Komend voorjaar
Er hangt een verlangen in de lucht.
Er dwarrelt een verdwaalde vlucht
van kleuren langs de wegen.
Er gaan gedempte woorden rond
en uit den overvollen grond
komt nieuwe geur gestegen.
Er komen vrezen op mij aan:
zie hoe met bloten hoofde staan
de knoppen te overnachten,
en hoe de bleke bladertjes
hun fijne rimpel-adertjes
al te bewegen trachten.
De blaren van het dode jaar
schudden vermanend hier en daar
met diepgebruinden hoofde:
och, dat dit jonge leven dan
het deernisvolle beven van
die wijzen toch geloofde!
Ik vreze zeer, — ik vreze zeer...
Maar jong gekwetter gaat te keer
al, uit de kille bomen.
Om verre toppen gloeit het groen
en, schreeuwend door de tuinen, doen
al spreeuwen leven komen.
Dan wordt mijn angst terzij gelegd.
Het wordt zo zeker uitgezegd
en moet ik 't wel geloven:
de jonge Lente wordt gewacht!
Kijk, moedig door de takken, lacht
het zonnetje van boven.
Jan Prins (1876-1948)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 2000
Daniel | 32 Pagina's