Hoe brengen wij de tijd door?
Pagina's voor haar
De Heere zegt in Zijn Woord: 'Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven. Er is een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan'. Is het in ons leven al een wonder geworden, dat de Heere ons nog laat in het liefelijk heden der genade, in die welaangename tijd en in de dag der zaligheid, zodat wij nog tot God bekeerd kunnen worden? Dat er bij Hem genade te verkrijgen is?
Gelukkig zijn zij, die door de Heere van de brede op de smalle weg gebracht zijn. Die mensen gaan trachten met alle krachten te luisteren naar Zijn wil en weg, die alleen wijs, heilig en goed is. Maar die zouden ook zo graag hun betrekkingen en hun naasten opwekken en ze toeroepen: "Kom, ga met ons en doe als wij."
Door ontdekkend licht leerden zij alles buiten Christus schade en drek achten. Zij weten ook van tijden in hun leven, dat er geen behoefte was om voor God te leven. Hoe werd de zonde smartelijk, toen de Heere deze tot zonde maakte en de schuld tot schuld en zij niets hadden om te betalen. Wat werd het een wonder dat Christus de schuld op Zich had genomen en zij vrijgesproken werden van schuld en straf en een recht ontvingen ten eeuwigen leven. En om nu uit dankbaarheid, door het geloof te leven, mogen zij alles zo anders doen. Dan mogen zij vruchten uit Hem voortbrengen van geloof en waarachtige bekering.
Omdat zij de tijd zo onnuttig en ijdel besteed hebben, leeft het in hun hart: "Heere, wijst U ons de weg, waarin wij te gaan hebben". Als dwalende onwijze en onwetende schapen volgen zij het spoor van hun Herder, Die de Zijnen leidt, weidt, beschut en bewaart, om hen - na de woestijnreis - te brengen in het Kanaän der rust. Zij vinden hier hun thuis niet, maar als vreemdelingen en bijwoners gaan zij over de aarde, verwachtende de stad die fundamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.
Wat geeft de Heere ons vele weldaden, waar wij en onze kinderen van mogen genieten. Wat is het een voorrecht, als de Heere ons in Zijn algemene genade de lust tot onze arbeid geeft. Hoevelen kunnen niet hun boterham verdienen vanwege een handicap of door ziekte. En aan ons, die niet beter zijn en ook geen rechten kunnen laten gelden, verleent de Heere dit alles nog.
Wat zouden we dan uit dankbaarheid ootmoedig moeten wandelen met onze God. Maar dat is juist waar het ons aan schort; van nature hebben wij geen lust aan dezelve.
De Heere zegt in Zijn Woord: "Zoekt éérst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden". En doen wij dat van nature? Neen, wij zijn zoekers van onze eigen eer en willen niet dat Deze Koning over ons zijn zal. Maar zullen wij dan maar lijdelijk afwachten tot God ons genadig wil zijn? Gods Woord getuigt: "Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beving, want het is God Die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen".
Wij zijn geen stokken en blokken geworden in onze diepe val, maar zijn redelijke schepselen met verstand en wil gebleven. De Heere geve een uitdrijven naar de troon van Gods genade om als een verlorene gezaligd te worden.
Hoe brengen wij de tijd door? De ons van God gegeven tijd? Hoe is het met onze afzondering voor de Heere? Nemen wij met onze gezinnen tijd om Gods Woord en hetgeen daarop gegrond is te onderzoeken? Kunnen wij, in alle gebrek, de Heere daarin tot Getuige roepen?
Wij weten ook de tijd en het uur van onze dood niet. Hoe ernstig is ons leven. Anderen zijn soms al lang geleden de weg van alle vlees gegaan. Voor ons is het nog het liefelijk heden der genade.
Dat wij allen, voor het eerst of opnieuw, in de schuld gebracht werden over ons Godverlatend leven. Er zou nog verwachting zijn voor een schuldig volk. Moeten Gods kinderen de hand in eigen boezem steken: melaats zou zij er uitkomen! Zou het daarom zijn, dat de Heere Zijn genade niet kwijt kan, omdat de Zijnen zo weinig in het stof liggen?
Ziende op ons opkomend geslacht mag wel beleefd worden, wat eenmaal David uitriep: "Maar wat hebben deze schapen gedaan?" De Heere mocht nog in de toorn des ontfermens willen gedenken aan Zijn verbond, dat van geen wankelen weet. Hij is en blijft de Getrouwe, ondanks al onze afmakingen, die Zijn trouw nooit teniet kunnen doen.
Hoe brengen wij de tijd door? Er is een zoekenstijd. Dat deze, door genade, vindenstijd mag worden. Waren de mensen vroeger beter dan nu? Neen, maar de tijd was anders. Tegenwoordig is het of overal de rem vanaf is. En hoe is het in het persoonlijke leven? Laten wij de vinger niet uitsteken naar een ander, maar zelfonderzoek doen. Het is alleen genade van God, als het anders is in ons leven. Als wij begerig zijn geworden om de Heere te mogen vrezen en Hem lief te hebben.
Laatst beluisterden wij op onze vrouwenvereniging een cassettebandje. Een predikant sprak op een SRB-avond over 'De toekomst van de kerk'. Wat doet het dan goed zo'n zevenhonderd jongeren bijeen te weten, luisterend naar de tale Kanaäns. De dominee mocht spreken van de wonderen die de Heere gedaan heeft in het leven van jongeren en ouderen. Wat wordt er dan nog mest om onze levensboom gelegd. Dat de Heere het wilde zegenen en heiligen aan het hart, zij onze wens en bede.
De Heere gaat door met Zijn kerkvergaderend werk, totdat de laatste zal zijn ingezameld. De vraag komt tot ons allen persoonlijk: hebben wij, door genade, de tijd des levens kostelijk leren achten?
Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is. Van hen zal het eenmaal gelden: 'Over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal Ik u zetten. Gaat in, in de vreugde uws Heeren'.
De Heere heilige deze gebrekkige woorden aan ons aller hart, uit genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 2001
Daniel | 32 Pagina's