter je hakken

13 minuten leestijd

Na bijna tweeduizend jaar zendingswerk zijn er geen 'witte plekken' meer op de wereldkaart. Alle landen zijn met het Evangelie in aanraking gekomen. Betekent dit dat onze zendingstaak ten einde loopt? Of krijgt het zendingswerk een ander gezicht? Zendingswerk en evangelisatiewerk in Nederland beginnen erg op elkaar te lijken. Denk aan de asielzoekers, maar ook aan al die Nederlanders die werkelijk nog nooit van de Heere Jezus gehoord hebben. De mensen in Izi zeggen het zo: "De einden der aarden beginnen achter je hakken."

In West-Europa lijkt het christendom op zijn retour. Ook in Nederland. Toch is dit geen afspiegeling van wat er in de wereld gebeurt. Het christendom groeit juist, het groeit zelfs snel. Op dit moment vormt het christendom de grootste religieuze groep ter wereld.

Halverwege 2000 noemden ruim twee miljard mensen zich christen. En dat aantal groeit nog steeds. Wel verandert de omgeving waar nieuwe zendingswerkers worden geplaatst. In Irian Jaya en Nigeria werkten de zendingswerkers op het platteland, onder mensen die vaak niet veel verder hadden gekeken dan hun eigen dorp. Echter, in Guayaquil (Ecuador) werkt de zending in de sloppenwijken van een grote stad. 'Grotestadszending' noemen we dat.

Een goede vraag is daarom: wat verandert er in het zendingswerk? Vier zendingsmensen geven hun mening: de heren W. Polinder (evangelist in Guinee), J. van Doleweerd (evangelist in Guayaquil), L. Stok (diaconaal beleidsmedewerker van ZGG) en A.F. van Toor (lid van het Deputaatschap voor zending).

 

Verschilt het zendingswerk wezenlijk van het evangelisatiewerk dat in Nederland onder bijvoorbeeld asielzoekers gedaan wordt?

Polinder: "Ik denk niet dat er een wezenlijk verschil is. Wel kan ik mij voorstellen dat de moderne westerse mens in Nederland, een hele andere benadering zal vragen dan iemand uit Zuid-Amerika of uit Afrika. In een samenleving waar mensen zich erg eenzaam en alleen voelen, waar weinig onderlinge liefde is en mensen erg op zichzelf staan, zou een benadering met het accent op vriendschapsevangelisatie wel eens heel belangrijk kunnen zijn."

Van Doleweerd: "De Nederlandse (kerk)geschiedenis is niet los te maken van haar cultuurgeschiedenis. De Westerse samenleving bestaat uit mensen die zichzelf als autonoom bestempelen en aan het eigen vinden, denken, en beleven een grote plaats toekennen. In Ecuador wordt een veel grotere plaats ingeruimd aan een hogere macht, de gemeenschap, de mening van een autoriteit en dergelijke. Wanneer je wilt evangeliseren, waar ter wereld dan ook, zul je rekening moeten houden met de zijnswijze van mensen. De manier van evangeliseren kan daarom ook niet overal hetzelfde zijn. Toch is het hart van de zaak gelijk en erop gericht dat men in het licht van de Schrift zijn afkomst, huidige toestand en toekomst leert inzien en de toevlucht neemt tot Jezus Christus."

Ook de heer Stok ziet weinig verschil: "Zendingswerk in een grote stad verschilt niet wezenlijk van evangelisatiewerk, zoals bijvoorbeeld gedaan wordt in Amsterdam. Wel kunnen in de praktijk uitgangspunten voor het werk, benaderingswijzen van mensen en visie op gemeenteplanting en gemeenteopbouw verschillen. Dat heeft echter meer te maken met een verschillende uitwerking van de opdracht van de Heere Jezus."

 

Kan de ervaring die zendingswerkers opdoen gebruikt worden bij het evangelisatiewerk in Nederland? Denk bijvoorbeeld aan asielzoekers die uit Afrikaanse landen komen.

Van Doleweerd: "Uiteraard zouden zendingswerkers ingeschakeld kunnen worden bij het evangelisatiewerk. Het gaat uiteindelijk om een en dezelfde zaak: de uitbreiding van Gods Koninkrijk."

Ook Polinder staat hier positief tegenover. In Guinee werkt de zending onder moslims. "Dat vraagt om een hele eigen benadering. Daarbij denk ik aan de manier waarop je een gesprek begint, de wijze waarop je de kern van het Evangelie verwoordt, zonder woorden te gebruiken waar een moslim zich aan stoot. Je probeert een ingang te vinden via Bijbelse namen die voor moslims bekend zijn. Enzovoort. Ook doe je een schat aan ervaring op met betrekking tot het werken in een Afrikaanse cultuur, een cultuur die je vaak terugvindt bij allochtonen. Het is belangrijk om enigszins op de hoogte te zijn van bepaalde gewoonten, normen en waarden. Bijvoorbeeld: hoe maak je contact? Hoe druk je respect voor iemand uit? Hoe geef je commentaar? Hoe bouw je een vriendschap op met moslims?"

De heer Stok vindt het ook wenselijk als er een betere uitwisseling is tussen werk in Nederland en werk in het buitenland. Hij gebruikt het beeld van de cirkels: "Het werk vanuit de christelijke gemeente kent steeds wijder wordende cirkels. Doordat onze samenleving steeds meer multicultureel wordt, gaan deze cirkels ook meer door elkaar lopen. Dat vraagt om uitwisseling van ervaringen. Wel hebben asielzoekers een geheel eigen problematiek. Dat vraagt om een eigen benadering."

 

In hoeverre moeten we ons, op de zendingsvelden en in Nederland, aanpassen bij de belevingswereld van de mensen waaronder we werken?

Stok: "Wie het hart van een mens wil bereiken, zal ook begrip en aanvoeling moeten hebben van zijn beleving van de werkelijkheid. Dezelfde dingen kunnen immers in andere (sub-)culturen een totaal andere, soms tegenovergestelde betekenis hebben."

De heer van Doleweerd vindt dat we ons wel aan de belevingswereld van mensen aan moeten passen, maar niet aan hun afgoden. Daarmee bedoelt hij "gewoonten, denkbeelden, enzovoort, die de relatie met God en het dienen van Hem in de weg staan. Het is goed voor te stellen dat zowel een ongeremde expressiviteit (Afrika) als een emotieloze afstandelijkheid (Nederland) onder de 'afgoden' vallen. Zo'n keuze zal steeds ter plekke gemaakt moeten worden. Je kunt niet zeggen dat tomeloze expressie in Afrika wel mag en hier in Nederland niet. We moeten leren ons leven in het licht van Gods Woord te beoordelen."

Het doel van zendings-en evangelisatiewerk is volgens Polinder in de eerste plaats het winnen van mensen voor Christus. Hij maakt een onderscheid tussen inhoud en verpakking van de boodschap. "Bij 'verpakking' denk ik aan het vertalen van de boodschap (inhoud), op zo'n manier dat ik als het ware de taal- en denkwereld van de ander binnenstap. Bij de apostel Paulus zien we ook dat hij dienstbaar is aan allen, de Joden geworden als een Jood, degenen die zonder de wet zijn, is hij geworden als zonder de wet zijnde. Dat betekent dat we in Paulus' benadering een bepaalde soepelheid en bewegelijkheid zien, waarbij op geen enkele wijze tekort gedaan wordt aan het Evangelie.

Dan denk ik bij voorbeeld aan het taalgebruik. Binnen het evangelisatiewerk zul je bij een buitenstaander niet verder komen dan opgetrokken wenkbrauwen met het onder ons bekende godsdienstige taalgebruik. Er is niets mis met dat taalgebruik, zolang je onder elkaar bent. Maar je komt er pas achter dat het een taal voor 'insiders' is als je er met buitenstaanders in communiceert.

Denk ook aan muziek. Het zingen bij een snaarinstrument met enig ritmisch geroffel staat veel dichter bij bijvoorbeeld een Afrikaan dan het onder ons bekende orgel. Waarom zouden we die soepelheid wel opbrengen op de zendingsvelden en niet in Nederland, waar we ook steeds meer met andere culturen en belevingswerelden te maken krijgen?"

 

Is het nog gerechtvaardigd om een onderscheid te maken tussen zendings- en evangelisatiewerk? En hoe zit het dan met het Deputaatschap voor zending en het Deputaatschap voor evangelisatie?

Volgens de heer Polinder is dit verschil vanuit het verleden verklaarbaar. Maar als we kijken naar de secularisatie in Nederland dan is het onderscheid volgens hem niet meer zo functioneel. "Vanuit het Nieuwe Testament kunnen we de roeping van de gemeente het beste omschrijven met het woord 'zending' (apostolaat). Bijbels gezien houdt zending zowel Woordverkondiging als diaconaat in, en dat geldt zowel in Nederland als daarbuiten. Ten diepste is er vanuit de Bijbel sprake van één zending, maar zijn de werkvelden verschillend. Het ene werkveld betreft Nederland, het andere werkveld betreft verschillende landen buiten Nederland. Misschien zou het een idee zijn om te spreken over één deputaatschap voor de zending met daarin de verschillende werkvelden: Albanië, Nederland, Guinee, Ecuador, Irian Jaya, China, Nigeria."

De heer van Doleweerd zou het onderscheid juist willen handhaven. "Het is een praktisch bruikbaar onderscheid: zending ver weg, evangelisatie dichtbij. Eén woord kan ik er niet van maken. In zending ligt voor mij meer het 'uitgaan' opgesloten. Dat heeft in zich: een gezonden worden door de gemeente. Evangelisatie blijft voor mij behoren tot de taak van iedere plaatselijke gemeente. De gemeente Gods is gezonden. Delegeren, los van de gemeente, brengt bij evangelisatie het gevaar met zich mee dat het juiste zicht op het wezen van de gemeente verloren gaat."

Daarom moeten volgens hem de deputaatschappen voor zending en evangelisatie ook niet samengevoegd worden, "omdat zending een opdracht impliceert die boven de taak van de plaatselijke gemeente uitstijgt. De kerntaak van het Deputaatschap voor evangelisatie ligt mijns inziens in het toerusten van bestaande gemeenten in de uitvoering van haar evangelisatiewerk ter plaatse." Maar als het gaat over evangelisatieposten die buiten het bereik van plaatselijke gemeenten liggen, ligt samenwerking volgens hem voor de hand.

Ook de heer Stok zou het onderscheid handhaven. "Wie de kerkelijke gemeenten in het centrum ziet, als eerste verantwoordelijke, kan de rol van deputaatschappen niet anders zien dan als een instrument. Soms heel noodzakelijk voor coördinatie en bundeling van ervaring en kennis, maar niet als grootheden in zichzelf. Ze zijn dienstverlenend voor de breedte van het werk, zoals dat vanuit de gemeenten in steeds wijder wordende cirkels plaatsvindt. Daarom moeten ze mijns inziens niet samengevoegd worden, maar wel duidelijker afgestemd worden op elkaar. Zodat er in het werk vanuit de gemeenten een continuüm zichtbaar wordt."

 

Dankzij internet (en e-mail) is het veel gemakkelijker om contact te hebben met zendingswerkers. Verandert het zendingswerk door de verbeterde communicatiemogelijkheden?

Polinder: "Helaas gaat dat niet op voor het zendingswerk in Boke en Garama. In Boke zijn we telefonisch bereikbaar, als de lijn er niet uitligt (en dat gebeurt nogal eens) en in Garama alleen via een radioverbinding tussen Boke en Garama. In Dubreka is er wel de mogelijkheid om te e-mailen.

Ik weet niet of het zendingswerk erdoor verandert. De tijd die we niet konden besteden aan e-mailen en telefoneren hebben we besteed aan Guineeërs. Een nadelig gevolg van internet en e-mail zou kunnen zijn dat je meer met één been blijft hangen in de Nederlandse cultuur (snel even het RD lezen...), dan wanneer je verstoken bent van alle communicatiemogelijkheden."

Dit gevaar wordt ook onderstreept door de heer Stok: "Een gevaar met betere communicatiemogelijkheden is, dat de hechting met het thuisfront te sterk blijft, zodat dagelijkse emoties erdoor beïnvloed worden. Wie in de zending werkt, moet zich ook los(gemaakt) weten van de Nederlandse situatie." Maar positief vindt hij het ook: "Snellere communicatielijnen geven meer mogelijkheid voor informatie-uitwisseling en meeleven in bepaalde omstandigheden. Ook kan er wat betreft het werk meer afgestemd worden. Toch kan ook de onrust toenemen en de ruis in communicatie kan wederzijds frustraties en irritaties oproepen. Het eigenlijke zendingswerk verandert echter niet echt door betere communicatiemogelijkheden."

De heer Van Doleweerd wijst op een ander aspect: "Afstanden worden steeds kleiner. Overleg kan frequenter gevoerd worden. Maar ook komen de ontwikkelingen op het zendingsveld voor de gemeenten dichterbij. Daarmee nemen bijvoorbeeld de kritische vragen toe. Door de betere communicatiemogelijkheden komt het aspect van de wederkerigheid steeds dichterbij."

 

Is het goed om gebruik te maken van kortverbanders (mensen die voor enkele maanden of een jaar 'zendingservaring' opdoen, of bijspringen in drukke tijden)?

Van Toor: "Ik werk op een bedrijf waar onze hoofdredacteur uitgaat van de stelling dat je pas na een jaar of drie kunt zien of iemand een goed journalist kan/zal worden. Een wijs uitgangspunt. Ook een zendingswerker zal een behoorlijke periode nodig hebben om zich in te werken, in te leven en een plaats te krijgen onder de bevolking. Kortverband en stage kunnen heel nuttig zijn om aan zendingsland en -kerk te snuffelen. Over het algemeen zal het te kort zijn om daadwerkelijk iets voor die kerk te betekenen. Het belang zal dus goed moeten worden overwogen. Een effectieve inzet van slechts een beperkt aantal maanden is praktisch nergens te realiseren, omdat je dan de culturele context nog onvoldoende kent en waarschijnlijk de taal niet of nog niet goed beheerst."

 

Met de zendingsgemeenten in Irian Jaya en Izi hebben onze gemeenten een correspondentieband. Dat houdt onder andere in dat beide partijen toegang hebben tot eikaars synodes. Maar wat betekent de correspondentieband in de praktijk? Wat doet het met de zendingsgemeenten overzee en wat doet het met ons? Geven we alleen of ontvangen we ook? Leren we van elkaar?

Van Toor vindt het vanzelfsprekend dat wij niet alleen geven aan de zendingsgemeenten, maar ook willen ontvangen. We kunnen een aantal dingen van hen leren. "Dat belijden een plaats in het dagelijks leven moet hebben. Wij spreken - terecht - over leer en leven. In zo'n jonge zendingsgemeente zie je meer: leer Is leven en leven Is leer. Men worstelt meer met de vraag hoe het christen-zijn (hetgeen als het goed is inhoudt: het van Christus-zijn) een praktische plaats krijgt in het leven.

Tegelijk moet daar geen tegenstelling van gemaakt worden. Waar de Heere met Zijn genade in het leven van mensen komt (waar ter wereld dan ook), zie je die worsteling komen: Leer mij naar Uw wil te hand'len; 'k Zal dan in Uw waarheid wand'len.

Wel zal er door de moederkerk voorlopig nog hulp geboden moeten worden op het gebied van toerusting, kadervorming en de opbouw van het kerkelijk leven. Een belangrijk aspect daarbij is de hulp bij het doordenken en gestalte geven van het gereformeerd belijden in de leefwereld van de jonge kerken. Daar kunnen wij weer van leren hoe moeilijk het is om het Woord van God in de samenleving in te dragen, hoe moeilijk het is om de gereformeerde leer in te slijpen (en het voorrecht dat wij hebben met het bezit van onze belijdenisgeschriften die zo'n schitterende samenvatting zijn van hetgeen God in Zijn Woord leert)."

Stok ziet vooral een belangrijke ontwikkeling voor de komende tien jaar zich aftekenen. "Elke zendingswerker ondergaat een invloed van de leefomgeving en de mensen waarmee contact is geweest gedurende een aantal jaren. Je komt anders terug dan je gegaan bent. Zo kan het ook niet anders of een kerkelijke gemeente die jarenlang evangelisatie- en zendingswerk bedrijft, ondergaat daarvan een invloed.

Tot nu toe lijkt het erop dat we meer geven dan ontvangen. Het ontvangen heeft ook een wat bedreigende kant. Daarom zal het invulling geven aan wederzijdsheid - dat is het willen leren van die ander, die door Gods genade onze broeder of zuster(-gemeente) is geworden - een boeiende uitdaging vormen voor de Gereformeerde Gemeenten in de komende tien jaar.

Van Toor sluit aan bij die wederzijdsheid. "De jonge kerk krijgt ongetwijfeld ook te maken met ontwikkelingen die zich voor gaan doen als een kerk langer bestaat: het ontstaan van een groep die wel bij de kerk hoort door geboorte, maar bij wie de tekenen van bekering en geloof niet zo zichtbaar zijn. Het kan leerzaam zijn te weten hoe daarmee wordt omgegaan in de moederkerk. En wij kunnen weer leren van de directe relatie die er gelegd wordt tussen de boodschap van Gods Woord en de vragen van alledag, dat zo sterk in de zendingskerken gebeurt. Door Woord en Geest trekt de Heere mensen uit de duisternis tot Zijn licht. Dat wondere werk verbindt over cultuurverschillen heen."

Stok: "Wellicht zullen wij ook tot de erkenning moeten komen, dat we het zelf niet alleen af kunnen in Nederland. Maar dat we Gods wereldwijde kerk nodig hebben om ons te leren hoe we kunnen leven en getuigen in een niet-christelijke samenleving."

(Deputaat A.F. van Toor is alleen bij de laatste twee vragen betrokken.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 2001

Daniel | 40 Pagina's

Zending in 2001: het christendom op zijn retour?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 2001

Daniel | 40 Pagina's