Damescomité in oorlogstijd!
Pagina's voor haar
Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in het jaar 1943, werd in Middelburg en Vlissingen een aantal jonge mannen per brief opgeroepen om zich te melden bij de Duitsers, de bezetters van ons land. Deze jongens en mannen werden verplicht om in Duitsland te gaan werken. Vijfenzestig leden van de Gereformeerde Gemeente te Middelburg en vier uit de zustergemeente te Vlissingen werden over de grens gezonden.
Eind juni 1943 besloot de kerkenraad van Middelburg, om ten behoeve van deze in het buitenland tewerkgestelde doopleden en leden regelmatig een inzameling te organiseren van levensmiddelen. Men wilde die levensmiddelen via pakketten sturen naar de plaatsen waar de jongens werkten. De kerkenraad begreep echter wel, dat hieraan veel werk verbonden was, te veel om dit als kerkenraad op zich te nemen. Er werd besloten vanaf de kansel een oproep uit te laten gaan aan de vroegere meisjesvereniging, maar ook aan andere meisjes en vrouwen, om bij de uitvoering van deze taak te helpen. Op zondag 4 juli werd de oproep van de kansel afgelezen. Er werd haast achter gezet, want maandag 5 juli 1943 werden al besprekingen met de meisjes gevoerd en het doel werd nader uiteengezet. De animo om voor de jongens van de gemeente in den vreemde te zorgen was groot. Niet minder dan zeventig meisjes en vrouwen stelden zich beschikbaar om te helpen. Uit deze groep meisjes en vrouwen werd een bestuur, bestaand uit acht dames, samengesteld.
Een van deze dames, die deel uitmaakte van dat bestuur, is mevrouw B. Tolhoek-Peene, Hoewel ze al op leeftijd is, 76 jaar, en ook al weer veel dingen vergeten is naar haar eigen zeggen, is ze toch bereid van hetgeen ze nog weet, iets te vertellen.
Mevrouw Tolhoek vertelt: "Ik woonde nog bij mijn ouders thuis, toen de brieven kwamen met de oproepen voor mijn twee broers. We waren thuis met negen kinderen. Aan onderduiken werd niet eens gedacht. Waar moest je naartoe? Al snel bleek uit de brieven, die we van hen ontvingen, maar ook uit brieven van andere jongens uit de gemeente, dat ze gebrek leden en niet veel te eten hadden. Nu was dat wel verschillend, want iedereen was niet op dezelfde plaats tewerkgesteld. In de kerkzaal kwamen we eerst iedere week twee avonden bij elkaar om pakjes te verzenden, later werd het één keer in de veertien dagen. leder meisje, of soms met z'n tweeën, had een eigen wijk, waar ze de mensen van de kerkelijke gemeente langs moest om te vragen of ze wat wilden geven om op te sturen.
Sommigen gaven distributiebonnen, die wij dan weer inwisselden voor eten. We probeerden alles zo eerlijk mogelijk te verdelen. In de pakketten, die we de jongens toestuurden, zat onder andere blikvoeding, havermout, bruine bonen en surrogaatkoffie. We stuurden ook brood mee, dat we eerst bewerkten, zodat het niet zo vlug kon schimmelen. We kochten gesneden witbrood bij de bakker. Deze roosterde de broden voor ons en zo werden ze opgestuurd. Kleding werd niet meegestuurd.
De jongens en mannen in Duitsland ontvingen de pakketten bijna altijd. Alles was echter niet altijd even vers meer. Het brood was, ondanks dat het geroosterd was, nogal eens beschimmeld.
Het duurde - zeker in oorlogstijd - nog wel eens lang vóór de pakketten op het gewenste adres aankwamen. De bruine bonen die in de pakketten zaten, werden door de jongens meegenomen naar de fabriek. Ze deden dan de bonen in een bus met water en zetten die in de oven.
De pakketten inpakken was een heel werk. We deden dat in een zaal van de kerk in de Segeerstraat. Zelf moest ik de dozen altijd afplakken met plakband. Ik heb wat rollen plakband gebruikt, want het moest stevig vastzitten.
We konden maar tot acht uur 's avonds inpakken, want na achten mocht er niemand meer over straat, uitgezonderd wanneer je daar toestemming voor had. Het was altijd heel gezellig om met elkaar bezig te zijn. Het zorgen voor de jongens die tewerkgesteld waren, gaf een band in de hele gemeente. Bij de pakketten, die de jongens toegezonden kregen, ging zes keer een brief van de kerkenraad mee om het contact tussen de kerkelijke gemeente en de jongens te onderhouden. Op de volgende bladzijde staat een stukje uit de eerste brief, die de kerkenraad meestuurde met een pakket.
GEREFORMEERDE GEMEENTE, KERK SEGEERSTRAAT, MIDDELBURG
Middelburg, Juni 1943
Aan de leden en doopleden der Gereformeerde Gemeente Middelburg, die in de verstrooiing zijn; Zaligheid!
Waarde Vrienden en Broeders,
Het zal U lieden in Uw ballingschap tot blijdschap strekken van den Kerkeraad Uwer gemeente, namens wien ik U schrijf, zoo nu en dan een tijding te ontvangen vanuit de plaats, - gemeente - en Vaderland welke U dierbaar zijn en blijven zullen.
De Kerkeraad gevoelt zijn verplichting te dien opzichte om de broederband met U te behouden, ja kon het zijn te versterken en te bevestigen in deze tijden, waarin zooveel uit elkander wordt gerukt en wij door dat ontrukken van elkander gewaar worden hoe wij bij elkander behooren, veel meer dan toen er geen scheiding was.
Het spreekwoord zegt terecht: "Ontberen leert waardeeren". Nu worden twist en tweedracht bijgelegd en oude veten vergeten, die zich anders op den levensweg voordoen. "Dezelfde nood maakt vijanden tot vrienden", zegt een ander spreekwoord.
De samenleving, voortijds niet naar waarde geschat of niet gewenscht, wordt nu ten hoogste gewaardeerd, hetzij in 't huiselijk of kerkelijk leven, dat door u lieden nu wordt gemist. Het is ook zoo dat er goede en Gode welgevallige veranderingen uit voort kunnen vloeien, ook wat betreft de prediking en onderwijzing uit Gods Woord en den gezamenlijke opgang onder dat Woord ter Kerke en Catechisatie.
Al deze goede gewoonten, waarop God Zijn zegen beloofd heeft, worden door U gemist en naar wij hopen door U temeer gewaardeerd.
Mevrouw Tolhoek vertelt, dat niet iedereen een pakket kreeg: "Mijn jongere broer zat dicht bij de grens van Polen. Hij was later bij een bakker tewerkgesteld en had toen geen pakket meer nodig. Hier in Middelburg was het voor iedereen ook niet even gemakkelijk om aan eten te komen. Er werd dus ook goed gekeken of de jongens in Duitsland eten nodig hadden. Dit was afhankelijk van de plaats waar ze tewerk gesteld waren. De pakketten werden met karren naar het postkantoor vervoerd. Daar zorgden twee mannen uit de gemeente voor. Wanneer wij als meisjes bezig waren met het inpakken en klaarmaken kwam er regelmatig iemand van de kerkenraad kijken. Dat werd altijd zeer gewaardeerd door de meisjes.
In het geheel zijn er 1193 pakjes verzonden. Eén pakketje woog drie kilo. Toen de oorlog afgelopen was, gingen we dagelijks kijken, of de jongens en mannen terugkwamen in de treinen, die naar Middelburg reden. Alle jongens mochten behouden terugkeren. Mijn jongste broer, die zo ver weg zat, was één van de laatsten die terugkeerde. Mijn moeder heeft wat in angst gezeten, dat hij het niet overleefd had."
Op 8 Juni 1945 werd er een speciale dankdienst gehouden in verband met de terugkeer van de tewerkgestelden. Onderaan deze pagina staat een kort verslag van deze dienst.
KORT VERSLAG DANKDIENST OP 28 JUN1 1945, DES AVONDS OM 8 UUR IN HET KERKGEBOUW SEGEERSTRAAT, MIDDELBURG
Waar een zeer groot gedeelte der jongens behouden in ons vaderland is mogen terugkeeren en van de andere jongens op één na, een tijding van het in leven zijn was ingekomen, achtte de Kerkeraad het zeer gepast, deze weldaad in het midden des tempels te gedenken en den Heere in ootmoedigheid te erkennen voor de trouwe zorg en de bewarende hand over hen allen uitgestrekt. Juist was onze vroegere leeraar, Ds. Verhagen, in ons midden, dien dien avond de leiding had en in de eerste plaats het Woord bediende uit Ezechiël 9: 8a: En het geschiedde als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was".
In het kerkgebouw waren de plaatsen voor de gerepatrieerden en de meisjes, die zich belangeloos beschikbaar gesteld hadden, gereserveerd.
Na afloop van den dienst kwamen de jongens en meisjes met den geheelen Kerkeraad in intiem samenzijn bijeen.
Ds. Verhagen wees op de groote weldaden, hun en ons geschonken, met hun behouden thuiskomst. Zien de op de vele bombardementen en het doodsgevaar, waarin men heeft verkeerd, is dit een groot wonder. "De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd".
Een der meisjes las het gedicht voor dat in dit werkje is opgenomen. Kadet Geuze dankte, mede namens de jongens, de meisjes en den Kerkeraad, voor de vele werkzaamheden door hen verricht, de vele moeite voor hen gedaan en het warme medeleven dat uit dit alles bleek.
Nadat eenige ververschingen waren aangeboden, werd dezen aangenamen avond door Ds. Verhagen met dankgebed geëindigd en keerden allen huiswaarts.
De twee broers van mevrouw Tolhoek, die beiden in Duitsland tewerkgesteld waren, vertelden iets over het ontvangen van een pakket uit Middelburg. De heer P. Peene vertelt dat hij maar tweemaal een pakketje ontvangen heeft: "Ik werd later tewerkgesteld bij een bakker, twintig kilometer bij de Poolse grens vandaan. Hier had ik genoeg te eten en toen heb ik naar huis geschreven, dat ik geen pakketje nodig had. Aan eten heb ik geen gebrek gehad. Ik was een van de jongens, die het laatste terug in Middelburg was, want het deel van Duitsland waar ik zat, is door de Russen bevrijd en dat ging allemaal vrij primitief. Toen ik in het vaderland terug was, moest ik me gaan melden bij de politie. Deze onderzocht om welke reden je in Duitsland geweest was en waarom je niet was ondergedoken. Toen ik echter opgeroepen werd, waren er nog geen mogelijkheden om onder te duiken. Dat kwam veel later."
De andere broer van mevrouw Tolhoek, de heer C.A. Peene, werd eveneens opgeroepen om in Duitsland te werken en vertelt: "Ik behoorde bij de eerste lichting jongens die weg moest. Samen met een aantal andere jongens werd ik tewerkgesteld in een landbouwwerktuigenfabriek in Leipzig, waar voornamelijk ploegen werden gemaakt. Later tijdens de oorlog werd hier ook wel oorlogsmaterieel gemaakt.
Ik heb verscheiden keren een pakketje ontvangen. Het is wel eens gebeurd, dat ik op een morgen een ontvangstbon kreeg om een pakket op te halen bij het postkantoor. Diezelfde middag werd het desbetreffende postkantoor gebombardeerd, en daar zat je dan met je bewijs in je zak. Wij leden honger. We moesten van 's morgens zes tot 's avonds zes uur werken. Eén keer in de drie dagen kreeg je een brood en een stukje worst.
Wanneer we 's maandags een brood kregen, had je zoveel honger dat het vóór de woensdag al op was. Hoe je het ook probeerde te verdelen over die drie dagen, het lukte niet. We waren jongens van rond de twintig en moesten hard werken.
Eén jongen, zo herinner ik me, mocht ook een pakket bij de post ophalen. Hij pakte het uit en wat was er gebeurd? Alles lag door elkaar, surrogaatkoffie en bruine bonen en erwten en havermout, enzovoort... Eten lieten we echter niet verloren gaan. Hij deed alles in één pan, kookte het en at het op! De honger was zo erg, dat we ook wel eens eten gepakt hebben. Het was niet goed, maar het tekent wel de situatie waarin we verkeerden. Ons lager waar we sliepen, was een soort schuur. Eromheen lagen wat volkstuintjes. In het voorjaar hadden Duitse burgers daar wat aardappelen gepoot. Die hebben we 's nachts uit de grond gehaald en gekookt in een pan. Wat hebben we daar lekker van gegeten!
Er was ook wel eens een brief van de kerkenraad bij een pakket. Middelburg was echter voor je gevoel zover weg. Je leefde en werd geleefd. In Leipzig heb ik veel bombardementen meegemaakt. Veel mensen heb ik zien sterven, ook door de honger. De zwaksten van ons die in de fabriek moesten werken, stierven. Soms droom ik er nog over. Ik zie de gezichten dan nog voor me van hen, die ik daar heb zien sterven."
Meneer Peene is niet de enige, die nog wel eens over deze periode droomt. Een andere man uit de gemeente, die eveneens in Duitsland verplicht werkte, vertelde dat tot dertig jaar later gebeurtenissen uit die tijd in zijn droom terugkwamen. Nog spreekt hij liever niet over hetgeen hij daar meegemaakt heeft. Eén gebeurtenis wilde hij vertellen. "Ik was werkzaam in een fabriek, ook in een gebied dat talloze malen gebombardeerd werd. Eens toen ik op weg was naar de schuilkelder tijdens één van deze bombardementen, werd mijn vriend, die naast me liep, dodelijk getroffen. Ik mocht blijven leven." De Heere, zo mocht hij er aan toevoegen, gebruikte deze gebeurtenis voor hem tot een eeuwige zegen. Wie zal Gods wegen doorgronden?
De Gereformeerde Gemeente te Middelburg had de geestelijke en lichamelijke verzorging voor haar tewerkgestelde leden goed geregeld. Met de collecte in de dankdienst, waarin de behouden thuiskomst van bijna allen kon worden vermeld, bedroeg het batig saldo van het damescomité f 2.077, 03. Dit geld werd besteed voor de aanschaf van kleding voor de gerepatrieerden. In december 1944 maakte mevrouw N. Geense-Vermeulen, bestuurslid van het comité, een overzicht op rijm, van hetgeen bijeengebracht en verzonden werd, voor en aan de jongens in Duitsland.
Hier volgt het laatste couplet:
En meisjes en 't bestuur,
Dus allen dank, dat is mijn besluit.
Laat ons toch wel bedenken,
Ons leven is zoo kort van duur.
Ach, mocht de Heere het schenken
Dat dezen arbeid nog vrucht mocht geven,
Voor ons en hen, die van ons leven.
Wij zien hen niet, maar wel de Heere,
Dat alles uitloop' tot Zijn eere.
Geen offer, tot op heden in hun kracht,
En daarom, God alleen de eere toegebracht.
Zwaar is hun arbeid en met geweld,
De dag des Heeren wordt daar niet geteld.
Maar mochten zij de schriften onzer vad'ren,
Beminnen, de plaats der ijdelheên niet nad'ren,
Zich afzonderen, onderzoeken 's Heeren Woord.
Dat is de wensch van ons, gij hebt het al gehoord.
Het gehele gedicht en de brieven van de kerkenraad, staan in het boekje "Ons verblijf in Duitschland", uitgegeven in 1945, ter herinnering aan deze periode.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 juli 2000
Daniel | 38 Pagina's