JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Wat wij weten, belijden en... beleven?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat wij weten, belijden en... beleven?

Pagina's voor haar

10 minuten leestijd

We weten allemaal dat er een Nederlandse Geloofsbelijdenis is. Maar brengen we het verder dan de wetenschap dat de belijdenis 37 artikelen telt? De opstellers hebben de noodzaak van de belijdenis voor de prille gereformeerde kerk gezien. Nog onzeker was zij in haar belijden, omdat er nog zo weinig geschriften waren, gegrond op de Bijbel, om een antwoord te kunnen geven aan de bestrijders van de 'nije leer'.

De noodzaak een geloofsbelijdenis te hebben werd onder andere gezien door Guido de Brès. Hij en anderen ontvingen de gave om zo'n belijdenis op te stellen, zodanig dat ze bruikbaar was tegen de vervolgers van de kerk van de Reformatie.

Guido de Brès heeft zijn talenten hiervoor gebruikt en hij heeft dat werk met zijn bloed moeten bezegelen.

Ook nu is de Nederlandse Geloofsbelijdenis voor ons nog van grote waarde. De belijdenis schept duidelijkheid over de inhoud van het Evangelie aan mensen, die de Bijbel nog niet kennen. Voor ons is het belangrijk om te weten, hoe men grondbegrippen heeft vastgelegd. Zo kunnen we de kennis daarvan doorgeven aan anderen. Maar... het is ook heel leerzaam om er zélf kennis van te nemen!

 

Guido de Brès

Voordat Guido de Brès werd geboren in 1522 liep zijn moeder door de stad Bergen in Vlaanderen. Daar liep ze een Italiaanse Jezuïet na die in de straten preekte; ze bad tot God: 'Mijn God! Waarom hebt Gij mij niet zulk een kind gegeven? En mocht het kind, dat ik in mijn schoot draag, Uw Woord prediken?'

Op 25-jarige leeftijd ging Guido de Brès over tot de Reformatie. Daarna ging hij zwerven. Zijn theologische opleiding ontving hij van à Lasco, bij de Franstalige Nederlandse vluchtelingengemeente te Londen. In 1552 keerde hij terug naar zijn vaderland en was enig tijd predikant te Rijssel. Daarna vertrok hij voor enig tijd naar Zwitserland en hoorde colleges van Beza en Calvijn.

Men denkt dat De Brès zijn geloofsbelijdenis al in 1559 opgesteld heeft, naar het voorbeeld van de Franse geloofsbelijdenis (Confessio Gallicana). Hij heeft de belijdenis niet direct publiek gemaakt. Dat is op 2 november 1561 gebeurd.

In de nacht van Allerheiligen, 2 november 1561, werd er een pakje over de muur van het kasteel van Floris de Montigny, gouverneur van de stad Doornik, geworpen. Dit pakje bevatte de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Dat men zich verantwoordde door de geloofsbelijdenis was nodig, want in de ogen van de rooms-katholieke overheden waren alle hervormingsgezinden zonder meer rebellen. Men kende het verschil tussen de revolutionaire wederdopers en de calvinisten niet en allen werden als ketters vervolgd.

Zes jaar na deze gebeurtenis werd Guido de Brès gevangen genomen en stierf hij, samen met zijn medebroeder, Peregrin de la Grange, als martelaar.

 

Brieven van Guido de Brès

Vanuit de gevangenis te Valenciennes schreef Guido de Brès een brief aan zijn vrouw. Twaalf dagen voor zijn dood schreef hij ook aan zijn moeder. In de brief aan zijn vrouw lezen we er iets van, hoe hij gevangen werd en zijn worsteling met de verschrikkingen die hij moest meemaken.

 

De brief aan zijn vrouw

Toch is de aanhef van de brief van Guido de Brès aan zijn vrouw vervuld van diepe blijdschap. De gedachte aan haar angst en smart wil hij door zijn brief verzachten. Hij wil haar door zijn schrijven vertroosten. Hij laat zien hoe hij met zijn gevangenneming geworsteld heeft, maar dat hij er boven uitgetild is.

Hij vertelt haar van Gods voorzienigheid. 'Mijn God', zo schrijft hij, 'Die alle dingen, zowel grote als kleine, leidt en bestuurt; gelijk wij dit zien uit wat Jezus Christus ons zegt: 'Vreest niet! Uw haren zijn geteld. Worden niet twee musjes voor een penning verkocht? En gij gaat vele musjes te boven!' Wat achten wij minder dan een hoofdhaar? De mond der goddelijke Wijsheid zegt echter, dat God rekening houdt met het getal van mijn haren. Er gebeurt niets zonder de toelating en voorzienigheid van God'. Hij vertroost haar met voorbeelden uit de Bijbel en zegt dat men dit moet toepassen op alle leden van Zijn lichaam.

De Brès gaat onder verschillende gedachten en de last van zijn denkbeelden gebogen, totdat zijn geest hoger opklimt en hij over Gods voorzienigheid na begint te denken. Dan komt er een wonderlijke vrede in zijn hart. Hij ziet, hoe God hem vanaf zijn geboorte heeft geleid, bewaard en behoed in veel gevaar. 'Indien nu deze gevangenneming is naar Uw heilige wil, Uw wil geschiede. Want daarin bestaat al mijn geluk, dat ik mij gedraag overeenkomstig Uw wil.' Guido de Brès is hierin vrolijk en bereidwillig om Gods weg te gaan. Hij vraagt zijn vrouw hiervoor de Heere te danken. Verder schrijft hij over de heerlijkheid die hem wacht en zijn verlangen, dat na dit leven vervuld zal worden. Er zal geen blijvende scheiding zijn tussen hem en zijn vrouw. 

De Brès is zelf vrolijk en blij; hij is vervuld met de overvloed van de rijkdommen van zijn God en bidt dat God voortgaat om Zijn gevangene Zijn vriendelijkheid en goedheid te betonen.

'Nooit had ik gedacht dat God zo goedertieren zou geweest zijn voor een ellendig schepsel als ik ben. Nu gevoel ik de getrouwheid van de Heere Jezus Christus. Nu beoefen ik, wat ik zo menigmaal aan anderen heb gepredikt. Ik moet bekennen, dat ik door hetgeen ik nu ondervind, toen predikte zoals een blinde van de kleuren spreekt. Ik heb meer vorderingen gemaakt en meer geleerd sinds ik gevangen ben, dan gedurende mijn gehele leven. Ik bevind me op een zeer goede school. De Heilige Geest is mij geschonken en Deze ondersteunt mij gedurig en leert mij wapenen te hanteren in deze strijd.'

 

De brief aan zijn moeder

In de brief aan zijn moeder, twaalf dagen voor zijn dood, herinnert hij haar aan haar gebed vóór zijn geboorte. Hij leeft zich in wat het voor haar betekent, nu hij in de gevangenis zit en ter dood zal gebracht worden. Hij spreekt over zijn roeping, tot Zijn dienstknecht. Ook spreekt hij van de onderwerping aan Gods wil. De Brès weet, dat de Heere niets doet wat niet rechtvaardig en billijk is. Hij schrijft: 'Hij is mijn God! Hij is mijn Vader, Wien het noch aan de wil, noch aan de macht ontbreekt om mij te verlossen'.

Hij schrijft profetisch het volgende: 'Het heeft Hem behaagd mijn dienst te zegenen en grotelijks vruchtbaar te maken, zodat de kerk er nog vele jaren na mijn dood de gevolgen van zal ondervinden. Het is dan recht dat ik tevreden en dankbaar ben, datgene gezien te hebben, wat God mij gegeven heeft om te zien. Daar is veel goed zaad, wat ik gezaaid heb, dat nu onder de grond bedolven is; doch wanneer het bevochtigd zal zijn met mijn bloed, zal het opgroeien en openbaar worden door het welbehagen Gods.'

Hij schrijft verder over de weg ten leven en de weg naar het verderf. 'Maar God verhoede het, dat ik mijn Zaligmaker zou verloochenen om afgoden in Zijn plaats te stellen en onheilige dingen in plaats van Zijn dierbaar bloed. Reeds twintig jaar heb ik de Heere gediend, en nimmer heeft Hij mij enig ding aan hulp laten ontbreken, maar Hij heeft mij altijd een liefde betoond, die alle verstand te boven gaat. Behalve deze grote weldaad heeft Hij Zich overgegeven in de schandelijke kruisdood om mij het eeuwige leven te geven. Zou ik dan de Levende verlaten om toevlucht te nemen tot de doden? Zou ik de hemel laten om de aarde te kiezen, de eeuwige dingen voor de tijdelijke? Zou ik het ware leven voor de tijdelijke dood verlaten?

Voorzeker, zoveel in mijn vermogen is, werp ik de last der zonden die mij omringt verre van mij, ten einde lustiger te zijn in de worsteling en loop ik in lijdzaamheid de strijd tegemoet die mij voorgesteld is. Ziende op de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs; Dewelke toen Hem de eer en het kruis werden voorgesteld, het kruis heeft gekozen en dat de voorkeur gegeven, verachtende de schande, en is gezeten aan de rechterhand van de troon Gods.

Het moet de dienstknecht genoeg zijn, zegt Jezus Christus, dat hij wordt gelijk zijn Meester, want de dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Ik heb oorzaak van grote blijdschap, wanneer ik zie dat mijn Meester, Jezus Christus, mij de eer aandoet, om mij met Hem aan Zijn tafel te doen aanzitten, mij Zijn eigen brood tot spijze gevende en mij uit Zijn beker doet drinken. Is het een geringe zaak, zodanig een Heere na te volgen? Hij, door Wiens machtswoord hemel en aarde geschapen zijn! Hij, in Wiens tegenwoordigheid de engelen hun aangezichten bedekken en beven! En ik, een ellendige, omringd door zwakheid en gebrek, het behaagt Hem mij Zijn Vriend te noemen. O, welk een eer om voor Zijn Naam te lijden. En wie ben ik, om zodanige eer van mijn God te ontvangen? Voorzeker als ik deze dingen overweeg, word ik opgetrokken in de hemel. En alsof dit alles nog maar weinig ware, zo vertroost Hij mij onophoudelijk in mijn veelvuldige strijd.

Jezus Christus, mijn Meester, is hier gevangen met mij! Ik zie Hem, om zo te spreken, besloten en benauwd in mijn ijzers en boeien. Ik zie Hem met ogen van mijn geest, ingesloten in mijn eng en duister hol, gelijk Hij mij in het Woord Zijner Waarheid beloofd heeft, om alle de dagen met mij te zijn tot het einde toe. Hij zegt, dat wanneer een van Zijn discipelen gevangen is, Hijzelf het dan is, zeggende: 'Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht'. Hij heeft gezegd door Zijn profeet Zacharia: 'Die Mij aanraakt, raakt Mijn oogappel aan'.

Wat is er kostelijker en beter bewaard dan het oog? Ik hoor hier mijn Heere en Meester zeggen, dat het kwade en het verdriet dat men mij aandoet, de appel van Zijn oog bereiken. O, welk een Meester en welk een Heere heeft mijn God mij doen vinden?' Zo neemt hij afscheid van zijn moeder, terwijl hij schrijft: 'Ik ben blijde dit sterfelijke leven te verlaten om in te gaan in de rust van mijn God'.

Zo heeft Guido de Brès zijn belijden beleefd: tot verheerlijking van Gods Naam en tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk, vele eeuwen lang. In artikel 26 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat onder andere dit gedeelte: 'Want er is niemand, noch in den hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus; Dewelke, hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, nochtans Zichzelven vernietigd heeft, aangenomen hebbende de gestaltenis eens mensen en eens dienstknechts (Filippenzen 2: 6 en 7) voor ons, en is in alles Zijn broederen gelijk geworden.'

Weten we wel, hoe rijk wij zijn met onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, die de Heere ons, eeuwen geleden, uit genade gegeven heeft? Bewaar het pand, u toebetrouwd!

 

Literatuur

In het rechte spoor. Inleiding tot de Nederlandse Geloofsbelijdenis door drs. K. Exalto.

Brieven van Guido de Brès, opsteller van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Uit het Frans vertaald door NN en in de huidige spelling overgezet door ds. C.J. Meeuse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 2000

Daniel | 32 Pagina's

Wat wij weten, belijden en... beleven?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 2000

Daniel | 32 Pagina's