JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Overweldigend

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Overweldigend

10 minuten leestijd

"Kwart over vijf", meldt mijn wekker. Dat betekent dat het in werkelijkheid vijf uur is. Ik zet hem namelijk altijd een kwartier voor om mijn dag met een meevaller te laten beginnen. Vanmorgen had ik echter geen gerinkel nodig om wakker te worden. Het bed lijkt van spijkers, maar vijf uur is echt te vroeg om op te staan. Ik trek het dekbed tot aan mijn kin en warm mijn handen aan mijn nek. Wie heeft er nou zelfs in bed koude handen? Ik. Al de hele week. De slaapkamer is donker. De stilte hangt als lood om me heen. Af en toe doorbroken door snurkerige uithalen van pa en het aanzwellende geluid van de wind, die de sponningen doet kraken. Ik krom mijn lichaam. Strek het. Herhaal dit. Twee keer. Drie keer. Tig keer. Dan is het half zes. Eindelijk. Ik sluip uit bed, trek een dikke trui over mijn nachtpon en knip het licht aan.

De map met uittreksels ligt nog op het bureau, opengeslagen bij 'De Tornado' van B. Nijenhuis. Tot zover was ik gekomen gisteravond. Niets voor mij om mijn spullen te laten liggen, maar het was ook zo laat geworden. Twaalf uur? Een uur? Geen idee. Bijtend op mijn nagels sla ik de bladzijde om en lees wat de kenmerken zijn van de 'personale verteller' en van de 'auctoriale verteller'. Mijn ogen glijden over het papier. Voor de hoeveelste keer? Eigenlijk weet ik alles. Nu wel. Maar straks om tien over half elf? In lokaal 2E tegenover Van der Eyck en weet ik veel welke leraar nog meer? Zullen mijn lichaam en verstand me dan weer in de steek laten?

Lezen, leren, inprenten, eindeloos herhalen. Dat zijn de enige wapens die ik heb. Hoe beter ik het allemaal ken, hoe zekerder ik me straks voel, denk ik.

 

Een bonk op de deur. Het hoofd van mijn zus.

"Ben je doof vanmorgen? Ma heeft misschien wel drie keer geroepen. Komen, Daniëlle. Opschieten, Daniëlle. Eten, Daniëlle."

Met een scheef lachje kijkt ze naar de map op het bureau. "Ben je soms te laat begonnen met leren? Moet je vooral doen als je graag je diploma wilt halen."

Weg is ze. Een brok haakt zich als een angel vast in mijn keel. Ik stop mijn spullen in mijn schooltas en loop traag naar beneden.

Vanaf de keukentafel grijnzen twee dikke boterhammen en een plak ontbijtkoek me uitdagend aan.

"Eten, Daniëlle", galmt de stem van mijn moeder. "Ik ben er al."

Verschrikt draait ze zich naar me toe.

"O kind toch. Eindelijk. Je bord staat klaar. Goed eten hoor, want met een lege maag begin je helemaal niets."

Haar lippen vormen een dunne streep, die aan de uiteinden naar beneden krult.

"En het moet wel beter gaan dan de vorige keer. 'k Ga even boven de was in de machine stoppen."

Ze trippelt de trap op. Ik neem een hapje brood. Het balt in mijn mond. Een grote slok thee erbij. Drie keer slikken. Weg. Nog een hap. Mijn maag draait.

De brok in mijn keel is te groot. Het lukt echt niet. Ik leeg mijn bord in een plastic tasje en prop dat in mijn jaszak. Voor de eendjes.

"Ga je al?" roept ma van de overloop. "Ik kom je even uitzwaaien." Ze haast zich de trap af en strijkt een pluk haar uit mijn gezicht. Goed bedoeld, net als die boterhammen met ontbijtkoek.

"Hoofd koel", fluistert ze, als ik naar de schuur loop om mijn fiets te pakken. "Zorg dat je een goed cijfer haalt lieverd", zegt ze er fluwelerig achteraan.

Ik zucht. Is dit ook goed bedoeld?

Aan de rand van het dorp wacht ik. Uit een dik gijsgrauw wolkendek vallen zware druppels. De wind rukt aan mijn regenjack. In de verte zie ik ze aankomen. Myrthe en Janneke. Zolang we op school zitten, fietsen we met z'n drieën. Negen kilometer heen en negen kilometer terug. Iedere dag. Zelfs vandaag, nu we op verschillende tijden een mondeling tentamen hebben. Ik zie dat het hun moeite kost tegen de wind in te trappen. Vooral Myrthe, klein en tenger als ze is, maar begiftigd met een helder verstand. Veel helderder dan het mijne. Bovendien kan ze haar werk perfect indelen. Iets waar het bij mij nog al eens aan schort. Geen wonder dat ze zulke hoge cijfers haalt. De wind rolt bulderend over de weg. Ik knijp mijn ogen dicht om ze te beschermen tegen het rondwaaiende zand. De meiden komen dichterbij. Janneke gebogen over het stuur. Haar grote wijde rok fladdert om haar benen. Ze trapt of haar leven ervan afhangt. Luid zingend. Wie zingt er nou in een tentamenweek? Janneke. Janneke die er geen doekjes om windt dat ze op 'net voldoende' aanwerkt. Janneke die van een 5 niet wakker ligt, maar die 5 wel altijd net op het nippertje met een 7 weet te compenseren. Janneke die zelfs in dit examenjaar genoeg tijd overhoudt om andere dingen te doen dan leren. Was ik maar als Janneke. Of als Myrthe. Als ik mezelf maar niet hoefde te zijn.

 

De radiator waar ik op zit is warm. Mijn handen en voeten koud als marmer. Door de ruit van 2E zie ik de rug van Johan de Vries. Aan de andere kant van het bureau Van der Eyk en mevrouw Boomsma. Ook dat nog. Waarom juist dat mens erbij? Ik heb wel nooit les van haar gehad maar ze staat bekend als streng en kritisch. Iets waar ik nou bepaald niet op zit te wachten. Ze lachen. Daar heb je het al. Zeker een leuke strikvraag gesteld. De miezers. Maar Johan lacht mee. Hoe is het mogelijk? Ik bijt op de afgekloven nagels van mijn rechterhand en kijk op mijn horloge. Nog zeven minuten. Het wachtkamergevoel, dat zich al midden in mijn buik genesteld had, slaat zijn klauwen uit en hecht zich nu ook aan mijn buikwand. Als ik me straks maar kan concentreren. Ik ben nu al te moe om na te denken. De vragen zullen natuurlijk wel moeilijk zijn. Ja, wat voor vragen zullen ze eigenlijk stellen? Stom dat ik dat niet even heb nagevraagd bij iemand die dit tentamen al heeft gehad. Zal ik gewoon weggaan? Nog vier minuten. Als ik dit echt wil, moet ik dus snel beslissen. Het gebeurt toch wel vaker dat iemand ineens ziek wordt. Plotseling overvallen door een felle griep. Waarom loop ik niet simpelweg naar de conciërge? Moet ik natuurlijk niet zeggen dat ik buikgriep heb, want dan denkt hij dat het zenuwen zijn. Nee, een griep in je hoofd en spieren met hoge koorts. Nog twee minuten. Ik zie het voor me. Een ernstig begrijpend gezicht van de conciërge. "Arm kind. Akelig dat het je net nu overkomt. Ik meld je af en laat je thuisbrengen. Kun je lekker je bed in." Heerlijk lijkt me dat. Mijn bed in. Mijn hoofd heel diep onder de dekens.

 

De deur zwaait open. Er wordt geglimlacht. Er worden handen geschud. "Dag Johan."

"Zo", zegt Van der Eyk formeel, terwijl hij zijn hoofd naar me toebuigt. "Nu is het jouw beurt om je kennis en inzicht te etaleren, Daniëlle."

Ik loop achter zijn brede rug aan, het lokaal in. Over het bureau steken hij en mevrouw Boomsma hun hand uit. Ik geef hun de mijne. Koud en klam. Het wachtkamergevoel gaat over in een spreekkamergevoel en verspreidt zich vanuit mijn buik via mijn keel en nek tot aan mijn kruin. Het is alsof er een nevel om me heen hangt. Alsof ik buiten mijn eigen lichaam sta. Alsof ik mijn ondervragers vanuit een wazige verte gadesla. Het enige dat ik helder onderscheid zijn twee paar priemende ogen in twee scherpzinnige gezichten, die me taxerend opnemen. Ik zou willen kluiven op mijn nagels. Willen bijten. Maar dat kan natuurlijk niet. Ik kan hier niet voor gek gaan zitten. Niet nog meer voor gek.

Van der Eyk spreidt wat papieren voor zich uit en laat zijn ellebogen erop rusten. Met de kin in zijn handpalmen stelt hij zijn eerste vraag: "Wie schreef 'Het bittere kruid'? Een weggevertje om er even in te komen", voegt hij er lachend aan toe. Zijn doorrookte gebit wordt zichtbaar. Mijn maag speelt op. Ik weet dat ik het antwoord wist, maar ik voel dat ik het nu kwijt ben.

"Hella Haasse", probeer ik. Hij knijpt zijn ogen dicht en schudt met zijn hele lichaam 'nee'. De nevel wordt een dikke mist en sluit zich als een net om me heen.

"Ward Ruyslinck", stoot ik eruit. Ik hoor mezelf praten. Mijn stem is de mijne niet.

"Marga Minco", fluistert mevrouw Boomsma.

Lees ik minachting in haar ogen of medelijden? Hoe moet ik verder? Als ik zo'n simpele vraag niet kan beantwoorden, hoe moet ik dan toch verder?

"Wat is het belangrijkste thema in dit boek?" De vraag komt van heel ver. Mijn hart gaat als een razende te keer. "Zal ik even een glaasje water voor je halen?"

De stem van Boomsma. Sympatieker dan ik had verwacht. Ik wil antwoorden. Laat ik in ieder geval iets zeggen. Maar mijn mond is droog als perkament. Mijn lippen lijken verzegeld. Ze voelen koud, stijf, verdoofd.

"Zegt '40-'45 je iets", helpt Van der Eyk.

"Laat haar maar even."

Mevrouw Boomsma gaat op haar hurken voor me zitten. Ze reikt het glas aan. Mijn handen trillen. Ze zijn stuurloos. Ik kom niet bij het glas. "Ze gaat toch niet flauwvallen?", vraagt Van der Eyk met een iele overslaande stem.

De mist wordt zwart. Mijn hoofd suist. Twee handen grijpen me beet... Inktzwart.

 

"Kind, kind toch", zegt ma voor de zoveelste keer, als ze het lege papschaaltje van mijn nachtkastje pakt. "Kind, kind. Dat je je toch zo druk hebt gemaakt. Dat je je toch zo hebt laten gaan."

Ze schudt meewarig het hoofd.

"Vechten kind. Dat zegt pa ook. Vechten, want anders..."

De telefoon verbreekt haar monoloog. "Voor jou, Daniëlle", roept mijn zus. Ik sta voorzichtig op. In de slaapkamer van mijn ouders neem ik de hoorn van de haak. Het is mevrouw Boomsma. "Hoe is 't met je?", vraagt ze vriendelijk. "'t Moet wel een akelige ervaring voor je zijn geweest."

Robotmatig antwoord ik: "Ik snap niet dat ik me zo belachelijk druk heb gemaakt. Dat ik me zo heb laten gaan."

"Dat is nou net je hele probleem."

Haar stem klinkt warm.

"Ik moet harder vechten..." Ze valt me in de rede en ik hoor haar dingen zeggen, die ik nooit eerder gehoord heb.

Stoppen met vechten? Anders vechten? Er niet krampachtig mee omgaan? Laconieker worden? Mezelf accepteren? Oog krijgen voor mijn zwakke en sterke kanten? In biddend opzien omdat er een God is Die alles weet en kan helpen in nood?

Aarzelend gaat ze verder: "Praat er eens met je huisarts over."

"Is het dan zo erg?"

"Het is in ieder geval overweldigend. Het heeft je in de houdgreep. Blijf vooral niet alleen tobben, Daniëlle. Enne... kom gerust eens bij mij langs, als je dat prettig vindt."

 

Als de hoorn er weer op ligt, staar ik minutenlang voor me uit. Verzonken in gedachten. Dan glijdt mijn blik naar mijn handen. Ik zie mijn nagels en besef ineens dat ik niet overvallen word door de onweerstaanbare drang erop te bijten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 2000

Daniel | 32 Pagina's

Overweldigend

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 2000

Daniel | 32 Pagina's