De goede strijd
Verhaal
Het was een groot geheim, maar ze wisten het allemaal. En ze leken het geen van allen erg te vinden. Alleen Rob, Rob was er van geschrokken. En hij had het gezegd ook. Zomaar middenin de groep. Dat het zonde was. Nou, dat had-ie geweten! Ze hadden hem eerst aangekeken of hij niet goed wijs was, en toen waren ze gaan lachen.
"Zonde? Kom nou, iedereen heeft het toch?"
ledereen? Rob moet er nog eens diep over nadenken als hij naar huis fietst. Hij rijdt alleen over de rechte weg met de brede sloot erlangs. Hij had stil gewacht tot de anderen zover waren. Ze hadden hem het fietsenhok uitgeduwd. Ze moesten nog iets bespreken, zeiden ze. En daar konden ze hem niet bij gebruiken. Rob voelt de stevige greep van Jaap nog in zijn bovenarm. Moeder houdt er niet van als hij alleen naar huis fietst. Moeder denkt dat hij goed met de anderen op kan schieten. In de eerste klas was dat ook zo geweest. Toen had hij net zo hard meegelachen, als Jaap een dubbelzinnige mop vertelde. Toen had hij meegedaan, als ze hun lerares Engels dwars zaten. Toen had hij er nog bij gehoord.
Hoe het veranderd is weet hij niet goed. Komt het door die plaat, in het lokaal van de nieuwe godsdienstleraar? Die plaat van de brede en de smalle weg? Komt het door de weekopening, waarin het over die twee wegen gegaan was? Komt het door de catechisatieles, die hij eerder zo saai gevonden had, maar nu opeens niet meer, en waarin de dominee zo ernstig verteld had over het dienen van de Heere? Hij heeft het allemaal willen vergeten. Maar het lukt niet.
Er is een stil verlangen in zijn hart gekomen. Een verlangen om bij de mensen te horen, die op de smalle weg lopen. De weg, die in het Woord van de Heere eng genoemd wordt, maar die wel naar het Leven leidt. En sinds die tijd kan hij vaak niet meer meelachen. Ze hadden het eerst niet zo in de gaten gehad. Maar toen hij op een keer iets gezegd had van een schuine mop, toen had hij een bijnaam gekregen. Rob de Vrome. Maar vroom is hij niet, o nee. Als je vroom, echt vroom bent, dan dien je immers de Heere met je hele hart? Dan heb je de Heere Jezus lief. En dat durft hij niet te zeggen. Want in dat hart van hem, daar zitten nog zoveel zonden in!
"Hé Rob!" Hij kijkt op. Zonder erg is hij aan het einde van de lange sloot gekomen. Daar is het bord van de bebouwde kom al. Op de brug over de wetering staat Marije met haar fiets. Hij ziet het meteen: ze heeft een lekke band. Als je bijna thuis bent, is dat niet zo erg. Maar Marije woont helemaal aan de andere kant van het dorp, daar waar de polder weer begint. En Marije is... Hij bedenkt het met schrik. Marije is een zusje van Jaap. Doorrijden kan niet meer.
"Hoi", zegt hij stug. "Is-ie lek?" Marije schopt tegen de band.
"Helemaal. 'k Heb al geprobeerd 'm op te pompen, maar-ie loopt zo weer leeg. Mag 'k achterop?"
Ze kijkt naar zijn bagagedrager, waarop zijn rugzak ligt. Ze vraagt gelukkig niet waar Jaap is. Hij weet niet wat de anderen te bespreken hadden. Misschien komen ze er zo aan, misschien ook niet.
"Jawel", zegt hij. Hij slingert zijn rugzak op zijn rug.
Ze gaat zitten.
"Waarom ben je alleen?"
"Daarom." Hij heeft geen zin om over de anderen te praten. "Jij bent toch ook alleen?" Marijes fiets bonkt door een put.
"Ja."
Ze zwijgen lang. Rob fietst stevig door. Hij vindt het opeens grappig, een meisje achterop. De meisjes van de klas kijken niet naar hem. En als ze kijken, is het meestal om hem uit te lachen. Hij heeft al eens gedacht dat-ie maar nooit moest trouwen. Maar nu, met Marije..! Meteen schrikt hij van zijn gedachten. Marije is een zusje van Jaap. En bij Jaap thuis hebben ze... Tenminste, dat zeggen ze in de klas. En Jaap heeft niet gezegd dat het niet waar is. Opeens durft hij het haar te vragen.
"Hé Marije, hebben jullie tv thuis?"
Hij voelt dat ze schrikt. De fiets wiebelt tenminste opeens zo.
"Ja", zegt ze. "Boven, op zolder. Voor m'n vaders werk enzo."
Op zolder. Dus niet middenin de kamer. En voor het werk van haar vader.
"Kijk jij wel eens?"
Hij moet stoppen op het kruispunt bij de kerk. Breed en groot staat het kerkgebouw er. Hij kijkt naar de deuren die 's zondags altijd wagenwijd openstaan. De kerkklok erboven luidt dan. Hij kijkt achterom, en ziet de rode kleur op Marijes gezicht. De hoop, dat zij 'nee' zou zeggen, is weg. Hij weet waar ze zit in de kerk. Naast haar moeder, en daarnaast haar vader, en Jaap.
"Soms", zegt ze, "is dat verkeerd?"
Hij knikt.
Ze haalt haar schouders op. "Och, maar nu met de EK is het best leuk. Een beetje voetbal kan geen kwaad zegt m'n vader."
Rob fietst verder, en hij zegt de hele weg niks meer.
De volgende dag wordt het hem duidelijk. Ze gaan met z'n allen naar een wedstrijd kijken. Nederland - Denemarken. Bij Jaap thuis. Harrald komt naar hem toe. Harrald is nog de aardigste van de klas. Hij doet lang niet altijd mee met flauwe moppen of pesterijtjes. En hij lacht hem ook niet altijd uit. Harrald zou een vriend kunnen zijn.
"Hé Rob, heb je 't gehoord van die EK-wedstrijd?"
Het was er nogal geheimzinnig aan toegegaan. Ze waren zeker bang dat ze een preek zouden krijgen van een leraar. In de weekopening had Smits er inderdaad wat over gezegd. Iets over 'gij zult geen andere goden hebben voor Mijn aangezicht', en toen had hij de voetbal een afgod genoemd. Ze hadden er later mee gespot.
"Ik buig m'n knieën er toch niet voor?" had Jaap gezegd.
En nu die wedstrijd, bij Jaap thuis. Met alle jongens uit de klas. Alleen hij niet. Hem kunnen ze niet gebruiken. Toch doet het pijn heel diep in Robs hart. Een pijn die hij vaker voelt sinds hij niet meer overal aan mee doet. Afgewezen worden. Er niet meer bij horen, eenzaamheid - hoort dat bij het willen lopen op de smalle weg?
Rob kijkt Harrald aan. "Ga jij ook?"
Harrald zit een eindje achter hem in de kerk. Een poosje geleden was zijn vader bij hen op huisbezoek geweest. Rob had heel erg tegen dat huisbezoek opgezien. Hij was bang geweest dat Harralds vader moeilijke vragen ging stellen. Vragen, die in zijn eigen hart leefden, maar die hij nooit uit zou durven spreken met vader en moeder erbij.
"Ik weet het nog niet."
Harrald praat zacht, en hij kijkt een beetje schuw naar de anderen. Jaap heeft alweer het hoogste woord. "Het mag natuurlijk nooit van thuis, en dus moet ik het stiekem doen, maar..." "Ga dan niet!" zei Rob. "Wat heb je eraan? Ik weet het nog wel van vorig jaar. Toen..." Toen was het nog anders geweest bij hem. Toen had hij op een avond ook gekeken. Bij mensen een eindje verderop in de straat. Hij had net zo hard mee zitten juichen als Nederland een doelpunt maakte. En hij had ook lelijke woorden gezegd, toen de andere partij scoorde.
Hij krijgt het warm. Zonden zijn het - hij ziet het opeens heel scherp. En moet hij nu tegen Harrald zeggen dat het verkeerd is?
"Misschien heb je gelijk", zegt Harrald. "Maar 'k vind het best spannend, zo'n wedstrijd. Het hele sfeertje d'r omheen, weet je... geweld, vernielingen, ME... Maar m'n vader, joh, die sluit me op als hij erachter komt." Hij trekt een lelijk gezicht. "Lastig hoor dat-ie ouderling is! Die van jou, is die makkelijker?" Rob schiet in de lach. Hij ziet Harrald al in een donkere kelder zitten. Deur op slot, tot de wedstrijd afgelopen is. Nou, en dat kan lang duren, vooral ais ze verlenging krijgen. En als Nederland dan wint, 'n volgende wedstrijd weer.
"Staat er veel proviand in jullie kelder?" vraagt hij.
"Hè wat?"
"Eten. om te overleven als ze je opsluiten?" Harrald lacht ook.
"Hé, hij lacht," riep Jaap. "Zeg Vroompie, waar lach je om? Toch niet om een leuk moppie?"
Meteen komt Smits eraan. Hij doet zijn lokaal open. Harrald schuift naast Rob.
"Je moet het niet doen", zegt Rob nog gauw.
"Maar waarom dan niet?" vraagt Harrald.
Rob gebaart naar de plaat, voorin, maar dat begrijpt Harraid niet.
"Kom die avond naar mij", zegt Rob dan.
De avond is nu dichtbij. Ze praten nergens anders meer over buiten de les. Ze kijken wel uit dat geen leraar hen hoort. Smits is er onder godsdienst niet over begonnen, maar in zijn gebed, aan het eind van de dag, heeft hij het wel genoemd. En hij heeft gevraagd of de Heere hen wil bewaren voor de strikken van de duivel. Rob heeft na het 'amen' Harrald aangekeken, maar Harrald heeft net gedaan of hij het niet ziet. En hij is druk pratend met één van de anderen het lokaal uitgegaan.
"Tot vanavond!" roepen de anderen, de middag van de grote avond.
"Op tijd zijn hoor!" roept Jaap.
Ze fietsen drie aan drie weg. Ze zetten er nogal de vaart in. Ze wilen natuurlijk eerst nog wat huiswerk maken. Rob komt achteraan. Hij heeft geen haast. Weer is er dat diepe gevoel van eenzaamheid in zijn hart gekomen. En twijfel. Als hij zegt dat hij vanavond ook zal komen, hoort hij erbij. Een keer, zou dat erg zijn? Hij hoeft niet hard mee te juichen, en ook niet te vloeken. Hij hoeft zelfs niet te kijken. Alleen erbij horen, zoals vorig jaar. Dan kan hij morgen meepraten over de doelpunten. Over de blunders van de andere partij. Over...
Hij knijpt zijn handen om het stuur van zijn fiets. Hij blijft steeds meer achter bij de anderen. Ergens moet Harrald fietsen. Hij heeft niet uit kunnen leggen waarom hij niet meedoet. Als Harrald nu zijn gedachten wist, dan zou hij lachen. Eén keer, zou dat erg zijn? En wat als Nederland wint? Hij weet zeker dat Jaap ze dan weer allemaal uit zou nodigen. Het geeft immers een kick? Hij zal 'vroompie' af zijn. Hij zal erbij horen.
Even let hij niet op. Hij vliegt de berm in. Vlakbij de sloot kan hij stoppen. Is het dat, wat hij wil? Of... de smalle weg? Hij raapt een steentje op en gooit dat met geweld in de sloot. De kring in het water wordt steeds groter. "Zo is de zonde", heeft Smits eens uitgelegd. "Het begint soms zo klein, maar 't wordt steeds groter, steeds erger."
Van de sloot gaan zijn ogen omhoog. Harrald kent zijn gedachten niet, de Heere wel. De Heere, Die hij wil dienen. Hem alleen. Geen afgoden. Geen avond bij Jaap. Opeens weet hij het weer heel zeker. Dan wordt het stil in zijn hart. Fluitend fietst hij naar huis.
Die avond is het stil op straat. Aan het begin van de wedstrijd heeft Rob de toeters bij het café gehoord. Daar is een groot beeldscherm, weet hij. Levensgrote spelers zie je, alsof je zelf in het stadion zit. Hij heeft vader en moeder niks over Jaap en de anderen verteld. Dat kon hij niet meer na zijn gedachten van vanmiddag. Hij heeft het wel aan de Heere verteld. Het trekt hem ook. Hij is niet beter.
Hij zit achter zijn schetsboek. Zomaar te tekenen: kleine zwaluwen zoals hij die gezien heeft in de nok van een boerenschuur.
Op de polderweg fietst Harrald. Hij is laat. Hij trapt tegen de wind in. Het gaat niet zo hard. Komt dat door de wind? Uit school hadden ze de wind ook 'tegen' gehad, maar als je in een groep fietst, merk je het niet zo. Rob was er niet bijgeweest, vanmiddag. Rob was er ook niet bij, toen ze de stand van vanavond voorspelden. Jaap wist het zeker, 't wordt twee - één voor Nederland.
Jaap is nogal gek met zijn Oranje. Hij heeft er zelfs een slecht cijfer voor Duits door gekregen. Daar moest hij hard om lachen. "Duitsland tegen Nederland, dat zou nog mooier zijn, jongens!" had hij geroepen. De polderweg is lang. In de verte staat de boerderij van Jaaps vader. Harrald is er al eens eerder geweest. Jaaps moeder is best aardig, en zijn zusje ook. Jaaps vader is net zo als Jaap. Grote mond, flauwe grappen en altijd denken dat-ie leuk is.
Harrald remt opeens. Wat gaat hij eigenlijk doen? Jaap is zijn vriend niet en hij zou het ook nooit worden. Rob, vanmiddag! En Rob, zoals vader vanavond over hem praatte. Vanavond, toen hij gezegd had dat hij naar Rob wilde. Vader moest eens weten dat hij hier fietst. En dat hij straks... Harrald kijkt op zijn horloge. Straks?
De wedstrijd is al begonnen. Twee-één voor Nederland? En de volgende keer weer? Hij staat nu helemaal stil. Ze zullen hem niet missen. Ze hadden hem eerst niet eens durven vragen. Omdat zijn vader ouderling was. En Rob, Rob had wel gevraagd of hij kwam.
Rob kijkt tevreden naar zijn tekening. Beneden gaat de bel. Zeker een collecte. Mooi slim om nu te collecteren: het halve dorp zit thuis voor de buis! Hij hoort een stem. Harrald? Nee, dat kan niet. Harrald zit bij Jaap. Of in de kelder, thuis. Rob schiet in de lach. Dan wordt er op zijn kamerdeur geroffeld. Moeder klopt altijd met haar ring. Vader stapt zo binnen. Die vindt dat hij bij zijn zoon niet hoeft kloppen.
Wie...?
Het is Harrald. Harrald, hijgend en met een vuurrode kleur. Hij gaat op Robs bed zitten, alsof hij nooit anders doet. Hij wipt weer overeind, kijkt naar Robs tekeningen zegt: "Hé da's mooi. Heb jij die gemaakt?"
"Ja", zegt Rob, "maar... jij..?"
"Helemaal", zegt Harrald. "Doe de deur maar op slot, dan kan ik niet meer ontsnappen. Heb je, eh, hoe noemde je dat, pro-vi-and? "
Hij loopt naar het raam en kijkt naar buiten.
"Wil je cola?" vraagt Rob. Hij haalt twee grote glazen.
Harrald staat nog steeds voor het raam. "Ik wou eigenlijk twee dingen", zegt hij. "Naar Jaap en naar jou. En thuis zei ik dat ik naar jou ging. Had je de ogen van mijn vader moeten zien, joh. Alsof ik hem een cadeau gaf. Hij heeft wat met je, geloof ik. Komt dat door dat huisbezoek, laatst? Hij zei: "Doe dat, joh, en vraag 'm dan eens wat hij van de EK vindt." Nou, hier ben ik. Hoewel, ik was bijna bij Jaap."
Waarom hij niet bij Jaap naar binnengegaan is, zegt hij niet. Hij gaat weer op het bed zitten, wat verlegen. Rob kijkt hem aan, ook al verlegen. Een wonderlijk gevoel komt in zijn hart. Dan vertelt hij van zijn strijd. Want dat was het, en dat zou het blijven. De goede strijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 2000
Daniel | 32 Pagina's