Hoe ga je om met verstoorde verhoudingen?
Het vernieuwde gemoed kan met haat en nijd niet leven
Twee mensen hebben ruzie. Ze zitten in één en dezelfde kerk. De verhoudingen tussen die twee zijn zodanig verstoord, dat ze elkaar niet aankijken. Als de kerk uitgaat, gaat de één door de zijuitgang naar buiten, opdat hij de ander toch maar niet tegen het lijf zal lopen. De ander maakt ook dat hij snel wegkomt, want ook hij heeft geen enkele behoefte aan een ontmoeting met zijn mede-gemeentelid. Verschrikkelijk, zeg je, als mensen van hetzelfde huis zo met elkaar leven. En dan nota bene nog wel van dezelfde kerk. Ja, het is verschrikkelijk.
Toch gebeurt het in de praktijk. Die twee mensen kunnen twee broers zijn of twee zussen. De verstoorde verhoudingen kunnen hun oorzaak vinden in dingen die al jaren geleden zijn gebeurd. Ruzie over een erfenis? Onenigheid over dat oude horloge van vader of moeder, waar ze allebei recht op menen te hebben, nu vader en moeder er niet meer zijn? Je kunt zelf wel andere dingen invullen. Het sop van de kool niet waard. Als een buitenstaander de oorzaken van de ruzie en van de verstoorde verhouding op een rijtje zou zetten, dan moet hij misschien wel zeggen: "Waar gaat het eigenlijk over?" Zo leeft men jaar in jaar uit voort met gedachten van haat en vijandschap ten opzichte van elkaar. Onverzoenlijkheid van twee kanten laat duidelijk zien wie de mens van nature is: een hater van God en van de naaste. En toch bidden beide mensen het Onze Vader mee: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Misschien bidden ze het beiden wel een paar keer per dag aan tafel. Of bidden? Kun je het eigenlijk wel bidden noemen? Als je zó in onmin met je naaste leeft en zó in een onverzoenlijke houding met misschien wel je broer door het leven gaat?
Onverzoenlijkheid blokkeert de Geest
Als we bidden om vergeving van de zonden en tegelijkertijd onverzoenlijk zijn jegens onze naaste, dan spreken we in feite een vloek uit. Onverzoenlijkheid blokkeert de doorwerking van de Geest. Het is onmogelijk dat iemand met de steen van een onverzoenlijke levenshouding op zijn hart de zegen van God kan ervaren op zijn gebed om vergeving van de zonden. Ja maar, zeg je, je moet maar door een ander vals beschuldigd worden. Een ander moet je maar allerlei vuiligheid naar je hoofd smijten. Je zult maar altijd door de ander getreiterd worden. Dat hoef je toch niet allemaal te nemen?
Uitpraten
Op een bepaald moment grijpt de prediking over de vijfde bede van het Onze Vader: vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren de één zo aan, dat hij er in zijn geweten van overtuigd raakt, dat het niet goed is om zo in onmin met zijn naaste te leven. Hij neemt zich voor zijn broer (we nemen die relatie als voorbeeld) op te zoeken en het met hem uit te praten. Dat is goed. Tenminste als zijn gestalte zo is, zoals de Heidelbergse Catechismus in de verklaring van het slot van de vijfde bede zegt: Gelijk wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons ganse voornemen is, onze naaste van harte te vergeven.
Op een zeker ogenblik is het zover. Hij staat bij zijn broer aan de voordeur. Nadat hij heeft aangebeld, wacht hij met spanning op de dingen die komen gaan. De deur wordt geopend en hij staat oog in oog met zijn broer die hij jarenlang niet heeft gesproken en uit de weg is gegaan. Op de vraag van zijn broer wat de reden is van zijn bezoek, geeft de bezoeker aan dat hij niet langer kan leven met de verstoorde verhoudingen en dat hij daarom is gekomen om zijn broer de hand te reiken en hem van ganser harte te vergeven en vergeving te vragen voor hetgeen hijzelf misdaan heeft. Bij broerlief is die bereidheid echter niet aanwezig. Hij geeft zijn broer ten antwoord: "Wat je me in het verleden hebt aangedaan, zal ik nooit vergeten en vergeven". Zonder enig nader commentaar slaat de deur dicht.
Vergevingsgezindheid
We zagen dat bij de man die naar zijn broer toeging de bereidheid er was om te vergeven en om om vergeving te vragen. Die gezindheid vraagt Gods Woord van ons. Het moet om een hartelijke gezindheid gaan. We moeten het getuigenis in ons gevoelen. En zeg nu niet: dus als je dat getuigenis niet in je voelt dan hoef je geen moeite te doen om verstoorde verhoudingen te herstellen. De plicht rust op iedereen. We mogen en kunnen niet in verstoorde verhoudingen leven en voortgaan tot de dood volgt. Ook daar waar we van onszelf niet in staat zijn die verstoorde verhoudingen op te lossen, zal er toch bij onszelf de gezindheid daartoe moeten zijn. En niet alleen een gezindheid die in onze gedachten opgesloten blijft liggen, of die alleen in een mondbelijdenis bestaat, maar die ook in daden uitkomt. Ik wijs daarvoor niet alleen op wat in Zondag 51 van de Heidelbergse Catechismus staat, maar ook op wat in het avondmaalsformulier staat. Daar lees ik dat bij het zelfonderzoek behoort het onderzoek van ons geweten. In de eerste plaats tegenover God, maar ook tegenover de naaste: Insgelijks of hij zonder enige geveinsdheid alle vijandschap, haat en nijd van harte afleggende, een ernstig voornemen heeft, om van nu voortaan in waarachtige liefde en enigheid met zijn naaste te leven.
Een ernstig voornemen
Als de man in ons voorbeeld bij zijn broer had aangebeld met de mededeling dat hij wel bereid was te vergeven en vergeving te vragen onder voorwaarde, dat hij alsnog het bewuste horloge zou moeten krijgen, dan is het duidelijk dat er wel wat mankeert aan dat ernstige voornemen. Worden niet vaak zo pogingen gedaan om verstoorde verhoudingen op te lossen. In de geest van: ik wil dat wel, maar dan wel op mijn voorwaarden. Nee, zonder enige geveinsdheid, met een ernstig voornemen. Zeker, het is waar, deze liefde tot de naaste is een vrucht van de liefde tot God. Dat vloeit er vanzelf uit voort als het goed is. Daarom geldt de eis nog wel alle mensen, bekeerd en onbekeerd. Het vernieuwde gemoed kan met haat en nijd niet leven. Als daarom ook bij een avondmaalganger een dergelijke onverzoenlijke houding wordt aangetroffen, dan is het roemen in Christus' werk vóór ons in flagrante strijd met het gebrek aan levensheiliging door Christus' werk ìn ons. Voor hen die in haat en nijd met hun naaste leven, is er geen plaats aan de tafel des Heeren.
Alles geprobeerd...
Sleutelwoord bij de vraag hoe ver iemand moet gaan om verstoorde verhoudingen op te lossen is het woord 'gezindheid'. Als onze man alles geprobeerd heeft om het met zijn broer weer in orde te maken, dan blijkt daaruit zijn goede gezindheid. Dat er dan toch iemand kan zijn die 'zo' met hem wil leven, daaraan kan hij zelf niets veranderen. Hij is van zijn kant van harte geneigd zijn naaste te vergeven en in enigheid en liefde met hem te leven. Dat wil niet zeggen, dat hij het bij die ene poging zou moeten laten. Hij kan ook proberen zijn broer nog eens een brief te schrijven of de bemiddeling van een ander in te roepen. Het gaat om het ernstig voornemen en een hartelijke gezindheid. Daar waar die voortvloeit uit de liefde Gods die in het hart is uitgestort, zal die ook blijken. Dat kan niet anders.
De minste zijn
Wat is het daarom erg dat er zoveel onenigheid gevonden wordt. Niet alleen in de wereld, ook in de kerk. De Naam en de zaak van de Heere wordt daardoor bespot. Dat het een zalige plaats is om de minste te zijn, wordt zo weinig gevonden. Natuurlijk kan het een zaak van het geloof zijn de naaste niet de hand te reiken, als het gaat om de Waarheid. Niet onze waarheid, maar dé Waarheid! Vergevensgezindheid tegenover de naaste betekent niet dat we de waarheid van het Woord van God te kort moeten doen. Maar als het gaat om persoonlijk onrecht, dat ons is aangedaan, of waarvan we denken dat het ons is aangedaan, dan past niet anders dan de goede gezindheid. Dan zal het niet zo zijn als bij die man, waarvan ik het volgende las. Hij kwam ernstig ziek te bed te liggen. Dat ziekbed scheen zijn sterfbed te zullen worden. Zijn predikant bezocht hem en sprak over sterven en oordeel en spoorde hem aan, zich toch vooral te verzoenen met zijn buurman, met wie hij, zoals heel het dorp wist, op voet van vijandschap leefde. De man stemde daarin toe. De buurman werd geroepen en na een kort onderhoud, drukten zij elkaar de hand. Maar toen de bezoeker zich omkeerde om weg te gaan, riep de zieke hem na: "Denk er om, dit telt niet, als ik weer beter word."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 maart 2001
Daniel | 32 Pagina's