Waarom is het gebed nodig?
Tweede lezing winterconferenties 'Het wonder van het gebed'
Wat is bidden eigenlijk? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk. Bij het bidden gaat het immers over heilige, goddelijke dingen. Wij spreken als zondige mensen tot een zondeloze en majesteitelijke God. Hoe groot is dan het verschil tussen Hem en ons. Dat maakt het antwoord op de genoemde vraag niet gemakkelijk.
Wat is het niet?
Bidden is niet een soort gesprek met de Heere houden. Zoals dit gebeurt tussen mensen onderling. Het zou dan teveel lijken op het gebed in de roomse kerk: het plichtmatig opzenden van vaste (formulier-)gebeden, prevelementjes die worden uitgesproken zonder eigenlijk te beseffen waarvoor en tot Wie men bidt. Overigens: hoeveel gebeden worden zo niet door ons gedaan? Bidden mag ook geen spreken tot God zijn als ware Hij (met eerbied gezegd) een hulp op afroep. Dan kan het zijn, dat als alle menselijke middelen niet helpen, de Heere dan maar gebeden wordt of Hij nog helpen wil. Zodoende wordt het hemelse Adres eigenlijk niet meer dan een 'laatste hulp bij ongelukken'. Ook mag het bidden niet zijn het slechts vervullen van een plicht. Vanzelf is bidden een goede gewoonte, maar als het niet meer is, is dat tekort. Door Gods Geest zullen we moeten leren bidden uit de nood van het hart en niet slechts uit gewoonte.
Wat is het wel?
Wat het gebed wel is? Een spreken tot God. En dat met het besef van de grote afstand tussen ons en de Heere. Een afstand tussen hemel en aarde; een verschil tussen heilig en zondig; een onderscheid tussen rechtvaardig en doemwaardig. Als we dit werkelijk inleven, zal ons bidden een eerbiedig spreken worden tot God. Tegelijk ook een afhankelijk spreken. Dan leeft de indruk in ons hart van onze zonde, maar ook van de heilige majesteit Gods. Dan is verhoring van het gebed niet meer een vanzelfsprekendheid, veel minder iets wat van de Heere afgedwongen kan en mag worden, maar een onverdiend wonder. Dan voelen we ons werkelijk afhankelijk van de hoge God in de hemel. Afhankelijk van Zijn gunst, hulp en verhoring van ons gebed om Jezus' wil! Samengevat: bidden is spreken tot de Heere met het besef dat Hij God is en wij mens. Zo sprak Abraham tot de Heere: "Ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben." (Genesis 18: 27). Zo horen we Jakob bidden: "Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw..." (Genesis 32: 10). Zo riep David de Heere aan: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis..." (1 Kronieken 17: 16). Laten deze gebeden ons tot voorbeelden zijn!
Ademtocht der ziel
Het gebed is als het goed is steeds weer onmisbaar. Het wordt niet voor niets genoemd: 'de ademtocht der ziel'. Net zoals het ademen onmisbaar is voor het wel-leven van het lichaam, zo moet het gebed onmisbaar zijn voor het wel-zijn van de ziel. Ademen doen we vanzelf. Zo zou ons bidden moeten zijn. Denk aan Daniël die drie keer per dag zijn raam opende naar Jeruzalem om te bidden. Zonder adem moeten we sterven. Zo is het ook met het gebed: zonder bidden kwijnt het geestelijk leven van Gods kinderen, hebben we de Heere niet nodig en kan de Heere (menselijk gezegd) Zijn genade niet kwijt aan ons hart. Adem geeft een uitgeput mens kracht en moed om verder te gaan. Zo geeft het gebed ook levensmoed en vernieuwt de krachten als de Heere er in mee komt. Zo is het ware gebed een geestelijke opLUCHTing, beantwoord door Gods Geest. Anders is het gebed een plichtmatig spreken als uit gewoonte. En, laten we eerlijk zijn, hoe vaak is dat ook niet zo?! Immers: een gebed als ademtocht van de ziel is voor een natuurlijk, onbekeerd mens niet mogelijk. Dan is het bidden ten diepste niet meer dan plichtsbetrachting, een uitgesleten vorm, een gedachteloos prevelen. We zijn meer rooms in onze plichten dan wij wel denken. Als dan onze klacht is: ik bid wel maar krijg geen antwoord', ligt dat niet aan de Heere, maar aan onszelf. Laten we daar de oorzaak toch eens zoeken van onze onverhoorde gebeden. Dan krijgt niet God de schuld maar worden we zelf de grootste van de zondaren. Dan zien we met Saulus van Tarsen, na jarenlang bidden als farizeeër, dat hij nog nooit gebeden had, totdat de Heere tot Ananias over een verootmoedigde Saulus sprak: 'want zie, hij bidt' (Handelingen 9: 11). Maar dan wordt ons bidden ook werkelijk roepen uit de nood van ons biddeloze bestaan. Dan gaan wij werkelijk bidden; bidden om een gebed, een gebed dat God behaagt.
Waar gebed
Niet alleen het gebed is dus een eis van God, maar ook de gestalte van de bidder. Wij hebben niet slechts de opdracht om te bidden, maar ook die om een ware bidder, een waar christen, te zijn. Dan leren we de nood van ons onbekeerde hart kennen en belijden voor God. Dan komt er een ware droefheid over de zonden en een smart over het bedreven kwaad. Maar dan gaan we ook zoeken naar de weg om van de zonde verlost en met God in volkomen omgang te worden hersteld. Dan bidt de tollenaar in de tempel om genade (eigenlijk staat er letterlijk: 'O God, verzoen mij de zondaar'!). Zo wordt de enige, waarachtige God aangeroepen. Zo wordt ook door Gods Geest geleerd op grond waarvan de Heere alleen maar horen en verhoren kan. Want ons gebed kan voor Hem niet bestaan; zelfs onze beste werken zijn waardeloos voor de Heere. Alleen de gerechtigheid (het verzoenend lijden) van de Heere Jezus is een grond waarom de Heere kan horen. Gelukkig die jongere of oudere die naar deze Zaligmaker leert hongeren en dorsten, die zonder Jezus niet meer verder kan, die buiten Jezus niet kan en wil zalig worden. Slechts op die Koning wordt dan onze hoop gevestigd en alleen door deze Voorbidder kan ons bidden worden verhoord. Zo zingt de berijming van het gebed des Heeren: 'Die in Uw Zoon verhoring gunt'. (Zie ook Zondag 45, vraag en antwoord 117 van de Heidelbergse Catechismus). Wonderlijke genade als Christus mag worden gekend en Jezus benodigd tot volkomen zaligheid. Dan is het niet meer mijn gerechtigheid en gebed die me redden moeten, maar Zijn verzoenend sterven als het rustpunt van mijn hart. Dan worden vuile en zondige gebeden gewassen door Zijn bloed en komt het gebed om Jezus' wil voor de getrouwe en verhorende Verbondsjehovah.
Eens te laat
Kennen we hier nog niets van? Laat dan de nood van het onbekeerd-zijn je eens wegen op het hart. Bedenk eens hoe ongelukkig je dan nog bent. En weest ervan doordrongen dat, als het op aarde niet veranderen zal, eens alle gebed zal verstommen. Dan wordt wel geroepen: 'bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons', maar het antwoord is vreselijk: 'Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij...' (Mattheüs 7: 23).
Dan wordt wel geklopt, maar de hemelpoort blijft gesloten. Dan wordt wel gebeden, maar voor deze gebeden geldt het: 'Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden' (Spreuken 1: 28). Dan is er wel nood, verschrikkelijke nood, maar een nood die nooit meer opgelost kan worden en die wordt gevoed door ernstige en eeuwige wanhoop. Vanuit die aangrijpende werkelijkheid zouden we op aarde moeten gaan bidden met een voortdurend gebed tot de Heere om redding. Onze zaligheid kunnen we niet zelf bewerken, maar we kunnen er wel de Heere om bidden. Juist ook daartoe is het gebed. Bedenk voortdurend hoe arm en ongelukkig je bent; laat je gedachten gaan naar het geluk van Gods kinderen; maar weest ook doordrongen van de grote kracht van het gebed. De Heere doet wonderen op het gebed en is een Verhoorder van gebeden. We zingen het immers: 'Grote Hoorder van 't gebed'!
Bekering
Wanneer wij er Gods Woord naast leggen, kunnen we zien dat de bekering zo begint. Hoe ernstig en vurig heeft Manasse de Heere aangeroepen in zijn gevangenis. Hoe welgemeend en ootmoedig heeft de tollenaar gesmeekt om genade in de tempel. Hoe indringend en aanhoudend was Saulus' bidden in een donkere kamer. Hun gebeden klommen op tot God en werden door Hem niet afgehouden. Hij laat geen ware bidder staan en stapt nooit over een zuchtend en gebogen mens heen. 'De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep' (Psalm 34: 16).
Christus' bede
Hoe duidelijk heeft de Heere Jezus hierover gesproken tijdens Zijn leven op aarde: 'Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.' (Mattheüs 7: 7). Christus gaf niet slechts een drievoudige bevel (bidt, zoekt, klopt), maar verbond hieraan ook een drievoudige belofte (gegeven worden, vinden, opengedaan worden). We worden allen door Hem tot het gebed opgeroepen, maar horen ook allen dat er ruimte van verhoring is. De stroom van onze ongerechtigheden kan zo groot niet zijn, of de fontein van Jezus' bloed is overvloediger en krachtiger om deze alle af te wassen. Hoe bereidwillig en liefdevol dan deze Zaligmaker, Die zelfs een moordstad (Jeruzalem) indringend opriep tot vrede en zaligheid. Hij heeft dus ook gebeden. Niet alleen tot Zijn Vader in de nacht, maar ook tot zondaren. Christus bidt ons om de zaligheid te zoeken. Dat doet Hij door middel van Zijn dienaren: 'Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen.' (2 Korinthe 5: 20). Als deze Koning zo liefdevol en barmhartig elke zondag weer Zijn bede legt aan jouw hart, verhard je dan toch niet langer met een onbuigbare nek en een onverschillig hart. Leg het eens voor Hem neer, Hij is niet alleen gewillig maar ook almachtig deze hardheid en onwil weg te nemen.
Troon der genade
Zo mag worden ervaren dat de plaats aan Christus' voeten de troon der genade is. Daar moeten we zijn met het gebed. Vanuit onszelf kennen we deze plaats niet en zullen we er ook nooit komen. Dat kunnen en willen wij niet. Liever knappen we onszelf wat op, dan dat we als verloren zondaar buigen aan Gods voeten en als bedelaar smeken om hulp. Maar de Heilige Geest maakt plaats in levend gemaakte harten voor een waar gebed en legt in die overtuigde harten een waar gebed tot de levende Koning. Zo ging de Kananese vrouw bedelen aan Jezus' voeten. Hierdoor heeft Bartimeüs geroepen tot de verhorende Zaligmaker. Zo riepen de melaatsen: 'Jezus, Meester, ontferm U onzer!" (Lukas 17: 13). Bid het deze mensen maar na. Zij zijn geholpen door Hem Wiens Naam is Jezus, dat is: Zaligmaker. Bij Hem is nog plaats. Geen geschikter voorwerp van genade om door Hem geholpen en gezaligd te worden is een geheel hulpeloos, hopeloos en onmachtig zondaar. Christus heeft alle macht en kracht. Geen geschikter voorwerp van genade dan een goddeloos mens, die het werkelijk om deze Zaligmaker is te doen. Jezus' bloed kan reinigen van alle zonden. En om deze genade ons persoonlijk deel te laten worden heeft de Heere het beloofd: '...Ik zal uitstorten den Geest der genade en der gebeden....' (Zacharia 12: 10). Deze Geest zal dan in ons gaan bidden 'met onuitsprekelijke zuchtingen' (Romeinen 8: 26). Op dit gebed, gewerkt door Gods Geest in ons hart, doet de Heere grote wonderen, om Jezus' wil!
Zoekt eerst het Koninkrijk Gods...
Ook alle aardse en tijdelijke dingen (voorzover niet strijdig met het Woord en de wet van God) mogen wij aan de Heere voorhouden. Zonder Gods hulp en genade zijn ook alle dingen van het dagelijks leven onmogelijk te volbrengen. Anderzijds zal het bidden om tijdelijke zegeningen altijd moeten staan in het teken van Jezus' indringende waarschuwing en opwekking: 'Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden." (Mattheüs 6: 33). We zijn immers op weg naar de eeuwigheid. Zonder genade en verzoening van zonden kunnen we voor de Heere niet bestaan en onze Rechter eenmaal niet ontmoeten. Laat dan het gebed zich vooral mogen richten op het herstel van de geschonden gemeenschap met God. Daartoe hebben we een Borg nodig Die onze schuld gedragen en een Middelaar Die onze zonden op Zich geladen heeft. Zalig die bidders, die door Gods Geest als schuldige en doemwaardige zondaren tot Jezus de toevlucht leren nemen. Zij worden bij Hem niet beschaamd. Welgelukzalig dat volk, welks God de Heere is. Onuitsprekelijk gelukkig die mensen, die vergeving van zonden mogen vinden in het krachtige en levende bloed van Emmanuël. Dan wordt het gebed veranderd in dankzegging, zoals eens bij Christus' bruid. Ziende op haar trouwe Bruidegom sprak zij: 'Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem.' (Hooglied 5: 16).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 2000
Daniel | 32 Pagina's