JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Joke Verweerd: Permissie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Joke Verweerd: Permissie

LeesWijzer

8 minuten leestijd

Vorig jaar verscheen in de Mozaiekreeks onder het L-iabel van Uitgeverij Boekencentrum opnieuw een roman van Joke Verweerd: Permissie. Het boek is gesitueerd in een 'Indische' omgeving en speelt daarmee in op de actualiteit. Nog steeds is Indonesië (het voormalig Nederlands-lndië) regelmatig in het nieuws vanwege allerlei onlusten. In deze roman spelen onder andere de studentenonlusten uit de zomer van 1998 een belangrijke rol. Maar nog veel ernstiger is de banjir (vloedgolf) van gevoelens uit en herinneringen aan het verleden, die het leven van de hoofdpersonen teistert.

Centraal in het boek staat Nonnie Vrijmoed-Breur van Haagoort, een mooie vrouw van halverwege de vijftig, jong voor haar jaren en ze heeft de stijl van een koningin... als ze dat wil. Zo wordt ze tenminste beschreven door haar dochter Dee, die in Den Haag de tandartspraktijk van haar grootvader heeft overgenomen. Het verleden is nog nadrukkelijk aanwezig in het koperen naambord bij de voordeur: Tandartspraktijk Chr. Breur van Haagoort. Daaronder een bescheidener uitvoering in wit plastic met haar naam. Deodata Th. Vrijbloed, tandarts, ingang achterom. Vanuit Dee worden de gebeurtenissen in het heden beschreven (een hoofdzakelijk personaal perspectief). Zij blijkt gaandeweg de echte hoofdpersoon te zijn. Het verleden komt naar boven in de overpeinzingen van grootmoeder Moesina, die vanuit het ik-perspectief beschreven worden. De schrijfster heeft dit dubbele perspectief in het boek goed uitgewerkt zonder dat het kunstmatig wordt.

De titel van dit boek heeft duidelijk te maken met het hoofdthema. Dee zegt op een gegeven moment (blz. 80): Graven in het verleden, daar hebben we geen permissie voor. Mijn grootouders zijn met veel ellende door de oorlog gekomen en hebben sinds die tijd niets meer met Indonesië. Mijn moeder zegt dat ze Hollandser dan de Hollanders is opgevoed. In het boek blijkt echter duidelijk dat dit een misvatting is, die bovendien zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad.

Het verleden speelt een cruciale rol in het boek. Het begint voor de oorlog op Sumatra. De familie Breur van Haagoort heeft daar een rubberplantage, Futura, in de buurt van Rantaupandjan. De oude Tuan Breur heeft twee zoons: George, die de plantage moet overnemen, en Chris, die naar Nederland gaat om voor 'dokter gigi' (tandarts) te studeren. Chris keert in 1938 uit Nederland terug, hij wordt al spoedig ingeschakeld bij de mobilisatie van Nederlands-lndië. Voor George, die nogal een losbol is, koopt zijn moeder een njai (slavin, lijfeigene), Moesina, en geeft hem die als vrouw in de hoop dat hij daardoor een beter leven zal gaan leiden. Maar George behandelt haar slecht en slaat haar veel. Ze houdt wel van Chris, die goed voor haar is. Haar dochtertje is Nonnie. Aan het einde van het boek blijkt dat ze eigenlijk niet weet of Nonnie door Chris of door George verwekt is.

In de oorlog komt Chris in Pakan Baru in een krijgsgevangenkamp terecht. Hij moet daar werken aan een spoorweg voor de Japanners. Als hij na de oorlog terugkomt, is hij er zo slecht aan toe en beeft hij zo, dat hij zijn beroep absoluut niet kan uitoefenen. Hij komt terecht in de keuken van het Cikini-ziekenhuis. Als hij langzamerhand herstelt, weet hij zich wat op te werken, maar de oplevende haat tegen de Nederlanders zorgt ervoor dat hij niet verder komt dan in de kamer waar de medische instrumenten worden gesteriliseerd. George is teruggegaan naar de plantage en zal daar proberen weer iets op te zetten. Moesina blijft met de kleine Nonnie bij Chris.

Dan breekt de Bersiaptijd aan: de Indonesiërs beginnen de revolutie tegen het Nederlandse gezag. Tijdens de gruwelijke onlusten is de vier(?)-jarige Nonnie er getuige van dat vrouwen worden verkracht en mannen in stukken worden gehakt. Als Moesina door haar schoonmoeder-eigenares naar de plantage wordt gestuurd, vindt ze George daar: in stukken gesneden. Chris, Moesina en Nonnie trekken kort daarna naar Nederland. Na een moeilijke tijd als loopjongen in een tandtechnisch laboratorium weet hij in Den Haag een eigen praktijk te beginnen. Die heeft hij van de grond af opgebouwd en daarin hebben ze al hun energie gestoken.

Het was niet gemakkelijk voor Indische Nederlanders in Den Haag. Ze bleven door hun Indische gewoonten enigszins apart staan. Ze hebben zich helemaal geworpen op het geluk van Nonnie. Daardoor werd er nooit meer gepraat over de verschrikkingen, die ze tijdens en na de oorlog hadden meegemaakt. Maar het verdringen van al die ellende werkte niet goed. De angsten kwamen terug en vooral Nonnie ondervindt daarvan de nadelige gevolgen. Dat komt tot een hoogtepunt als ze haar man Kees Vrijbloed, werktuigbouwkundige op de grote vaart, de deur wijst. Ze is psychisch helemaal ontregeld. Een bezoek aan de nieuwe dokter, De Raad, blijkt voor wel enig inzicht te geven in haar problematiek. Jef de Raad heeft ook wat belangstelling voor Dee, die echter niet veel waarde hecht aan zijn diagnose en zijn adviezen.

Als Kees Vrijbloed na een lange afwezigheid weer naar huis terugkeert, heeft Nonnie onverwacht een reis geboekt naar Indonesië, ledereen is stomverbaasd maar ook hoogst verontrust: het gaat daar niet goed, er dreigt veel onrust. Maar Nonnie is niet tegen te houden en haar dochter Dee moet haar zojuist teruggekeerde vader maar opvangen. Die is overigens nog altijd een welkome en geziene gast bij zijn schoonouders.

Zo komt Nonnie in het woelige Indonesië terecht. De studentenonlusten, die leiden tot het aftreden van president Suharto, barsten in al hun hevigheid los. Het reisgezelschap wordt met spoed teruggebracht naar Nederland, maar Nonnie blijft achter. Ze is op zoek naar de Chinese familie Tan, waar ze met haar moeder in 1947 geweest was. Als de Chinese wijk geplunderd wordt, is zij met haar Indonesische uiterlijk een reddende engel voor deze familie. Dee is haar inmiddels achterna gereisd, omdat ze van de reisorganisatie vernomen had dat haar moeder met maag-darmstoornissen was opgenomen in een ziekenhuis. Een Indonesische stewardess, Wiatti Palu, en Wiatti's broer Arie, zijn Dee niet alleen behulpzaam bij het zoeken naar haar moeder, in de kleine (waarschijnlijk evangelische) gemeente waartoe die behoren komt er ook wat helderheid in haar vragen naar het bestaan van God.

Als ze Nonnie vindt bij de familie Tan, hoort ze van de oude Chinees het verhaal over de verschrikkingen die haar moeder en grootmoeder na de oorlog hebben ondergaan. Dat brengt haar tot enig inzicht in de psychische problematiek van Nonnie. Na de terugkeer in Nederland weet ze Nonnie tijdens de Pasar Malam zover te krijgen dat ze professionele hulp zoekt bij Pelita, een organisatie voor Indische Nederlanders. Voor Dee komt er dan ook meer helderheid in haar eigen vraag: of ze nu houdt van de jonge arts Jef de Raad of van die ander. Er is geen twijfel meer, ook al heeft ze nog geen antwoord op alle vragen. Op dit moment heeft ze genoeg aan het zeker weten dat het Arie is en niemand anders. Dat zoiets bestaat in een wereld die ziek is van zichzelf. God moet er achter zitten - dat kan niet anders.

Het thema in het boek is de worsteling met het verleden. Chris en Moesina hebben alle ellende ver willen wegstoppen in de hoop dat ze Nonnie zo een goede toekomst konden bieden. Het veelvuldig noemen van de naam van de rubberplantage, Futura, wijst daar ook op. Dat onverwerkte verleden gaat hen echter opbreken: niet alleen Chris en Moesina hebben hun angsten, vooral in hun (dag-)dromen, ook Nonnie lijdt en zij vooral onder het leed dat ze onbewust altijd met zich meegedragen heeft. Niemand kreeg permissie (toestemming) om daarin te wroeten.

Jef de Raad wijst Dee daarop (blz. 84):

"Weet jij eigenlijk wel wat haar dwarszit? "

"In grote lijnen. Haar jeugd, de oorlog en Bersiaptijd, het afscheid daar, het wennen hier, enig kind, altijd overbeschermd..."

Moet ze nog meer noemen? Het is net of Jef nog meer verwacht.

"Je hebt aan grote lijnen niet genoeg. Ze vertelde mij van angsten en dromen die een oorsprong moeten hebben. Ik zou de details moeten weten om haar werkelijk te kunnen helpen. Jij hebt recht op die details, want jij bent de dochter."

Dee realiseert zich dan: Dat wat verzwegen wordt, is daarom niet weg.

Naast dit hoofdthema komen in deze roman enkele actuele motieven aan de orde. Zo is er het probleem van het ouder worden en de aftakeling van het lichaam, het probleem van back to the roots, dat bij buitenlandse adoptiekinderen nogal eens speelt, de liefde van Dee (voor Jef, voor Arie) en met name haar geloofsvragen. Ook bij Moesina keren steeds de vragen terug aangaande Gods hulp en bijstand. Psalm 121 heeft daarbij een belangrijke plaats in haar leven. Verder komt het kolonialisme met alle nasleep daarvan aan de orde, al wordt op die problematiek niet zo erg diep ingegaan.

Het taalgebruik in dit boek is goed te noemen, De schrijfster weet beeldend te schrijven. Ze gaat er kennelijk van uit dat haar publiek alle Indische termen die ze hanteert wel kent. Dat zal vaak niet zo zijn, maar het draagt bij aan de sfeer. Al met al is het een goed leesbaar boek, waaruit blijkt dat Joke Verweerd als schrijfster zich in een stijgende lijn bevindt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 2000

Daniel | 32 Pagina's

Joke Verweerd: Permissie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 2000

Daniel | 32 Pagina's