Verlangen naar de hemel
Calvijn: ...deze hoop is geen dood ding of een lege fantasie
Er worden de laatste jaren nog al eens enquêtes gehouden over de mate van kerkelijke betrokkenheid in ons land. Uit deze enquêtes komt naar voren dat veel mensen nog wel in (een) God geloven, maar niet meer in een hemel of een hel. Men wil er eenvoudig niet meer aan dat er nog een andere werkelijkheid is dan de onze. Zelfs in de theologie heeft men aansluiting gezocht bij het moderne levensgevoel. In de theologie wordt dat moderne levensgevoel doorgaans belangrijker geacht dan het eeuwig blijvende Woord van God. Ideeën uit andere godsdiensten, zoals de reïncarnatie, worden in het theologisch denken opgenomen; zelfs wordt het geloof in een leven na de dood ter discussie gesteld.
Nog hebben wij het profetisch Woord dat zeer vast is. We doen wel als we daarop acht slaan, als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Wanneer we de Bijbel erop nalezen, valt het op dat de Heere Jezus gedurig gesproken heeft over de hemel en over de hel. Ook de kerkvaders hebben daarvan getuigd. Tertullianus, de apologeet van de vroege kerk, schreef in zijn boek over de Opstanding: De opstanding der doden is het vertrouwen van de christen. Door dat geloof zijn we wat we zijn. Zo luidt ook het einde van de geloofsbelijdenis van Athanasius: ...die het goede gedaan hebben, zullen in het eeuwige leven ingaan, maar die het kwade gedaan hebben in het eeuwige vuur. Met een krachtige vermaning wordt deze geloofsbelijdenis dan afgesloten: Dit is het katholieke geloof. Wie dit niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden.
Het is een goede zaak om na te gaan hoe het geloof in deze eeuwige toekomst ons dagelijks leven behoort te bepalen. De redactie heeft mij gevraagd een artikel te schrijven over het "verlangen naar de hemel". Daarbij wil ik in de eerste plaats aandacht geven aan wat er in het Oude en het Nieuwe Testament gezegd wordt over de hemel en, daarmee verbonden, wat het verlangen daarnaar eigenlijk is. Vervolgens wil ik nog stilstaan bij wat Johannes Calvijn in een hoofdstuk van de Institutie daarover naar voren heeft gebracht.
De hemel in het Oude Testament
Het is stellig waar dat er in het Oude Testament meer nadruk valt op het leven in deze wereld dan op het leven in het hiernamaals. Dat betekent echter niet - zoals sommigen wel zeggen - dat er in het geheel niets is gezegd over het leven hiernamaals.
Letten we allereerst op het Hebreeuwse woord sjamaim, dat eigenlijk 'hemelen' betekent. Het staat er dus in het meervoud. Toch betekent dit niet dat er meerdere hemelruimten zouden zijn, maar alleen dat de plaats waar God woont een weids land is dat zich ver uitstrekt. De hemel is de plaats waar God Zijn heerlijkheid meer vertoont dan ergens elders. Daarom noemt Hij de hemel ook Zijn troon. Toch is het voor ons verborgen, waar deze heilige ruimte is. In de beperktheid van ons menselijke bevattingsvermogen menen we dat de hemel hoog boven ons is, achter de wolken en de sterren. Daarom vraagt Mozes aan de HEERE of Hij uit Zijn hoge woning wil nederzien op Zijn volk: Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel (Deuteronomium 26: 15). Toch is het waarschijnlijk zo, dat de Heere Zich in deze wijze van spreken wil aansluiten bij ons menselijke begrip.
In het Oude Testament wordt de hemel dus getekend als de plaats van Gods woning. Daar staat Gods troon en rondom Zijn troon verzamelen zich de legers van Zijn macht, de engelen en zelfs de strijdwagens van Zijn ruiterij. Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld (Psalm 68). Het zijn ook weer mensvormige uitdrukkingen, om daarmee duidelijk te maken dat God regeert en dat Zijn koningschap over alles gaat. Over de hemel en de aarde en ook over de plaatsen onder de aarde. Alles wat er op de aarde gebeurt, wordt vanuit de hemelse troon bestuurd.
Verlangen naar de hemel in het Oude Testament
De plaats van de hemel was dus voor de vrome Israëliet de plaats waar God woonde. Het was tevens de plaats vanwaar hij alle hulp en bijstand verwachtte. Daarom sloeg hij zijn ogen opwaarts en breidde zijn handen uit naar de hemel. Ook was de hemel de schatkamer van alle tijdelijke en geestelijke zegeningen. Israël heeft dat zichtbaar kunnen zien in de woestijn. Als zij schreeuwden om brood, antwoordde de Heere: Ik zal voor ulieden brood uit de hemel regenen.
In het Oude Testament lezen we ook over de verwachting van de hemel als toekomstige woonplaats. Het verlangen naar de hemel was vooral een uitzien naar de God des heils. Daarom heeft Asaf gezongen: Wien heb ik nevens u in den hemel? Nevens u lust mij ook niets op aarde (Psalm 73). Zo strekte zich ook het verlangen van David naar God uit: ...ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken (Psalm 17: 15).
De hemel in het Nieuwe Testament
In het Nieuwe Testament wordt het Griekse woord ouranos gebruikt voor hemel. Evenals in het Oude Testament is ook in het Nieuwe Testament de hemel de troonplaats van God van waaruit Hij regeert. In het volmaakte gebed leerde Christus Zijn discipelen om de gebeden op te heffen tot de God 'die in de hemelen woont'. In het latere jodendom heeft men wel tien hemelen onderscheiden, maar zover gaat de Schrift niet. Onder de hemelen verstond men de wolkenhemel, de sterrenhemel en de hemel der hemelen. Paulus schrijft dat hij is opgetrokken geweest tot in de derde hemel (2 Korinthe 12).
Vanwege onze zonden is er een grote kloof tussen de aarde en de hemel ontstaan, het vrije verkeer tussen hemel en aarde is verbroken. En hoewel de mens daar zelf niet naar heeft gevraagd en gezocht, zoals de Schrift getuigt, zal dat vrije verkeer eens weer mogelijk zijn. Daar heeft de hemel voor gezorgd. Alles wat met de zaligheid in verband staat, heeft zijn oorsprong in de hemel, in God. Vele uitdrukkingen in de Schrift wijzen daarop; de Zoon des mensen is nedergedaald uit de hemel (Johannes 3: 13). De hemelen worden geopend tijdens de doop van Jezus (Mattheüs 3: 16). Jezus predikt in gelijkenissen de komst van het Koninkrijk der hemelen. Na Zijn opstanding uit de doden vaart Hij ten hemel op en de discipelen staren Hem na. En nu is Jezus gezeten aan de rechterhand der Majesteit Gods in de hoogste hemelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 maart 2001
Daniel | 31 Pagina's