JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Waar blijft de achting voor het ambt?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waar blijft de achting voor het ambt?

Pagina's voor haar

11 minuten leestijd

Huishoudelijke vergadering 2000

'Hartelijk welkom op deze prachtige dag in september. Weer is er een jaar voorbijgegaan en zo vliegen we van de éne huishoudelijke vergadering naar de andere.' Na een welkomstwoord houdt dominee C.A. van Dieren zijn openingsmeditatie naar aanleiding van Spreuken 27: 7 Een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem, maar een hongerige ziel is alle bitter zoet. Wat is het aangrijpend wanneer we lezen dat het volk Israël tijdens de woestijnreis, als de voorraad voedsel die ze meegenomen hebben opraakt, gaat murmureren tegen Mozes, en eigenlijk tegen God.

De Heere gaat Zijn volk dan op wonderlijke wijze met manna onderhouden. Dit manna had de smaak en de zoetigheid van honingkoeken. Wat zegt later echter datzelfde volk? Onze ziel walgt van dat hemelse brood, van dat zeer lichte brood. Ze walgen van de hemelse gunstbewijzen.

We hoeven ons echter niet te verheffen boven het volk van Israël. Vandaag is het prinsjesdag. De Koningin zal de lofrede moeten lezen over de welvaart en de rijkdom van onze dagen. Tegelijk zien we een walgen van de mens die de welvaart niet verdragen kan.

Wat is er een grote ontevredenheid en hebzucht. Een verzadigde ziel kan vol zijn van de tijdelijke bezigheden. Waar bent u druk mee? Wat houdt u bezig van de vroege morgen tot de late avond? Een hele week vol, tot zaterdagavond laat, en dan komt de zondag. Dan komt dat zoete, dat honingzeem. In Johannes 6 spreekt Christus over het hemels Manna, dat is Hijzelf. Dit is de allerzoetste boodschap. Dat een Adamskind verzoend kan worden met zijn Schepper, hoe zwaar hij ook Zijn wetten schond. Is er plaats voor in uw leven? Daar gaat het toch op de vereniging om? We kunnen verzadigd zijn met onze activiteiten, met de zending. Gaat u ook wel eens naar de vereniging met in uw hart de bede: "Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen"?

We kunnen ook in geestelijk opzicht verzadigd zijn. Een tijdgelovige is verzadigd van zichzelf. Hij weet niet wat het is om te hongeren naar de levende God. Ook Gods volk kan verzadigd zijn met alles wat er in het leven geweest is. Dan leven ze uit een oude bekering, oude weldaden.

We lezen: Ze werden dagelijks begenadigd. Iedere dag maakte de Heere bij vernieuwing weer plaats voor dat manna. Iedere dag moesten ze voor zonsopgang eruit om het manna te rapen. Iedere dag moesten ze op de knieën en leren om voor die éne dag geholpen te worden. Dat is een leven dicht bij de Heere, in afhankelijkheid, met veel knieënwerk. Zo'n leven als een bedelaar wens ik u allen toe.

Salomo zegt: Maar een hongerige ziel is alle bitter zoet. Hoe verwekt de Heere een geestelijke honger? Wanneer de mens ligt onder de arbeid van een eisende wet, die hem dag aan dag vervolgt en waaraan hij nooit kan voldoen. Als de nood op de ziel gebonden wordt en ik een Borg voor mijn ziel nodig heb en een God voor mijn hart. De wegen, die de Heere gebruikt om dat zoete, dat liefelijke in het Evangelie te schenken, zijn bittere wegen. Het zijn wegen van ontdekking, van gemis, waarin niemand zorgt voor mijn ziel. Maar de bitterheid is weggenomen door Hem, Die de bittere lijdenskelk van verlating, schuld en toorn gedronken heeft. Voor Zijn uitverkoren Kerk heeft Christus de bitterheid weggenomen.

Onbegrijpelijke liefde is het, wanneer God bittere wegen gaat gebruiken om die zoetheid, die er is in de enige Middelaar, te leren kennen. Dan gaat men later danken voor die bittere weg. De weg, die aan de grond brengt, opdat Christus gestalte in het leven ontvangt. Hoe meer honger, des te groter zal de verzadiging zijn.

Ik wens u allen toe om met honger onder de prediking te zitten en om zo naar de vereniging te gaan, zodat er plaats komt voor die allerzoetste verzadiging die er is in Hem, in Zijn Woord, in die enige Middelaar.

 

Bestuurswisseling

Na de bestuursverkiezing blijken ds. C.A. van Dieren, mevrouw C. Knapen-Faas en mevrouw A. van Wolfswinkel-Blokland met algemene stemmen herkozen te zijn. In de plaats van mevrouw J.J. van Willigen-Kirpestein, die deze morgen afscheid neemt als bestuurslid, is mevrouw G.J. Kamp-Kreykes uit Rijssen gekozen.

De dominee verwelkomt mevrouw Kamp als nieuw bestuurslid en spreekt tot mevrouw J.J. van Willigen een hartelijk afscheidswoord: "Bijna twintig jaar heeft u dit werk mogen doen. Ontelbare keren, wanneer anderen nog in bed lagen, zat u al in de trein op weg naar de vergadering. Uw betrokkenheid is altijd groot geweest, nooit was het u teveel. Als hoofdbestuurslid was u ook lid van het Comité Vrouwenbonden. Daardoor was u betrokken bij alles wat er in ons land omgaat. Wat een dieptepunt deze weken, wanneer we kijken naar de wetten die door de regering zijn aangenomen. Ik wens u van harte toe, dat u de noden van ons land en volk veel in het verborgene bij de Heere mag brengen." Mevrouw Van Willigen krijgt het bondsembleem opgespeld en ontvangt een herinneringsalbum waar alle verenigingen hun bijdragen aan geleverd hebben.

In haar dankwoord spreekt mevrouw Van Willigen allen hartelijk toe. Zij dankt de dominee voor zijn woorden en alle verenigingen voor het in haar gestelde vertrouwen. "Het Woord van God is de grondslag waarop wij staan. Het is een grote genade, wanneer we God lief mogen hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Onze naam is niet belangrijk. De Heere moet de eerste plaats krijgen."

Zij beëindigt haar dankwoord met een gedeelte uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 27: Deze kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot den einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen.

 

Pauze

Tijdens de middagpauze is er gelegenheid om handwerken en ideeën voor de verkopingen van elkaar te bekijken. De tafel met de borduurzijde en borduurpakketten trekt ook dit jaar weer veel belangstellenden. Wat is het altijd weer fijn om elkaar te ontmoeten en te spreken. De tijd vliegt om en het is weer tijd voor de middagvergadering.

 

Waar blijft de achting voor het ambt?

Na het lezen van Psalm 122 en het zingen van Psalm 122: 2 krijgt ds. C.J. Meeuse uit Nunspeet het woord. De titel van zijn referaat luidt: 'Waar blijft de achting voor het ambt?'

Een wat pijnlijke vraag. Ambtelijk voel je jezelf altijd tekortschieten. Dan is de preek weer te lang, te moeilijk, soms te verward. In het catechese geven: ken je iedere catechisant ook echt? Heb je genoeg kennis van de leefwereld van de catechisanten?

De huisbezoeken die je doet als ambtsdrager: je komt te weinig bij deze of teveel bij die. Ken je iedereen echt persoonlijk en sta je open voor hun problemen? Er zijn wat beschuldigingen aan het adres van ambtsdragers; predikanten, ouderlingen of diakenen. Veel klachten zijn waar, veel klachten zijn ongetwijfeld niet waar. Als ik alleen maar ga spreken over allerlei gebreken, dan dreig ik echter te vergeten dat de ambten een instelling van God zijn. Ik wil u vanmiddag een aantal stellingen geven ten aanzien van het ambt en over iedere stelling zal ik iets zeggen.

Een mens geeft het ambt geen waardigheid, maar God geeft door het ambt een mens waardigheid.

Niet van de mens uit wordt aan het ambt inhoud gegeven. In het moderne denken is het zo, dat je moet laten zien wat je kunt. In de kerk is dat beslist niet zo met de ambten. God geeft de mens door een ambt waardigheid. Bij de ambtsdragers moeten we zien op hun roeping van Godswege, en het doel van hun dienstwerk. Het behaagt de Koning van Zijn Kerk om Zijn gemeente door ambtsdragers te regeren en te bedienen.

De waardigheid van het ambt komt rechtstreeks van Christus.

Christus is de grote Ambtsdrager in de Kerk. Hij is de van God gegeven Profeet, een enig Priester en een eeuwige Koning. Hij regeert en bedient Zijn kerk door middel van de ambten die daartoe in de kerk zijn ingesteld. De apostelen hebben naar de opdracht van Christus het gemeenteleven mogen ordenen door het instellen van de ambten. In de ambten vind je de ambten van Christus terug.

De predikant heeft de profetische bediening. Het gaat om Zijn spreken, om Zijn Woord: zó zegt de Heere. De ouderling staat in een koninklijk ambt, het regeren van de gemeente naar Gods wil. De diaken heeft de dienst der barmhartigheid. Hier mag iets gestalte krijgen van de dienende barmhartigheid van de Heere Jezus.

Deze waardigheid wordt miskend door hen, die op ongeoorloofde wijze in het ambt proberen in te dringen.

Onze natuur kent verkeerde begeerten zoals eerzucht en genotzucht. Dit is niet alleen in de wereld zo, maar ook in de kerk. Iemand kan in een ambt z'n eer en naam zoeken. Men wordt dan gedreven door verkeerde begeerten. In artikel 31 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis staat: Zo moet zich dan een iegelijk wel wachten door onbehoorlijke middelen zich in te dringen, maar is schuldig den tijd te verwachten, dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijn beroeping om van haar verzekerd en gewis te zijn, dat zij van de Heere is.

Achter een ambtsdrager moet men Christus zien staan. Omdat dat meestal niet gezien wordt, verliest men alle achting voor het ambt.

Men moet achter de ambtsdrager in zijn ambtelijk werk, zijn Zender zien. Het formulier spreekt erover: Gedenkt dat God Zelf ulieden door hem aanspreekt en bidt.

De ambtsdragers moeten hun ambt bekleden met eer, zoals het staat in Psalm 135: En uw ambt bekleedt met eer in het huis van onze Heer'. 

Laten we ervoor waken dat we niet als de wereld tegen de ambten aankijken, namelijk het niet aanvaarden van de autoriteit van Gods Woord. Dan verdwijnt de achting voor de ambtsdrager.

Ambtsdragers zijn dienaren en geen heersers.

De Heere Jezus heeft gezegd: "Eén is Uw meester, namelijk Christus en gij zijt allen broeders." We denken aan het voorbeeld, dat Christus Zelf geeft bij de voetwassing in de paaszaal. Ambtdragers moeten hun Zender dienen. Voor Zijn aangezicht dienen is vragen naar Zijn wil en zoeken Zijn wil te doen.

Ambtsdragers zijn gezagdragers en geen dienaars van mensen.

Van dit gezag zijn ambtdragers verantwoording verschuldigd. Niet aan mensen, maar aan hun Zender. In onze tijd lijkt het of men verantwoording schuldig is aan de gemeente. We zijn verantwoording schuldig aan God. Hij heeft het gezag gegeven om te regeren. Zijn dan de ambten boven alle kritiek verheven? Nee, maar op een geordende wijze. Wanneer ambtdragers strafwaardig zijn, is daar een kerkelijk orde voor. Denk aan censura morum en de kerkvisitatie. Wanneer ambtdragers strafwaardig zijn, laster dan niet, maar breng het in de ordelijke weg daar waar het hoort.

Wie het ambtelijk gezag miskent, tergt Christus.

Men miskent de ambten wanneer men binnen de kerk het niet nodig vindt, dat er ambtelijk toezicht is. Dat kan bijvoorbeeld in Bijbelkringen. Nog erger is het, wanneer men zelf kerkdiensten gaat beleggen. Dit is eigenlijk Christus miskennen. Men keert de orde om en zoekt de chaos. Wanneer men verdriet heeft over de uitoefening van het ambtelijk werk, moet men dat in de rechte weg aan de orde stellen. Vooral bij Hem, Die de Koning van de Kerk is.

Wie als ambtsdrager niet veracht wordt, moet vrezen dat hij niet trouw is in zijn ambtelijke dienst.

De Heere heeft gezegd: "Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer." Wie is er meer veracht dan Christus? Een ambtsdrager moet vragen voordeel te krijgen van de tegenkanting tegen zijn ambtelijk werk. Wanneer de kritiek hem uitdrijft tot Christus, zal hij er goed mee zijn.

Een ambtsdrager moet het beste zoeken voor zijn vijanden.

Dit houdt in: uw vijanden liefhebben, zegenen die u vervloeken, weldoen aan degene die u haten en bidden voor degene die u geweld aan doen...

Wie als ambtsdrager in een ernstige zonde valt, heeft zich zijn ambt onwaardig gemaakt.

Er kunnen zware ambtelijke zonden zijn, waardoor Christus en Zijn rijk onteerd worden. Dan kan er persoonlijke vergeving zijn, maar men kan het ambt verzondigen. Er kan persoonlijk wel genade zijn, maar het ambt is te heilig om door die persoon bediend te worden.

Ds. Meeuse besluit zijn referaat met de woorden: "Bid voor de ambtelijke dienst en vraag aan de Heere te mogen dienen in het ambt aller gelovigen."

Na de vragenbeantwoording beëindigt ds. Meeuse deze dag met het laten zingen van Psalm 122: 3 en gebed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 2000

Daniel | 32 Pagina's

Waar blijft de achting voor het ambt?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 2000

Daniel | 32 Pagina's