Binnenstebuiten
Verhaal
De tong uitsteken tegen haar spiegelbeeld was niets ongewoons voor Joanne.
Misprijzend bekeek ze zichzelf: fletsgroene ogen, een onregelmatig gebit, sproetjes en sluik haar van een onbestemde kleur. Ze pakte de haarborstel en ging met ferme slagen over het haar, dat maar niet in vorm wilde komen. Nog wat spulletjes hier en daar om haar gezicht wat op te fleuren. Tenslotte een blije blik, wat moeilijk lukte: in haar ogen groeiden doornen en distels.
Joanne spurtte weg. Altijd weer moest ze iets overwinnen om ergens alleen naar toe te gaan, zelfs al was het naar de jeugdvereniging. Als klein meisje kon ze altijd al verlegen in een hoekje kruipen. Een verlegenheid die uitgegroeid was tot onzekerheid. Ze was nou eenmaal niet vlot en gezellig, zoals Suzanne en Rosalie bijvoorbeeld. Die wisten met hun leuke snuitjes en vlotte babbel aandacht te trekken. Maar als zijzelf een paar keer niet geweest was op de verenigingsavond, vroeg er later niemand naar. Niks aan te doen. Daarom hield ze zich 't liefst afzijdig. Soms vocht ze ertegen, zoals vandaag. Er was een extra middag georganiseerd door het bestuur. Meneer De Kloet uit de gemeente zou een lezing houden met als besluit een gezamenlijke strandwandeling. Vooral dat laatste trok haar. Zonder aarzelen had ze zich opgegeven. Ze trapte op de fiets tegen de wind in wat frustraties weg. Kijk, daar had je Suzanne en Rosalie. Ze praatten druk met elkaar en zagen haar niet eens. Joanne rechtte haar rug. Ze zou maar zo gewoon mogelijk doen. Ze zou...
Toen Joanne binnenkwam was het al een gezellig geroezemoes. Ze trok haar jack uit en wilde vlug de zaal binnenlopen. Opeens zag ze hem, de nieuwe jongen. Hij stond in de hal ongemerkt alles en iedereen in zich op te nemen, 'n Forse, blonde knaap met een open blik, stelde ze vast. Blozend schikte ze wat aan haar kleren toen hij haar kant uitkeek. Even later zocht ze een plekje tussen de anderen. Vierentwintig jongeren. Fred had als actief bestuurslid deze middag georganiseerd. Meneer De Kloet hield een lezing met als titel: Zorg voor de zorg. Hij wist de aandacht gevangen te houden met een Bijbels thema als uitgangspunt. Altijd weer begon hij vanuit Gods dierbaar Woord, zoals hij zo eerbiedig kon zeggen. Joannes ogen dwaalden even af naar de nieuwe blonde jongen. Roel van der Venne heette hij, dat had ze net achter Elses hand vandaan opgevangen. Wat had 'ie toch een scherpe blik. 't Leek of hij geen woord miste. 't Was waar, meneer De Kloet zei rake en ware dingen, maar zelf had ze meer zin in de strandwandeling straks.
Met vijf auto's reden ze later richting de kust. Joanne had alweer spijt dat ze was meegegaan. Had ze nou maar niet in de spiegel gekeken op het toilet! Waarom moesten er juist vandaag puistjes komen opzetten? En van die blije blik kwam al helemaal niets terecht. Stilzwijgend zat ze in een hoekje van de auto en liet de anderen praten. Eenmaal aan zee verwaaiden de muizenissen in het speels opstuivende zand. De zee deed iets met je. Gaf stille heimwee, dichterlijke gedachten of bruisende levenslust. Wat haarzelf betrof zat het ergens tussen de eerste twee in. Bruisende levenslust kon ze beslist niet ontdekken. Bij de anderen zat de stemming er goed in. Vrolijk gelach klonk telkens op. Later wist ze niet meer hoe 't zo kwam, maar opeens liep Roel, de nieuwe jongen, naast haar. Zonder iets te zeggen stapte hij naast haar voort, de handen in de zakken van zijn jack. Vanuit haar ooghoeken zag Joanne dat de wind zijn haardos nog weerbarstiger maakte. Zo'n zwijgzaam iemand, vast 'n persoonlijkheid. Of zou hij stug zijn? Nu zou ze iets grappigs of origineels willen zeggen, zoals Suzanne, Rosalie en Else dat zo goed konden. Of zou hij soms meer van iets zinnigs houden? Iets over de lezing van daarnet? Zorg voor de zorg. Wat had meneer de Kloet allerlei situaties goed uitgelegd. Dwars door het wel en wee van menselijke beperkingen, die de zorg verwarden en bezoedelden, had hij gewezen op de Heere, Die bóven alle zorg staat. Wezenlijk welzijn is mogelijk door de zorg, die alleen van Hem komt. Moeilijk om daar nog iets zinnigs aan toe te voegen. Wat dan? Een pittig gesprek over klassieke muziek of literatuur misschien? Zoveel wist ze daar nou ook weer niet van. Ze mocht blij zijn als ze straks de havo af kon maken.
"Goeie lezing, hè!" zei ze toen toch maar. Roel knikte en opeens werd Joanne kordaat. Vooruit, masker af. "Ben je in onze gemeente komen wonen of is 't voor tijdelijk?" vroeg ze rechtuit.
"Ik ben hier pas komen wonen, samen met mijn vader. Moeder is een paar jaar geleden gestorven. Ik ben de jongste thuis."
"O."
Het bleef een poosje stil. De bruisende branding begeleidde hun gedachten.
"Wat vond je verder van de lezing?" vroeg ze weer.
"Meneer De Kloet voelt veel situaties goed aan. Werkt hij zelf in de gezondheidszorg?"
"Ja, hij heeft de leiding in een verpleeghuis. Zit jij ook in de zorg?" Roel lachte pijnlijk.
"Zo kun je 't zeggen. Ik ben twee jaar geleden aan een artsenstudie begonnen, maar heb daarmee vorig jaar moeten stoppen vanwege acute reuma. Mijn handen willen niet meer mee. Toen zat ik dus letterlijk en figuurlijk in de zorg."
Hij tuurde naar de vloedlijn en naar de wolkengevaarten, die zich steeds dreigender boven hun hoofden opstapelden. Zijn handen hield hij nog steeds in zijn zakken. Ze waren wat achter geraakt bij de groep. Af en toe voerde de wind vrolijke stemmen mee.
"En nu?" waagde ze.
"Als je 't dan per se weten wilt: ik heb een half jaar bij de pakken neergezeten; boos, teleurgesteld, opstandig, verward en nog een reeks negatiefheden meer. Stel je voor, ik was altijd de 'stuud' van de klas, wilde dienstbaar zijn in de zorg. Wie denkt er dan aan dat zijn handen niet mee willen? Jaloers was ik op jongens die met hun banden mogen werken: schilder, timmerman, bouwvakker, noem maar op."
Steeds vlugger rolden zijn woorden over elkaar heen. Daarna kneep hij de lippen op elkaar, zijn handen nog steeds in de zakken. Zijn stem werd zachter toen hij verder praatte. "Eindelijk was ik zover dat ik definitief stopte. Een berichtje naar de universiteit met wat administratie eromheen. Bij het doorwerken van die persoonlijke gegevens moest ik handtekeningen zetten. Telkens kwam ik mijn naam tegen. Het raakte me. Ik ging in de concordantie van de Bijbel nakijken hoe vaak het woord naam voorkomt in de Bijbel. Meer dan drie bladzijden! Met een kleine letter. Ook met een Hoofdletter, die éne Naam..."
De laatste woorden waren nauwelijks verstaanbaar, ze werden meteen door de wind meegenomen. Roel herstelde zich.
"Nu ik toch bezig ben, zal ik de rest ook maar vertellen. Ik ben aan een studie Nederlands begonnen. Best boeiend, en toch kreeg ik het vanmiddag weer even te kwaad toen al die voorbeelden uit de zorg zo levensgroot getekend werden. En daarom, hè heerlijk, die wind. Laat me maar even..."
Joanne wilde iets zeggen. Iets hartelijks, iets bemoedigends. Het kwam er niet van, want de grijze wolken lieten plotseling hun lading los.
"Kom op, rennen, 't gaat stortregenen!" riep ze.
Ademloos en kletsnat keken ze elkaar even later aan. Roel schoot in een bevrijdende lach.
"Sorry, je ziet er uit als het palet van een kunstschilder. Ik zal je even helpen."
Met zijn zakdoek veegde hij zo goed en kwaad als 't ging de uitgelopen smeerseltjes van haar gezicht. Haar wangen hadden trouwens geen namaakkleurtje meer nodig.
"Zo, nu begin je een beetje op jezelf te lijken. Eindelijk kan ik je ogen zien zoals ze zijn. Als de zee."
De woorden bleven tussen hen in hangen. Op jezelf lijken? Dichtregels schoten haar te binnen. Meneer Hoornaar strooide vaak allerlei spreuken en klinkdichten door zijn lessen Nederlands. Fragmenten kwamen op de meest onverwachte momenten bij haar boven, zoals nu. Hoe was 't ook alweer?
Ze citeerde hardop: "Wees uzelf!" zei ik tot iemand; maar hij kon niet: hij was niemand."
"De Génestet", herkende Roel. "Ken je nog meer van hem? Wel iets om over door te praten. Over waarom je die regels onthouden hebt bijvoorbeeld."
Ze hadden de groep ingehaald, ledereen was druipnat, net als zijzelf. Fred deelde gevulde koeken uit. Nieuwsgierig keek Suzanne van Roel naarJoanne.
"Uitgepraat?" vroeg ze.
"We beginnen pas", zei Roel kort.
Hij nam een flinke hap van zijn koek en wimpelde daarmee verdere vragen af. Toen zag Joanne zijn handen in alle weerloosheid: jonge, vergroeide handen.
's Avonds kon ze het niet laten om nog even naar haar spiegelbeeld kijken. Jawel, onregelmatig gebit, sproetjes, sluik haar, door de regen nog erger dan 't al was. Dwars daar doorheen zag ze jonge, vergroeide, weerloze handen...
En haar ogen?
De doornen en distels waren verdwenen.
Haar ogen waren als de zee.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 februari 2001
Daniel | 32 Pagina's